zondag 22 februari 2026

Borderline, onveilige hechting en healing

 

Karm Psych 3IV Moeilijk in de Omgang –

Hoe functioneren mensen met borderline en hoe kan borderline geheeld worden?


Doordat mensen met een borderlinepersoonlijkheid opgegroeid en opgevoed zijn met hoofdzakelijk onbetrouwbare mensen om zich heen, vertrekken ze bij elke menselijke interactie vanuit preventief wantrouwen. Elke relatie die ze aangaan gaat gebukt onder hun onvermogen om te vertrouwen en hun angst dat als ze toch iemand zouden vertrouwen, dat vertrouwen vrijwel zeker geschonden zou worden. Hoe intiemer de relatie, hoe meer hun traumatische jeugd getriggerd wordt en hoe minder ze in staat zijn om vertrouwen en emotionele veiligheid te ontvangen.

Doordat de negatieve gebeurtenissen overheersten tijdens hun opgroeien, zijn ze onbewust gefocust op het negatieve om hen heen. Gebeurt er iets positiefs, dan gaan ze automatisch op zoek naar een onderliggend negatief element. Bewust zijn ze daarentegen obsessief op zoek naar relaties en situaties die perfect veilig en betrouwbaar zijn. Ze zijn als het ware permanent op speurtocht naar de heilige graal. Maar als ze een relatie aangaan met een betrouwbaar iemand of ze komen terecht in een situatie waarin respect en emotionele veiligheid te vinden zijn, wordt elk detail dat afwijkt van het perfectiebeeld dat ze hierbij voor ogen hebben, uitvergroot. Onbewust zijn ze immers voortdurend op zoek naar feiten die hun op wantrouwen gebaseerd wereldbeeld bevestigen.

Voortdurend op hun hoede zijn is hun eerste natuur. Om deze attitude te laten vallen, voelen ze zich veel te kwetsbaar. Doordat emotionele onveiligheid en menselijke onbetrouwbaarheid het enige was dat ze kenden tijdens hun jeugd, is dit voor hen ‘normaal’ en hebben ze een manier van functioneren opgebouwd die hieraan aangepast is. Ze zijn daarentegen absoluut niet aangepast aan omgaan met betrouwbaarheid en veiligheid. Open staan voor wat positief en betrouwbaar is, is voor hen bijgevolg zeer moeilijk.

Wat betreft het omgaan met emoties hebben ze maar twee uitersten tot hun beschikking: ofwel onderdrukken en verbergen ze hun emoties ofwel freaken ze uit1. Elke menselijke interactie, elke ontmoeting of gebeurtenis die intense emoties opwekt, kan leiden tot het beleven van een emotionele crisis. In een intieme relatie volgt op die manier de ene crisis na de andere op, waardoor niet alleen zijzelf maar ook hun relatie op den duur permanent in crisis is. Deze crises draaien allemaal rond dezelfde twee thema’s: hun behoefte aan bevestiging en hun eis van de tegenpartij om diens betrouwbaarheid tot in het absurde toe te bevestigen. Pas bij voldoende bevestiging en vertrouwen kan iemand emotionele veiligheid ervaren, maar aangezien dit bij iemand met borderline terechtkomt in een bodemloze put, ervaren zij deze nooit.

Zolang ze de ene emotionele crisis na de andere beleven, hebben ze geen enkele ruimte om zich nog met iets of iemand anders bezig te houden. In een intieme relatie leidt dit de facto tot extreem egoïstisch gedrag. Alles draait rond hen en hun emotionele crises, de ander komt niet meer aan bod.


Mensen met borderline die dit patroon van zichzelf door hebben en onder ogen zien hoe het is ontstaan, kunnen echter wel uit deze vicieuze cirkel loskomen. In de bodemloze put moet daartoe als het ware een bodem gelegd worden.

Bij mensen die als kind betrouwbare ouders hebben gehad en emotionele veiligheid hebben ervaren, is die bodem automatisch ontstaan. Elke blijk van menselijk vertrouwen en elke ervaring van veiligheid komt bij hen als het ware in een bewustzijnsreservoir met een bodem te recht, wat erop neer komt dat ze positieve ervaringen niet alleen kunnen ontvangen maar dat deze ook nog hun algemeen besef van veiligheid en hun vertrouwen in de samenleving versterken.

Het doorbreken van een borderlinepatroon kan enkel door de borderliners zelf gedaan worden. De mensen om hen heen kunnen hier hooguit een rol in spelen door zich consequent betrouwbaar te gedragen, of dat nu door de borderliners (h)erkend wordt of niet.

De eerste stap in het genezingsproces van het borderlinetrauma is het vermogen ontwikkelen om mentaal afstand te nemen van zichzelf en als een buitenstaander naar de eigen op wantrouwen gebaseerde emotionele reflexen en gedragspatronen leren kijken. Ook al is het maar af en toe dat dit lukt, het is zeer waardevol. Hoe vaker deze bewustzijnstoestand kan opgeroepen worden, hoe breder het fundament wordt waarop men verder kan bouwen.

Maar om de volgende stappen te kunnen zetten, moet men wel met op zijn minst één of enkele mensen in contact staan die betrouwbaar zijn en moet men voldoende afstand kunnen nemen van de veroorzakers van het borderlinepatroon. Dat laatste komt er in de meeste gevallen op neer dat men het manipulatief gedrag van de ouders of opvoeders die men gehad heeft, moet doorzien en dat men zich voor hen moet afschermen. Niet alle wantrouwen van iemand met borderline is immers onterecht! Integendeel hebben ze heel goede redenen gehad om een systematisch wantrouwen te ontwikkelen. Zich emotioneel afschermen voor de veroorzakers van hun trauma’s is bijgevolg een minimum vereiste om verder te kunnen genezen, hen op zijn minst tijdelijk uit hun leven bannen, is nog wenselijker.

Om te kunnen herkennen of iemand betrouwbaar is of niet, is het nuttig om daar enkele mentale criteria voor te hebben. Het intuïtief herkennen van betrouwbaarheid is voor een borderliner immers zo goed als onmogelijk. Wat als kind vertrouwd was, wordt gevoelsmatig immers opnieuw vertrouwd omdat het vertrouwd aanvoelt, terwijl het vertrouwde net niet te vertrouwen was! Mentaal houvast kan men vinden in de volgende criteria:

  • Betrouwbare mensen doen geen loze beloftes en houden zich aan hun woord.

  • Als iemands woorden en daden niet met elkaar in overeenstemming zijn, is er veel kans dat je te maken hebt met iemand die je niet mag vertrouwen.

  • Fouten kunnen toegeven, is een teken van integriteit en betrouwbaarheid. Fouten van zich afschuiven en op een ander steken is een teken van onbetrouwbaarheid.

  • Als je aan integere mensen duidelijk aangeeft waar je grenzen zijn, dan respecteren ze jouw grenzen. Onbetrouwbare mensen zijn ook dan nog in staat jou te forceren om over je grenzen te gaan of te laten gaan.

  • Verantwoordelijkheid nemen duidt op betrouwbaarheid, macht uitoefenen niet.

  • Mensen die zichzelf kunnen relativeren zijn over het algemeen betrouwbaarder dan mensen die zichzelf altijd en overal ernstig nemen.

