Gansje Grauwvleugel
Op een
oude boerderij woonde een mooie witte gans. Haar naam was Louise.
Ze leefde in een oud hobbelig weiland met draad er om heen. Aan één
kant van de wei was een smalle gracht. In de hoek van de wei was de
gracht verbreed tot een vijvertje en daar ging Louise zich elke dag
uitgebreid wassen. Na haar bad bleef ze altijd een tijdje op het
water dobberen en zwom ze een paar rondjes, met snelle, krachtige
slagen van haar brede poten. Dat was voor haar het leukste moment
van de dag. Voordat ze weer aan land ging, klapperde ze heel heftig
met haar vleugels, maar deze waren gekortwiekt zodat ze niet kon
opstijgen. Louise kon niet vliegen.
Daarna ging ze aan land om te grazen, heel veel te grazen. Ganzen kunnen veel eten en Louise was dik, want ze kon vreselijk veel eten.
Louise had altijd genoeg gras
in haar wei, behalve als het winter werd en het ging sneeuwen. Dan
werd het gras dor en kort en moest ze haar toevlucht nemen tot de
wortels en de ondergrondse uitlopers. Met haar sterke snavel maakte
ze putjes in de sneeuw en schraapte ze ook wat van de bevroren aarde
weg om bij de ondergrondse delen van het gras te kunnen. Maar
gelukkig was de boer er ook nog. Hij bracht tijdens de winterdagen
steevast afval van kool, worteltjes, oude aardappelen en andere
lekkere hapjes.
Deze winter was het heel koud.
Niet dat Louise daar veel last van had, want ze had tijdens de lange
zomermaanden heel veel gegeten en daardoor had ze nu een dikke laag
vet onder haar pluimen. Dankzij die vetlaag voelde ze de kou niet.
Maar er lag geen sneeuw en de grond was zodanig hard bevroren dat ze
helemaal niet naar wortels kon graven. Ze was volledig aangewezen op
wat de boer haar bracht. Dat was wel meer dan ze op kon, maar ze
verveelde zich als ze niet kon grazen, graven of zwemmen.
Op een ochtend klonken er
vreemde kreten in de lucht. Louise hoorde wel dat het ganzentaal
was, maar ze verstond er niet veel van. Het waren wilde ganzen en ze
kwamen blijkbaar uit een vreemd land. Het was een kleine groep.
Vijftien ganzen telde ze toen ze dichterbij kwamen. Ze waren grijs,
hadden brede zwarte strepen op hun buik en een gekke witte vlek rond
hun snavel.
Louise slaakte een kreet. ‘Hé
kom toch hierheen’, riep ze in haar eigen taal. De voorste gans
hoorde haar roep, keek omlaag, zag Louise en dook toen naar beneden.
De groep volgde hem en ze landden in de wei, in een kring rond de
verbaasde Louise.
De wilde ganzen bleven, want
ze hadden al snel door dat ze hier gemakkelijk aan eten konden komen.
De eerste dagen vluchtten ze weg als de boer kwam, om na zijn
vertrek terug te keren en samen met Louise van de lekkere hapjes te
genieten die hij had achtergelaten. Maar na een week bleven ze
gewoon zitten.
‘Moeten we die wilde ganzen
niet wegjagen?’ vroeg de boer aan zijn vrouw.
‘Ach man, laat ze toch’,
antwoordde de boerin, ‘die beesten hebben het al moeilijk genoeg.
Ze vinden niets meer te eten en als ze verder naar het zuiden
trekken, naar Frankrijk, dan worden ze vast door jagers
doodgeschoten. Trouwens, je weet toch dat de wilde ganzen in ons
land bij wet beschermd zijn? We mogen ze niet eens wegjagen.’
De boer zei nu niets meer en
de boerin ging een volle kruiwagen met oude wortels halen. Ze gooide
ze in de ganzenwei.
Louise was in haar nopjes met
haar nieuwe vrienden. Ze verveelde zich niet meer. Al snel leerde
ze de taal van haar wilde soortgenoten te begrijpen en luisterde ze
naar verhalen over verre landen. Elke winter kwamen de wilde ganzen
vanuit het hoge noorden naar de warmere landen in het zuiden
gevlogen, op zoek naar voedsel. Met tienduizenden waren ze. Meestal
reisden ze niet zo ver als dit jaar en bleven ze in grotere groepen
samen, maar nu was het wel erg koud en ze waren veel verder naar het
zuiden afgezakt dan ze gewoon waren. Daardoor waren ze nu hier, bij
Louise in de ganzenwei.
Eén maal waren ze nog verder
gegaan, maar dat was wel al vijftien jaar geleden. Ze waren
helemaal naar Frankrijk gevlogen. Maar ze waren nog maar net
toegekomen, toen een grote groep jagers met honden en geweren op hen
hadden geschoten. Veel van hun vrienden werden gedood. Nooit meer
gingen ze naar Frankrijk terug.
Straks, als de strenge winter
weer voorbij is, keren ze terug naar hun geboorteland in Siberië,
waar de hele zomer lang de zon niet ondergaat en waar geen bomen
groeien, alleen maar lage struikjes. Daar zijn veel moerassen en
grote meren waarop ze kunnen zwemmen. Daar kunnen ze veilige nesten
bouwen.
Louise raakte bevriend met een
ganzenmannetje uit de groep. Hij was het die vooraan had gevlogen,
de dag dat ze waren aangekomen. Het liefst wilde ze voor de rest van
haar leven bij hem blijven. Ze knuffelden elkaar vaak.
Maar de winter liep ten einde,
de lucht werd warmer. De wilde ganzen werden met de dag onrustiger.
Ze deden veel vaker vliegoefeningen en snaterden onder elkaar over de
lange terugreis die ze weldra zouden aanvatten. Louise zuchtte
alleen maar en voelde zich steeds verdrietiger worden. Zij kon niet
vliegen en ze kon dus ook niet mee met haar vrienden. Over enkele
dagen zou ze weer alleen zijn.
Toen was het zover. De zon
scheen feller dan de ochtend voordien en er kwamen ook dikke
regenwolken aandrijven. De regen viel, de wei werd modderig en de
laatste restjes ijs op de vijver ontdooiden. De wilde ganzen
besloten dat het nu hoog tijd werd om naar huis terug te keren, want
als ze nog langer zouden wachten zou hun groep vast en zeker als
laatste terug thuis komen en dan zouden alle goeie nestplaatsen
ingepalmd zijn door andere ganzen.
Ze flapten met hun sterke
vleugels, stegen op en vlogen in een grote boog rond de wei van
Louise. Alleen haar vriend twijfelde. Hij bleef nog een hele tijd
dralen in de ganzenwei en Louise smeekte hem om te blijven.
‘Kom je nog?’ riepen de
andere ganzen vanuit de lucht. Toen vloog ook hij weg, maar pas
nadat hij had beloofd dat hij de volgende winter terug zou komen.
Enkele dagen later zocht
Louise een geschikt plekje aan de rand van haar vijvertje. Ze maakte
er met takjes en pluimpjes een mooi nest. Ze legde een groot wit ei
en ging er op broeden.
De lente kwam nu snel. Het
gras groeide en in de vijver stond veel water. Louise dacht nog vaak
aan de wilde ganzen maar haar eetlust verminderde er niet om. Ze nam
‘s ochtends haar bad, graasde haar buikje vol en ging snel terug
naar haar ei. ‘s Nachts keek ze naar de sterren of luisterde ze
naar de geluiden rond de boerderij, want ganzen slapen maar zelden.
Na vier weken brak de schaal van het ei open en een donzig geel
ganzenkuiken kwam eruit te voorschijn. Zijn piepkleine vleugeltjes
waren donkerbruin.
Het kuikentje groeide snel en
aan het eind van de zomer was hij veranderd in een sterke jonge gans.
Hij was wit zoals zijn moeder, maar zijn vleugels waren lang en
sterk en hadden de bruingrijze kleur van de wilde ganzen. Iedereen
noemde hem Grauwvleugel.
Gansje Grauwvleugel vond het
leuk in de ganzenwei. Samen met zijn moeder waste hij zich in de
vijver, klapperde met zijn vleugels en zwom enkele rondjes. Daarna
gingen ze allebei grazen. Maar het leukst van al vond hij de
avonden, als hij samen met zijn moeder naar de sterren keek of naar
de opkomende maan. Louise vertelde hem dan verhalen over de vorige
winter, over zijn vader die een wilde gans was en van helemaal
voorbij de poolcirkel naar hier was komen vliegen met zijn vrienden.