  • Betrouwbare mensen hebben vaak humor waarmee ze aan zelfrelativering doen. Humor die gebruikt wordt om verantwoordelijkheid uit de weg te gaan of weg te vluchten van confronterende onderwerpen duidt vaak op onbetrouwbaarheid.


Als je een borderlinepersoonlijkheid hebt en je selecteert op deze basis de mensen met wie je omgaat en wie je vermijdt, doe je automatisch positieve ervaringen op. Maar dat betekent nog niet dat je inherent wantrouwen even automatisch verdwijnt. Elke aarzeling, vergeetachtigheid, verstrooidheid of occasionele fout van deze mensen, zal opnieuw je a priori wantrouwen aanwakkeren.

Een volgende stap is, om de heldere, afstandelijke, mentale kijk op jezelf en op je relaties met je hart te verbinden. In het hartchakra ontmoet je het bewustzijn van je Wezen.

Bij iemand met borderline is de kans zeer groot dat de ingesteldheid van het Wezen het totaal tegenovergestelde is van die van de ik-persoonlijkheid. Wezenlijk is er bij hen bijna altijd sprake van een uitgesproken naïviteit, van schaduwblindheid ook. Voor elk extreem patroon huist er immers een even extreme tegenpool in de totale persoonlijkheid. In dit geval: a priori wantrouwen op ik-niveau tegenover blind vertrouwen op Wezensniveau. Karmisch gezien is de positieve intentie en de bijbehorende levensles achter het aantrekken van onbetrouwbare situaties in de kindertijd, het doorbreken van de naïviteit van het Wezen.

In functie van het individuatieproces is het erg belangrijk om de blinde vlekken van het Wezen die te maken hebben met een te eenzijdige kijk op de menselijke persoonlijkheid, weg te werken. Veel Wezens baseren hun vertrouwen in hun medemensen op de intense ervaringen van verbondenheid en verwevenheid die in onstoffelijke werelden vanzelfsprekend zijn, maar niet op aarde. Door conclusies te trekken over de aard van de menselijke persoonlijkheid uit ervaringen die zich niet op aarde hebben afgespeeld, gaan veel Wezens voorbij aan het gebrek aan verbondenheidservaringen, aan de emotionele onveiligheid en aan de bijbehorende onbetrouwbaarheid die hier op aarde mogelijk zijn. Deze hebben een zeer grote invloed op de ik-persoonlijkheid en kunnen leiden tot een manier van functioneren die we ‘on-Wezenlijk’ kunnen noemen. Psychopathie, narcisme en borderline zijn hier drie extreme voorbeelden van. Maar de Schaduw die ontstaat als gevolg van eenzaamheid en traumatisering kan ook minder uitgesproken zijn van aard. Het kan onder meer gaan om verlatingsangst, bindingsangst, gebrek aan levensvreugde en levensmotivatie of sterke minderwaardigheidsgevoelens.

Door het mentale besef dat er zowel de betrouwbare als de onbetrouwbare ervaringen bestaan vanuit het hoofd met het hart te verbinden, kan de Wezenlijke schaduwblindheid doorbroken worden. Het mentale weten wordt op dan een gevoelsmatig weten. Wat de ik-persoonlijkheid mentaal heeft geleerd, wordt als intuïtieve kennis in het Wezen geïntegreerd. Dat is de manier waarom het Wezen bijleert. In dit geval kan het tot het besef komen dat er op aarde andere wetmatigheden gelden dan in de onstoffelijke werelden, waar het reilen en zeilen veel sterker beïnvloed wordt door het besef van verbondenheid en verwevenheid. Maar daarmee is het borderlinepatroon nog niet volledig doorbroken. Er is wel al een tegengewicht voor ontstaan.


Het innerlijk kind van mensen met een borderlinepersoonlijkheid is vaak gefragmenteerd, waarbij elke kinddeelpersoonlijkheid vast is blijven zitten in bepaalde fasen of aspecten van de kindertijd. Elk trauma kan voor een verdere fragmentatie zorgen. Met behulp van therapeutische verwerkingstechnieken, kunnen deze kinddeelpersoonlijkheden weer samengevoegd en geheeld worden.

Er is echter altijd één innerlijk kind dat zich gedurende het ganse verloop van de kindertijd op een eenzijdige manier heeft verder ontwikkeld. Het is gegroeid in antwoord op alle negatieve ervaringen en vooral alle ervaringen met onbetrouwbaarheid. Deze kinddeelpersoonlijkheid noem ik het innerlijk borderlinekind. Het is deze innerlijke schaduw die steevast elke sociale interactie met argwaan benadert. Het borderlinekind geeft zich niet zo maar gewonnen. Het blijft vasthouden aan het eigen gelijk, vanuit een aangeleerde noodzaak tot zelfbescherming. Dat eigen gelijk zegt: ‘Als er ook maar enige twijfel mogelijk is, dan is het beter om niemand te wantrouwen dan om per vergissing iemand wel te vertrouwen.’ En twijfelen is altijd mogelijk.

Nu komen we aan bij de laatste stap, namelijk het leggen van een bodem in de bodemloze put. Telkens het ingebakken wantrouwen de kop opsteekt, telkens het innerlijk borderlinekind zich laat gelden en de neiging vertoont om het ik-bewustzijn over te nemen, zijn er twee mogelijkheden: ofwel voedt je dit wantrouwen door eraan toe te geven, ofwel kies je ervoor om de tegenpool te versterken. Dat laatste doe je door alle ervaringen met betrouwbare mensen en emotioneel veilige situaties telkens weer in je bewustzijn te verzamelen.

Lijstjes maken van alle betrouwbare mensen die je ooit ontmoet hebt, verslagen uitschrijven van situaties waarin je rechtvaardig werden behandeld en menselijke interacties waarbij je emotionele veiligheid hebben ervaren, zijn hierbij belangrijke hulpmiddelen. Telkens het ongenuanceerde idee opkomt dat de hele wereld slecht is en niemand echt betrouwbaar is, telkens de twijfels de kop opsteken aan de oprechtheid van een partner of een vriend die zijn betrouwbaarheid al meerdere malen in woord en daad heeft laten blijken, moet die lijst overlopen worden. Zodoende voedt je een genuanceerd wereldbeeld waarin plaats is voor betrouwbaarheid en emotionele veiligheid naast het besef dat onbetrouwbaarheid wel degelijk bestaat.

Op die manier een basis leggen waarop positieve ervaringen ontvangen kunnen worden en voor genezing kunnen zorgen, kost tijd en bewuste, mentale inspanning. Die basis vormt de spreekwoordelijke bodem in de put. Maar eens de resultaten hiervan voelbaar worden, is een voormalige borderliner een ander mens geworden.

Tenslotte kan in een gevisualiseerde dialoog met het innerlijk borderlinekind het volgende neergezet worden: ‘Jij mag nu gaan slapen maar ik reken erop dat je wakker wordt indien ik met een onbetrouwbaar mens in contact kom die op het punt staat een onbetrouwbare daad te plegen of indien ik me in een onveilige situatie begeef.’ Bij interacties met betrouwbare mensen in veilige situaties, geef je als boodschap aan het borderlinekind dat het zich afzijdig moet houden. Het wordt zodoende geïntegreerd in de ik-persoonlijkheid als het vermogen om terecht wantrouwig te zijn tegenover onbetrouwbare mensen en onveilige situaties, als een alarmfunctie die enkel in actie komt als het nodig is.

Het is belangrijk dat het Wezen zich ook verbindt met het borderlinekind.. Het Wezen van een mens is immers niet alleen de oudste persoonlijkheidskern, het bevindt zich tevens in een voortdurend groei- en transformatieproces. Voortdurend groeien en evolueren is nu net het meest essentiële kenmerk van een kind en dus ook van ons innerlijk kind. Het borderlinekind vertegenwoordigt hierbij een leerproces dat voor het Wezen niet vanzelfsprekend is maar wel erg noodzakelijk om op aarde veilig te kunnen functioneren.



Borderline en primaire hechting


Een andere manier om het borderlinepatroon te benaderen, is vanuit de primaire hechting. Deze is in dit geval uitgesproken onveilig geweest en vooral tijdens de eerste ontwikkelingsfasen (van baby tot kleuter) heeft men heel wat verkeerde signalen gekregen van de moeder en/of van secundaire hechtingsfiguren. Iemand met borderline zoekt daar voortdurend compensatie voor, zowel bewust als onbewust, maar blijft hierbij steken in de oningevulde behoeftes van zijn eerste levensfases.

In het geval van een gezonde primaire hechting evolueert de behoefte aan veiligheid en bevestiging mee met de ontwikkelingsfasen van het kind. Tijdens de eerste levensfasen – baby en peuterfase – heeft een kind nood aan voortdurende aandacht en waakzaamheid van de moeder of van degene die haar tijdelijk vervangt. Deze veiligheid en bevestiging kent maar weinig grenzen. In natuurlijke samenlevingen vertaalt zich dit in opgepakt worden en de borst krijgen, zo vaak als het kind daarom vraagt. Bij de overgang van de peuter- naar de kleuterfase (omstreeks het vierde levensjaar) wordt een kind in natuurlijke omstandigheden gespeend. Dit leidt tot een vertrouwenscrisis want voor het eerst in zijn bestaan wordt het kind niet op zijn wenken bediend. Het krijgt voor het eerst grenzen en leert hierdoor dat deze grenzen niet betekenen dat het aan zijn lot wordt overgelaten. Het krijgt nog steeds emotionele bevestiging en bescherming, maar nu in combinatie met een eerste vorm van zelfstandigheid. Het wordt letterlijke en figuurlijk niet voortdurend meer gedragen, maar moet nu in de mate van het mogelijke op eigen benen staan. Dit brengt een nieuwe vrijheid met zich mee en een gezonde stimulans om een begin van zelfstandigheid te ontwikkelen, weliswaar binnen de onmiddellijke nabijheid van de veiligheidbrengende moeder bij wie het kind nog altijd terechtkomt.

Tijdens de volgende ontwikkelingsfasen vergroot die zelfstandigheid en wordt de beschermende veiligheid die het kind van buitenaf ontvangt, steeds meer vervangen door de innerlijke veiligheid van het zelfvertrouwen. De de tweede cruciale crisis ontstaat in de regel pas tijdens de puberteit, wanneer het kind nu zelf een afstand schept ten opzichte van zijn opvoeders in het kader van een instinctieve zoektocht naar eigenheid. Nu wordt het duidelijk of het kind voldoende lessen heeft gehaald uit zijn opvoeding om op eigen benen te leren staan. Het kan in deze fase dus ook misgaan, maar wie de puberteit overleeft komt in een fase terecht waarin de persoonlijkheid rijper wordt (de adolescentie). Deze wordt gekenmerkt door een verdere groei in zelfvertrouwen en een natuurlijke afstand ten opzichte van de vorige generatie. Deze heeft niet langer het karakter van zich afzetten tegen hen. In tegendeel wordt de innerlijke verbondenheid over de generaties heen gekoesterd zonder dat dit noodzakelijk gepaard gaat met voortdurend in elkaars buurt te blijven, al is dat uiteraard niet uitgesloten.


Mensen met borderline hebben vooral in de eerste fasen van hun bestaan niet de veiligheid en de bevestiging gekregen die ze nodig hadden. Ze werden als het ware gespeend lang voordat ze daaraan toe waren, vaak zelf reeds onmiddellijk na de geboorte. Dat zijn de kinderen die geen borstvoeding kregen, niet opgepakt werden als ze huilden en ongeacht of ze honger hadden of niet, enkel op vastgelegde tijdstippen een vooraf bepaalde hoeveelheid eten kregen, ongeacht hun eigen behoeften. De aanrakingen die ze ondergingen wanneer ze verzorgd werden, waren niet koesterend van aard, maar zakelijk. Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier nog niet eens over fysieke verwaarlozing of mishandeling, maar louter over emotionele verwaarlozing. Dat alleen is al voldoende om een borderlinepatroon in het leven te roepen.

Borderliners zoeken bijgevolg voortdurend naar veiligheidbrengende bevestiging zonder grenzen, zoals ze hadden moeten krijgen als baby en als peuter. Van elke intieme partner en elke persoon met wie ze een vriendschapsband aangaan verwachten ze dan ook dat deze hen voortdurend aandacht geeft en hen voortdurend bevestigt. Door hun angst om opnieuw in de steek gelaten te worden, hebben ze ook voortdurend bevestiging en aandacht nodig, tot in het absurde toe. Dit leidt in elke intense relatie die ze aangaan – vriendschappelijk of intiem – na verloop van tijd tot een crisissituatie die vergelijkbaar wordt met gespeend worden: er worden grenzen gesteld aan wat ze van de ander mogen verlangen. Dit betekent evenwel niet dat ze in de steek gelaten worden, maar doordat ze niet de positieve ervaring hebben gehad om gespeend te worden tijdens de overgang van peuter naar kleuter waarbij ze ondanks de schok toch hun besef van veiligheid hebben hervonden, kunnen ze dit nu ook niet. Het gevolg is dat ofwel de partner inbindt en terug verder gaat met op het onnatuurlijke wantrouwen met onnatuurlijk veel bevestiging te reageren (totdat de crisis zich herhaalt) ofwel dat het als gevolg van de eerste crisis reeds tot een breuk komt.

Sommige intieme relaties en intense vriendschappen blijven desondanks bestaan, maar gaan om de zoveel tijd terug door dezelfde crisis. Uiteindelijk kan dat ertoe leiden dat iemand met borderline vooralsnog tot het innerlijk besef komt dat gespeend worden (bij wijze van spreken) niet hetzelfde is als afgestoten worden en dat de emotionele veiligheid desondanks blijft bestaan. In de regel gebeurt dit echter pas indien er tezelfdertijd therapeutische ondersteuning is die focust op de gevolgen van de onveilige hechting tijdens de kindertijd.


Mensen met borderline ervaren op eigen benen staan vrijwel altijd als een eenzame bezigheid. Dit is het logische gevolg van te snel op eigen benen gezet te worden, op een leeftijd waarop ze daar nog niet aan toe waren. Ze hebben bij al hun initiatieven behoefte aan iemand die naast hen staat, iemand met wie ze alles voortdurend kunnen bespreken en die hen voortdurend bevestigt. Sommigen hebben iemand nodig die alles voor hen doet, omdat hun onzekerheid en eenzaamheid dermate sterk zijn dat dit verlammend werkt. Deze mensen zijn niet lui of lethargisch van aard, maar getraumatiseerd. Ze ondergaan de gevolgen van een onveilige primaire hechting tijdens de latere fasen van hun jeugd.

Ook hun puberteitscrisis kwam voor velen onder hen veel te vroeg. Of hij kwam niet, uit angst om nog verder verwijderd te geraken van hun ouders of opvoeders. Mensen met borderline zijn dan ook nooit echt volwassen geworden, zijn kinderlijk op emotioneel vlak en onderhevig aan primaire behoeften die hun levenskeuzes op allerlei manieren negatief beïnvloeden. Het kan onder meer gaan om alle mogelijke vormen van verslaving, om verzameldrang of om een onvermogen om alleen te zijn waardoor ze zich verliezen in sociale situaties waaruit ze geen voeding halen en nooit toekomen aan datgene waar hen wel voldoening geeft. Ze blokkeren immers op de onzekerheid en de eenzaamheid die gepaard gaat met hun verlangen naar de kans om die Wezenlijke behoeften te ontwikkelen.

Therapie die het borderlinetrauma helpt genezen, gaat bijgevolg automatisch gepaard met eindelijk volwassen worden.

1 In dat opzicht hebben ze een vergelijkbaar gedrag als autistische mensen, vandaar dat er veel verwarring is tussen autisme en de gevolgen van traumatisering tijdens de jeugd.

zondag 1 februari 2026

Preventieve psychotherapie

 Preventieve psychotherapie


Naar analogie met het begrip ‘preventieve geneeskunde’ zou ik het begrip ‘preventieve psychotherapie’ willen introduceren. Preventieve geneeskunde omvat alle gezonde levensgewoontes die bijdragen tot het vermijden van medische problemen. In de praktijk wordt hierbij vooral aandacht besteed aan lichaamsbeweging en aan eet- en slaapgewoontes. Ook het vermijden van een ziekmakende leefomgeving is hier een onderdeel van. Wie bv dagelijks ongezonde lucht inademt en geen toegang heeft tot zuiver drinkwater, mag verder zo gezond proberen te leven als hij wil maar zal toch niet aan ziekte kunnen ontsnappen.

Preventieve psychotherapie houdt in dat men er gewoontes op na houdt die leiden tot emotionele gezondheid en psychisch evenwicht. Het is echter even belangrijk om te vermijden dat men in situaties terecht komt die in emotioneel opzicht ongezond zijn. Nog een parallel tussen beide begrippen is dat het beginpunt van ons leven van groot belang is voor zowel het kunnen opbouwen van een gezond lichaam als een gezonde geest. Het gaat zelfs verder dan dat: vanaf het prille begin van elk mensenleven is er een zodanig grote psychosomatische verwevenheid tussen lichamelijk en emotioneel welzijn dat beide principes feitelijk samensmelten tot één. Preventieve geneeskunde is tezelfdertijd preventieve psychotherapie. Dit geldt voor de ganse periode van lichamelijke ontwikkeling, vanaf de periode in de baarmoeder tot en met de adolescentie. Wat daarna komt, tijdens het volwassen leven, is grotendeels afhankelijk van de keuzes die men maakt met betrekking tot hoe men in het leven staat en met het eigen lichaam omgaat. Hoe gezonder men lichamelijk en psychisch is kunnen opgroeien, hoe gezonder de keuzes in de regel zijn die men maakt als volwassene. Hoe steviger de basis die tijden het opgroeien gelegd wordt, hoe flexibeler men als volwassene kan omgaan met tegenslagen, moeilijkheden en hindernissen en hoe veerkrachtiger men is indien men met regelrechte trauma’s wordt geconfronteerd.


Een gezonde ontwikkeling tijdens de periode die voorafgaat aan de geboorte, is afhankelijk van de omstandigheden waarin de zwangerschap tot stand is gekomen en van deze waarin de moeder in spe haar leven moet beredderen. Hoe veiliger haar leven is, zowel in fysiek als in emotioneel opzicht, hoe beter dit is voor de ontwikkeling van haar ongeboren kind en diens latere emotionele en lichamelijke gezondheid. Hoe ongedwongener ze haar zwangerschap kan beleven en kan toeleven naar debevalling, hoe beter voor haar kind. Hoe vrijer haar keuze om zwanger te worden en hoe tevredener ze hiermee is, hoe groter haar emotionele bijdrage tot de latere gezondheid van haar kind.

Een volgende erg cruciaal punt is de bevalling. Indien dit op een kindvriendelijke manier kan gebeuren, in een sfeer van respect voor moeder en kind, levert dit een grote bijdrage aan de preventieve gezondheidszorg van het kind. Hoe minder medische complicaties hierbij voorkomen, hoe beter uiteraard, maar dat hebben we in de regel minder in de hand dat de ingesteldheid waarmee de bevalling begeleid en ondersteund wordt. In die zin zijn vroedvrouwen en begeleidende gynaecologen ofwel preventieve psychotherapeuten, ofwel potentiële veroorzakers van trauma’s die slecht zijn voor de latere geestelijke en lichamelijke gezondheid van de pasgeborene.

Hetzelfde geldt voor ieder die zijn bijdrage levert aan de opvoeding van een kind. Ouders, bijkomende of alternatieve opvoeders, begeleiders in crèches, kleuterleiders, onderwijzers en leraars zijn allemaal mogelijke preventieve psychotherapeuten. Maar ze kunnen zich evengoed ontpoppen tot veroorzakers van trauma’s waarop later effectieve psychotherapie zal moeten toegepast worden.

Hoe gezonder de leefomgeving van het kind, zowel in fysiek opzicht als op het vlak van emotionele veiligheid alsook qua ontwikkelingskansen, hoe groter de bijdrage aan zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid hiervan is. Als ouders - en als ouders in spe - hebben we dan ook een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de omstandigheden waarin we een kind plannen, laten geboren worden en laten opgroeien. Hoe meer keuzevrijheid wat dat betreft, hoe meer kansen er zijn om door gerichte keuzes een gunstige invloed uit te oefenen op deze omstandigheden.

Uiteraard moeten we naast vrijheid en verantwoordelijkheidsgevoel ook over de juiste inzichten beschikken waarop we onze keuzes kunnen baseren. Ik hoop dan ook van harte dat mijn boeken hiertoe een waardevolle bijdrage kan leveren.

********************************************************************************

Deze tekst is de inleiding van een van mijn volgende boeken:

Karmische Psychologie 3, Boek I: Opgroeien en Opvoeden. 

maandag 19 januari 2026

De Duizendpoot

De Duizendpoot

(Met een knipoog naar een onvoltooid project van wijlen Gregi De Maeyer en Koen Van Mechelen.)

Een duizendpoot, klein en rood, had gaven bij de vleet. Met zijn eerste paar poten bespeelde hij de dwarsfluit, met zijn tweede paar beroerde hij de trom. Een viool en een strijkstok in zijn derde potenpaar zorgde voor wonderlijk harmonieuze klanken en met zijn vierde paar zwaaide hij de maat. Als hij het musiceren moe was, ging hij schilderen met kwasten en olieverf. Daarvoor gebruikte hij zijn vijfde en zijn zesde paar poten. Met vier poten tegelijk schilderend, maakte hij portretten van de kevers en de slakken.

Zijn zevende en zijn achtste potenpaar gebruikte hij enkel om te rolschaatsen. Maar hoe! Hij schaatste in sierlijke bochten, maakte pirouettes en danste met een duizelingwekkende snelheid in het rond, rollend op vier rolschaatsen tegelijk.

Potenpaar negen gebruikte hij om gedichten te schrijven en nummer tien voor het schrijven van toneelstukken die niemand ooit uitvoerde. De andere kleine dieren om hem heen waren immers te druk in de weer met eten zoeken en overleven, ze konden geen tijd vrij maken om te acteren.

Zijn elfde en twaalfde paar poten gebruikte hij om op te dansen. Hij beheerste zowel de flamenco als de Keltische dansen. Maar het meest hield hij van tapdansen. Daarbij gebruikte hij vier poten tegelijk die aan een ongelofelijke snelheid op de grond roffelden terwijl de rest van zijn lijf heen en weer zwaaide. Uiteraard speelde hij zelf de muziek waarop hij danste.

Hij had nog acht poten over, waarop hij voorlopig alleen nog maar liep, maar daar zou gauw verandering in komen, want hij was van plan om te leren breien, sierhaken en beeldhouwen en daar zou hij nog drie paar poten voor kunnen gebruiken. Zijn twee laatste poten hield hij in reserve. Je kon immers nooit weten welke inspiratie de toekomst bracht.

Met zijn ogen kon hij lezen: minstens tien mensentalen had hij onder de knie. En ten slotte had hij ook nog zijn stem. Met zijn stem kon hij niet alleen zingen, maar ook heel overtuigend praten. Als hij iets aan iemand uitlegde, dan moest die wel naar hem luisteren en wie lang genoeg naar hem luisterde, gaf hem altijd gelijk.


Ondanks dat hij barstte van de talenten en de levenslust had de duizendpoot een probleem, één probleem slechts, maar dan wel eentje van grote omvang: hij was te klein.

Als hij stond te musiceren, was het een wervelend spektakel. Hij blies op zijn dwarsfluit, begeleidde zichzelf op de trom en speelde de tweede stem op zijn viool. Maar weinigen hoorden hem. Af en toe bleef er een mier of een kever staan, een enkele keer beroerde hij de harten van een groep lieveheersbeestjes, maar hoogst zelden werd hij gezien of gehoord door een groter dier.

Zijn indrukwekkendste luisteraars tot nu toe waren een veldmuis en een merel geweest en die laatste had op het eind van de voorstelling niet geapplaudisseerd maar naar hem gepikt. De merel had hem slechts gezien als een pikant dessertje. Sindsdien had hij vogels gemeden, hoe muzikaal ze verder ook waren.

Neen, hij wilde een publiek bereiken dat bestond uit mensen. Aan hen wou hij zich laten zien, aan hen wilde hij zich laten horen. Maar de enige mensen die hij van dichtbij had meegemaakt, hadden zonder hem op te merken, hem bijna vertrapt.

Mensen…zij zouden hem wel kunnen waarderen, dacht hij. Mensen hadden immers cultuur, veel meer dan bijen, wespen of vleermuizen. En mensen hadden macht, want mensen bepaalden hoe de wereld eruit zag tegenwoordig, veel meer dan de koeien of de bomen dat deden. Ook zijn leefwereld.

Zijn vorige woonst, een rotte boomstam, was door mensen opgeruimd. Het tuinhuis waarin hij nu woonde, was door mensen gemaakt. Mensen brachten katten mee, katten met vlooien en diezelfde mensen vernietigden de nesten van mieren en muizen. Mensen maakten muziek, net als hij. Ze schreven verslagen en verhalen in kranten en tijdschriften. Ze publiceerden foto’s van schilderijen, beeldhouwwerken en moderne kunst. Dat alles had de
duizendpoot gezien en geregistreerd met zijn scherpzinnige geest.

De mensenmuziek die hij had gehoord, bestond vooral uit luide, dreunende, ritmische klanken die de pieren uit de grond trilden. Het had hem geïnspireerd, maar zijn eigen muziek was mooier. Mooi maar niet luid genoeg. In elk geval was ze te stil voor mensenoren.


Op een dag baande de duizendpoot zich een weg door een vochtige hoop oude tijdschriften. Toen hij helemaal bovenaan de stapel kwam, zag hij dat het bovenste magazine opengeslagen lag en hij begon te lezen.

Boeddhisten geloven in reïncarnatie. Volgens hen keren we na de dood terug in een ander lichaam: dat van een mens of van een dier. Het is daarom dat voor Boeddhisten elk levend wezen heilig is. Sla je een insect dood, dan vermoord je volgens hen één van je medemensen die als lagere levensvorm is weergekeerd omdat hij in zijn vorige leven veel fouten had gemaakt…


De duizendpoot las niet verder. Zou dat het zijn? Was hij vroegere misschien een mens geweest? Hij voelde zich in elk geval geen ‘lagere levensvorm’ en van fouten die hij zou hebben gemaakt, wist hij ook niets af. Hij voelde zich immers veel beter dan de mensen die hij kende, want hij kon drie muziekinstrumenten tegelijk spelen en zij hoogstens twee! Maar zij waren groot en hij was onbeduidend klein.


In een ander tijdschrift las hij iets wat hem hoop gaf. De titel van het artikel was: ‘Verhalen en legenden uit het oude China’.

Van keizer Quigong, die leefde in de eerste eeuw voor onze jaartelling, werd verteld dat hij met dieren kon praten. Hij converseerde niet enkel met wolven, beren, tijgers en jachtvalken, hij zou zelfs de dialoog met spinnen en insecten niet geschuwd hebben. Hieraan dankte hij zijn macht, want via de dieren kwam hij alles te weten wat er in zijn rijk gebeurde. Hij was dan ook op de hoogte van elk ongenoegen dat onder de bevolking leefde en van elke opstand die werd voorbereid. Ook wordt beweerd dat hij deze gave aan de oudste van zijn nazaten doorgaf. Tot op de dag van vandaag leven er nakomelingen van deze illustere
keizer in het Ginkgo-gebergte, waar zijn keizerlijke burcht zou hebben gestaan.


Toen de duizendpoot dit las, ging er een schok door hem heen. Een mens die met hem kon praten, die moest hij vinden! Hem zou hij wel kunnen overtuigen van zijn talent.


De duizendpoot vertrok onmiddellijk op reis, maar met zijn korte pootjes ging hij niet zo snel vooruit, ondanks dat hij er tweeëndertig had. Hij had wel één groot voordeel: door zijn jarenlange verblijf tussen vochtige tijdschriften had hij heel goed leren lezen. Zo kwam het dat hij omhoog kroop langs een paal naast een bushokje om de dienstregeling te lezen. Daardoor had hij al snel door welke bus hij nemen moest om bij de luchthaven te komen.

Hij glipte in de handtas van een oud dametje – ze had haar tasje eventjes op degrond gezet – en zo slaagde hij erin in de bus binnen te glippen. Voor het vliegtuig naar Hongkong gebruikte hij dezelfde truc, maar nu glipte hij in de aktetas van een zakenman. Maar net voor het vliegtuig opsteeg, scheelde het geen haartje of hij werd fijn geknepen in een zakdoek die de man uit zijn tas viste. Het was de enige vochtige plek die de duizendpoot had weten te vinden in het koffertje met de kurkdroge papieren, de fles aftershave, de tandenborstel en het scheerapparaat. Gelukkig kon hij zich net op tijd op de grond laten vallen en snel wegkruipen. Het vliegtuig steeg op en vanuit zijn schuilplaats had de duizendpoot een
voorspoedige reis.


De duizendpoot zocht naar een manier om veilig het vliegtuig uit te komen. Ze stonden immers op het punt om te landen en veel tijd had hij niet meer. Het personeel zette achteraan in het toestel de stofzuiger reeds klaar om direct na het uitstappen van de passagiers met de grote schoonmaak te beginnen. De duizendpoot, die verscholen zat in het bagagerek boven de zitplaatsen, keek met schrik naar de superkrachtige industriële alleszuiger. Zo wilde hij niet aan zijn einde komen. Hij wilde trouwens helemaal nog niet sterven. Hij wilde zijn talenten op de mensenwereld loslaten en nu moest hij eerst een mens zien te vinden die met hem kon praten, ergens in het Ginkgo-gebergte.

Hij verzamelde al zijn moed, kroop uit zijn schuilplaats en spiedde in het rond naar een ontsnappingsmogelijkheid. Op de achterste rij zaten twee mannen met kaalgeschoren hoofden, gekleed in oranje gewaden. ‘Dit zijn vast Boeddhistische monniken,’ dacht de duizendpoot. ‘Ik herken ze van op de foto in het tijdschrift. Zij worden mijn redding!

Hij begon aan een moeizame tocht door het bagagerek: over handtassen en hoeden klauterend, door jassen heen glippend, uitglijdend op de gechromeerde metalen buizen van het rek. Hij ontsnapte op het nippertje aan een hand die naar een paar dameshandschoenen grabbelde en hij verloor kostbare minuten toen hij verstrikt raakte in een zijden sjaal die in een hoekje lag gepropt. Bijna had hij in de vinger gebeten van een man die zijn brillendoos pakte, maar hij had zich nog net op tijd weten te beheersen. Zijn beet was immers behoorlijk pijnlijk en flink giftig. Hij kon maar beter geen aandacht trekken.

Toen hij eindelijk boven de twee monniken zat, liet hij zich naar beneden vallen, zomaar, hopend dat hij goed zou terechtkomen. Een gerichte sprong had immers geen zin, want hij was zodanig licht dat elke luchtverplaatsing hem centimeters opzij blies. Hij plofte op de kale kop van de dikste van de twee. Zijn buurman, die wel een hoofd groter was, keek opzij en begon te lachen.

De reïncarnatie van één van onze zondige broeders zit op je hoofd, broeder Rama,’ zei hij spottend.

Zou het die oude Bannerjee kunnen zijn die vorige zomer is gestorven?’ lachte zijn vriend mee, terwijl hij zijn ogen zo ver mogelijk naar boven draaide in een poging om op zijn eigen hoofd te kijken. ‘Als wat is hij weergekeerd? Als spin?’

De duizendpoot bleef stil zitten op de kale kop, geboeid luisterend naar het grappige
gesprek.

Nee, broeder Rama, als duizendpoot! En dat past wel bij hem. Hij had altijd zodanig veel te doen dat hij geen tijd overhield om te bidden of te mediteren.’

Ze lachten allebei en doordat de dikke begon te schuddebuiken, waarbij zijn hoofd meeschokte, gleed de duizendpoot van zijn uitkijkpost af. Vliegensvlug glipte hij in de zak van het oranje gewaad van broeder Rama.

De twee Indische Monniken stapten uit het vliegtuig in de luchthaven van Hongkong. Ze waren op weg naar hun broeders in een groot Tibetaanse klooster in het Himalaya-gebergte. Uit een oude, vochtige landkaard die hij had bestudeerd voor zijn vertrek, wist de duizendpoot dat het Ginkgo-gebergte aan de voet van de Himalaya lag, dicht bij de grens met Tibet. Hij besloot dan ook om zo lang mogelijk met de twee monniken mee te reizen. Ze gingen niet alleen de goeie richting uit, bij hen wist hij zich veilig. Ze zouden nooit een ander
levend wezen pijn doen of doden. Dat werd hen immers verboden door hun geloof. Ze leken het zelfs uitermate grappig te vinden telkens hij uit één van hun zakken opdook of als ze hem in hun bagage vonden.


In het Boeddhistische klooster in het Tibetaanse Himalaya-gebergte waren het drukke tijden. Uit alle delen van de wereld stroomden er monniken toe. De duizendpoot had zich een plekje veroverd in de keuken, tussen de etensvoorraden. Hij smulde van de yak-kaas die gemaakt werd van de melk van een soort langharige bergkoeien en hij sliep in een grote mand met theeblaadjes.

De eerste dagen was hij gewoon moe geweest van zijn reis en van de ijle berglucht. De lucht was hier wel zuiver – er waren geen stinkende uitlaatgassen en geen rioolgeurtjes - maar er was gewoon te weinig zuurstof, zoals in elk hooggebergte. Twee dagen lang had hij alleen maar geslapen en gegeten. Maar nu vulde hij zijn tijd met luisteren.

Hij was absoluut niet bang van de monniken. Eenmaal hadden ze hem samen met een handvol theeblaadjes in een pot gegooid, maar voordat ze het kokende water op de thee hadden gegoten, had de kok hem er voorzichtig met een theelepeltje uitgevist. Sindsdien zat hij vaak openlijk in de keuken of in de eetzaal, op een voorraadkist of zelfs op de tafel.

De meeste monniken waren Tibetanen, behalve dan de twee Indiërs, Rama en Nikhil, met wie hij samen naar hier was afgezakt en de andere buitenlanders: een tiental Nepalezen, evenveel Buthanezen, enkele Amerikanen en vier Europeanen. Maar de kok was een Chinees die vrolijk met zijn houten lepel zwaaide terwijl hij al zingend soep kookte. Soms spatte de soep in dikke klodders van zijn pollepel op de muur als hij vergat dat hij net in zijn pot had geroerd. Maar dat kon hem niet schelen.


In de eetzaal die tevens dienst deed als vergaderruimte, werd vaak langdurig gediscussieerd. De monniken praatten er over de oorlogen in de wereld en over de noodzaak om wereldvrede te stichten. Ze wilden de wereld rondreizen om alle mensen ervan te overtuigen dat vrede noodzakelijk was, maar ze raakten het niet eens over hoe ze de regeringsleiders ertoe konden aanzetten om te stoppen met oorlog voeren tegen elkaar.

Op een avond stond de anders zo vrolijke kok te mopperen boven zijn soepketel. ‘Die domoren van monniken! Denken ze nu werkelijk dat de ministers en presidenten en partijleiders van deze wereld zomaar zullen doen wat ze vragen? Die mannen luisteren alleen maar naar de klank van geld. En naar macht, maar dat is het zelfde. Wie geld heeft, heeft macht.’

De duizendpoot vond dit machtig interessant. Hij zou dus rijke mensen moeten vinden om hem te helpen. Maar hij had ook te doen met zijn Chinese vriend die verder ging met mopperen.

Als ze er zelf rijker en machtiger van worden, zullen ze vrede willen, maar dat doen ze toch niet, want de meesten denken dat ze rijker worden door oorlog te voeren. En nu denken mijn medebroeders dat ze alle mensen ter wereld tot het Boeddhisme kunnen bekeren omdat alleen onze godsdienst de mensen nooit aanzet om oorlog te voeren. Maar dat zal niet lukken. Want altijd zullen er mensen zijn met een andere religie die willen oorlog voeren met ons. Dat is hier in Tibet gebeurd. China heeft het land gewoon van de kaart geveegd. Tibet is een Chinese provincie geworden en onze geestelijke leiders zijn vermoord of op de vlucht, net zoals onze hoogste leider, de Dalai Lama.’

Toen deed de duizendpoot iets wat hij sinds het begin van zijn reis niet meer had gedaan: hij haalde zijn muziekinstrumenten te voorschijn. Hij speelde een vrolijk deuntje op zijn viool en tezelfdertijd een droevig lied op zijn dwarsfluit. Het klonk heel gek en hij deed het om de kok aan het lachten te maken, want de man had er nog nooit zo zorgelijk uitgezien.


Bwah, hij hoort me niet eens!’ mompelde de duizendpoot boos toen hij zag dat de kok gewoon voor zich uit zat te staren in plaats van vrolijk te lachen met zijn muzikale grap. De Chinees keek op. Zijn ogen zochten de duizendpoot.

O, ik heb je wel gehoord hoor,’ zei hij plots. ‘Je speelt heel mooi. Maar ik moest terugdenken aan mijn kindertijd in de Ginkgo-bergen. Jouw muziek herinnerde me aan het krekelorkest dat ik op zomeravonden in de bergwei achter ons huis zo vaak heb gehoord.’

De duizendpoot keek verwonderd op.

Waarom ben je hier eigenlijk?’ vroeg de kok toen tot zijn verbazing. ‘Ik weet allang dat je een intelligent wezen bent. Je hebt echt wel lang gewacht met praten. Je bent hier met een doel, is het niet?’

Eeh…euh…ja…’stamelde de verbaasde duizendpoot. ‘Ik…euh…ik zou graag…ik wil eigenlijk… Nou ja, niemand let ooit op mij. Ik ben te klein. Niemand ziet mij. Ik kan vanalles en niemand weet het. Niemand hoort me. Behalve jij nu toevallig. Ik wil mijn muziek aan de mensen laten horen en niemand luistert. Hooguit krijg ik eens aandacht van een slak of een regenworm, maar zij snappen er toch niets van. Ze dansen niet eens. En nu ben ik op zoek naar mensen die me willen helpen, want als de mensen eenmaal door hebben wat ik kan, zal ik niet meer genegeerd worden. Jullie hebben het toch voor het zeggen in de wereld?’

En daarvoor kom je naar een Boeddhistisch klooster in de Himalaya?’ lachte de kok. ‘Wij monniken hebben echt niet veel te zeggen hoor in deze wereld. Zeker niet hier. Dit is Tibet, een land in oorlog. De Chinese soldaten vechten hier tegen Tibetaanse monniken die niet terugvechten en die niet eens meer mogen beslissen waar ze heen gaan. We mogen ons niet meer met de leiding van het land bemoeien. We mogen alleen nog maar bidden. We mogen zelfs niet naar het buitenland reizen. Er zijn wel veel mensen die luisteren naar ons, maar niet de rijke zakenlui, niet de ministers of de presidenten. Die houden met ons niet meer rekening dan met een duizendpoot.’

Maar…maar…’ stotterde de duizendpoot,’ ik wil alleen maar dat de mensen mijn schilderijen zien en dat ze genieten van mijn muziek, dat ze lachen als ik op mijn rolschaatsen dans, dat…’

Hij werd onderbroken door de schaterlach van de kok.

Oh wat stom van me. Jij bent natuurlijk helemaal niet bezig met de wereldvrede zoals mijn medebroeders. Jij bent gewoon met jezelf bezig.’

Nu reageerde de duizendpoot verontwaardigd.

Ik ben helemaal niet alleen met mezelf bezig! Ik ben bezig met kunst. En mijn kunst wil ik delen met anderen. Ik heb er genoeg van om op mijn eentje plezier te maken. Ik wil anderen laten meegenieten.’

De kok stopte met lachen en dacht diep na.

Misschien heb je wel gelijk. Kunst kent geen grenzen. Misschien moeten alle volkeren ter wereld kunst uitwisselen om elkaar te leren waarderen. Genieten van elkaars muziek, elkaars dansen leren…of samen iets doen. Misschien…’ dacht hij hardop, ‘…misschien is dat wel de oplossing voor ons probleem.’

Het kon de duizendpoot eigenlijk allemaal niet zo veel schelen. Zolang de kok hem maar niet meer uitlachte. Hij pakte zijn muziekinstrumenten en speelde verder.


Kom,’ zei de kok de volgende ochtend tegen de verbaasde duizendpoot. ‘Ik wil dat je aanwezig bent op de volgende beraadslaging.’

De duizendpoot liet zich gewillig op de houten pollepel vallen en terwijl hij over de rand keek werd hij door zijn Chinese vriend naar de eetzaal gebracht. De kok zwaaide met de houten lepel heen en weer toen hij binnen kwam en onze arme duizendpoot werd er flink misselijk van.

Hier is de oplossing voor ons probleem,’ zei de kok triomfantelijk. Alle monniken keken verbaasd naar de zwierende pollepel.

Ga je een vredessoepje koken?’ vroeg broeder Rama lachend.

En moeten wij die soep aan alle regeringsleiders ter wereld voederen?’ spotte zijn spitsbroeder Nikhil.

Heb je ook slabbetjes voorzien?’ vroeg een monnik die uit Nederland kwam. ‘Want onze koningin is al behoorlijk oud!’

De duizendpoot keek verbaasd vanuit zijn schuilplaats naar de bende uitgelaten monniken, die als kleine jongens allerlei onzin naar elkaar riepen.

Ha, daar hebben we onze verstekeling,’ zei Rama, toen het gelach verstomd was. Hij was de eerste die het rode kopje zag dat over de rand van de pollepel stak.

We hebben samen met het vliegtuig gereisd,’ verduidelijkte zijn vriend Nikhil toen hij de verbaasde blikken van de anderen zag.

Onze kleine vriend hier,’ sprak nu de kok, ‘heeft me de oplossing van ons probleem aangereikt. Dank zij hem weet ik hoe we onze vredesmissie vorm kunnen geven.’

Weer klonk er luid gelach.

Wil je een insectenplaag op de wereld loslaten?’ vroeg iemand spottend. ‘Of is die kleine rode draak zo gevaarlijk dat alle koningen voor hem in het stof zullen kruipen?’

Er werd nog eventjes gelachen, maar de meeste monniken keken toch nieuwsgierig naar de kok.

Deze duizendpoot,’ zei de kok, ‘ heeft evenveel talenten als dat hij poten heeft.’

Niet waar,’ onderbrak de duizendpoot hem, ‘ongeveer half zoveel. Voor alles wat ik doe, gebruik ik minstens twee poten.’ Maar de Chinees was de enige die hem hoorde.

Kijk maar!’ zei de kok. En tot de duizendpoot fluisterde hij: ‘Dit is de kans van je leven: een zaal vol mensen die naar je kijken en luisteren. Toon maar wat je kan en geef het beste van jezelf.’

De duizendpoot nam een beetje verlegen zijn viool en speelde aarzelend een wijsje. De verbaasde monniken luisterden muisstil naar de bijna onhoorbare fluwelen klanken. Toen de muziek stopte, klapten ze in hun handen. Voor de duizendpoot was dit het sein om alle remmen los te gooien. Hij vergat zijn plankenkoorts en gaf een nummertje tapdans weg. Vervolgens overtrof hij zichzelf door al rolschaatsend over de tafel drie instrumenten tegelijk te spelen en toen hij tot stilstand kwam en hijgend een buiging maakte, nam hij trots het warme applaus in ontvangst.


Zeg broeder kok’, lachte Rama, ‘ik wist niet dat jij drakentemmer was. Hoe heb je hem dat allemaal geleerd?’

Ik heb hem niets geleerd,’ antwoordde de kok. ‘Ik heb enkel met hem gepraat. Hij kon alles al toen hij hier toekwam. Hij zocht gewoon naar een kans om het aan mensen te tonen en zijn zoektocht heeft hem bij ons gebracht.’

Nu moet je toch even serieus worden,’ sprak een Amerikaanse monnik die eigenlijk uit Ierland kwam en Sean heette. Hij krabde aan zijn sproetige neus. ‘Ik wil veel geloven, maar dat je met deze kleine rode draak kunt praten, dat geloof ik niet.’

Ik wist het zelf ook niet,’ zei de kok aarzelend, ’maar ik versta hem echt als hij iets zegt en hij verstaat ons allemaal.’

Bij deze woorden stond de duizendpoot op, liep naar een bordje met okergele saus dat op tafel was blijven staan na de laatste maaltijd en doopte er een stel poten in. In grote, sierlijke letters schreef hij op de tafel:

HET IS WAAR!’ waarna hij zijn poten aflikte en de kok een complimentje gaf. ‘Lekker pikant is dit.’

Dank je wel. Deze chutney heb ik gemaakt naar een oud familierecept,’ antwoordde zijn Chinese vriend.

De monniken begonnen nu allemaal door elkaar te praten.

Maar dat kan toch niet!’

Geen mens kan met insecten praten!’

Verbazingwekkend’

Onmogelijk!’

De kok praat met kakkerlakken.’

Welnee, met insecten.’

Een duizendpoot is geen insect.’

Er moet toch een verklaring zijn.’

Ze stopten even plots als ze begonnen waren, toen ze zagen dat de duizendpoot weer aan het schrijven was.

K-EI-Z-E-R QU-I-GO-NG’ lazen de monniken in koor.

Keizer Quigong? Wie is in Boeddha’s naam keizer Quigong?’ vroeg één van hen.

Het klinkt Chinees,’ zei een ander en toen keken ze allemaal naar de kok.

Er bestaat een legende in de streek waar ik vandaan kom,’ begon deze aarzelend. ‘Thuis, in het Ginkgo-gebergte kent iedereen het verhaal van Keizer Quigong, die éénentwintig honderd jaar geleden leefde... Volgens de legende ontleende hij zijn macht aan het feit dat hij met dieren kon praten. De allergrootste zowel als de allerkleinste dieren vertelden hem wat er in zijn rijk gebeurde. Mijn moeder plaagde er mij altijd mee dat ik een afstammeling van de oude keizer was, maar ik dacht toen dat het niet meer dan een grapje was. Nu denk ik dat het misschien wel waar is…’

Wel uwe keizerlijke hoogheid,’ grapte broeder Rama, ‘welke koninklijke soep maak je voor ons vanavond?’

De kok, die zich serieus beledigd voelde, antwoordde door met zijn grote lepel een schep chutney te nemen en die op Rama’s kale knikker te mikken. Rama schraapte de klodder met zijn rechterhand van zijn gezicht en gooide hem terug, waarna hij uitgebreid zijn vingers ging aflikken. De dikke klodder saus miste echter zijn doel en kwam in het gezicht terecht van Séan de Amerikaan. Die gooide de steeds kleiner en slapper wordende klodder naar een Engelsman die John heette en die hij niet goed luchten kon. De saus verdween in Johns baard. Dit was het sein voor een algehele smodderpartij: twee Nepalezen trokken snel de sauskom naar zich toe en hadden daardoor de meeste munitie. De Buthanezen vluchtten naar de keuken, want zij werden nu het meest bestookt.

Toen ze uitgeraasd waren, vroeg broeder John: ‘Beste keizer-kok-broeder-Quigong-de-zoveelste, welk geniaal plan had je nu eigenlijk in gedachten? En welke rol speelt onze kleine draak hierin?’


De duizendpoot was best trots op zijn nieuwe naam. Kleine Draak. En het plan van zijn keizerlijke vriend zag hij helemaal zitten. Hij was blij dat hij diegene had gevonden voor wie hij naar China was gereisd en dat hij niet ook nog eens op weg moest naar de Ginkgo-bergen.

Kleine Draak,’ had de kok gezegd, ‘symboliseert de kiem van het vredesproces. Hij is zo klein dat hij gemakkelijk over het hoofd kan gezien worden en al even gemakkelijk vernietigd kan worden. Zo gaat het ook met de vrede tussen de mensen. Maar als hij gezien wordt, dan vloeit daar alleen maar vreugde uit voort: muziek, dans, kunst, schoonheid en plezier. We moeten Kleine Draak en zijn talenten zichtbaar maken, groot laten worden en daarvoor zullen we de hulp vragen van alle landen ter wereld.’

Het praktische gedeelte van het plan was niet zo eenvoudig uit te voeren: er zou een reusachtige robot-duizendpoot gemaakt worden, die alles deed wat Kleine Draak deed, maar dan wel luid, groot en onmogelijk te negeren. Aan alle regeringsleiders zou gevraagd worden om een bijdrage te leveren: zestien landen zouden elk een segment van het lichaam kunnen maken of bekostigen, andere landen zouden voor de poten kunnen zorgen. Het hoofd kon door nog een ander land gemaakt worden en dan moest er nog voor een reusachtige dwarsfluit gezorgd worden, een grote trom, een gigantische viool, rolschaatsen… Kortom er was zoveel nodig dat elk land ter wereld wel een bijdrage zou kunnen leveren.


Nou, wat vind je ervan?’ vroeg de kok aan de duizendpoot. ‘Al wat jij in het klein doet, wordt straks door een stalen robot van tweeëndertig meter lang en twee meter hoog uitgevoerd in het groot.’

Mmm…’ mompelde de duizendpoot ontevreden. ‘Ik wil niet zo’n stalen ding. Volgens mij zal mijn vioolspel klinken als een zingende zaag, mijn fluitspel als de wind die door de waslijnen blaast en mijn trommel als een blikken doos. Ijzer klinkt gewoon niet goed.’

Maar wat stel je dan zelf voor, Kleine Draak?’

Kristal.’

Maar, kristal… dat is veel te duur. Dat is onbetaalbaar. En ook nog eens vreselijk breekbaar. Dat zou betekenen dat alleen de rijke landen kunnen meedoen.’

Kristal,’ herhaalde de duizendpoot. ‘Anders zoek je maar een andere duizendpoot. Ik wil een kristalheldere klank. Mijn zang moet klinken als een koor in een kathedraal en mijn muziek moet harten ontroeren. Mijn…’

Al goed! Al goed!’ suste de kok. ‘Dan maken we hem een stukje kleiner, maar van kristal. En vergeet dat dansen dan maar, want kristal is te breekbaar om mee te tapdansen of op rolschaatsen rond te hossen. Dan wordt het maar een tien meter lange muzikale duizendpoot van kristal, als symbool voor de schoonheid en