Ze vertelde ook dat de wilde ganzen de volgende winter terug zouden
komen. Gansje Grauwvleugel wilde het verhaal telkens opnieuw horen.
Hij begon te verlangen naar de winter, net zoals zijn moeder.
‘Zou ik ook kunnen vliegen,
zoals de wilde ganzen?’ vroeg Gansje Grauwvleugel op een dag. ‘Ik
denk het niet’, antwoordde Louise. ‘Wij zijn tamme ganzen en wij
zijn niet gemaakt om te vliegen. Ik kan het in elk geval niet’,
voegde ze eraan toe en ze klapperde met haar gekortwiekte vleugels
zonder dat ze van de grond kwam. ‘Maar we kunnen wel zwemmen’,
zei Louise, ‘en ik heb toevallig wel zin in een lekkere duik’.
Ze waggelde naar de vijver en Gansje Grauwvleugel waggelde achter
haar aan.
De winter kwam en het regende
veel. De ganzen vonden dat niet erg, hun verenpak was dik en de
druppels gleden er zo weer af. Echt nat werden ze dus niet. Maar de
wilde ganzen kwamen niet. Daarvoor was het niet koud genoeg.
Pas toen de winter al een heel
eind gevorderd was, begon het te vriezen. Op een dag regende het
heel hard en de druppels veranderden in ijs van zodra ze de grond
raakten. De ganzenwei, die tot dan toe nat en modderig was geweest,
werd glad als een ijsbaan. Louise mopperde, want ze gleed telkens
uit en dan viel ze op haar bek. Gansje Grauwvleugel vond het echter
leuk om te glijden en al glijdend ging hij op weg naar de vijver.
‘Zouden de wilde ganzen nu komen?’ vroeg hij zich af. Hij wilde
zo graag zijn papa leren kennen.
Er lag een dun laagje ijs op
de vijver en toen hij zich daarop waagde, zakte hij er door. Hij
plonsde in het ijskoude water. Hij klapperde heftig met zijn
vleugels en spartelde in het rond. De ijskorst brokkelde steeds
verder af . Gansje Grauwvleugel vond dat maar best want hij had zin
om te zwemmen. Toen regende het plots zo hard dat hij bijna het
verschil tussen de lucht en het water niet meer kon zien. Zoveel
water kwam er tegelijk uit de hemel gevallen.
‘Jammer dat ik niet vliegen
kan’, dacht Gansje Grauwvleugel, ‘want als de wilde ganzen komen,
dan gaan ze na de winter weer weg en ik zou zo graag met hen mee
gaan.’ En om zichzelf te bewijzen dat hij niet kon vliegen
klapperde hij met zijn vleugels, net zoals hij zijn moeder had zien
doen. Ondertussen viel de regen met bakken tegelijk uit de lucht.
Gansje Grauwvleugel bleef maar klapwieken. Hij vond het heerlijk en
na een tijdje had hij het gevoel alsof hij met zijn vleugels aan het
zwemmen was in de natte lucht.
Plots hoorde hij een vreemde
kreet achter zich. Hij keek om. Een grote grijze gans met witte
strepen op zijn buik en een witte vlek rond zijn snavel kwam
aangevlogen. ‘Zo jongen’, zei de wilde gans, ‘leer jij ook al
vliegen?’.
‘Hoezo, vliegen?’, vroeg
Gansje Grauwvleugel verbaasd. ‘Ik zit gewoon op de vijver en ik
klapper heel hard met mijn vleugels, zodat het lijkt alsof ik met
mijn vleugels zwem in de regen’.
De wilde gans begon hartelijk
te lachen en zei: ‘Kijk maar eens naar beneden!’ Een heel eind
onder zich zag Gansje Grauwvleugel nu tot zijn eigen verbazing de
vijver liggen en de ganzenwei.
‘Ik vlieg!’, riep hij.
‘Ik vlieg!’
Onder hem stond zijn moeder
omhoog te kijken. Ze riep:
‘Gansje Grauwvleugel, dat is
je vader die thuiskomt’.
*****
Boeken
en activiteiten: zie www.henkcoudenys.be
Teksten
en copyright: Henk Coudenys; Gelieve niets van deze uitgave te
vermenigvuldigen of te publiceren, op eender welke wijze, zonder
toestemming van de auteur.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten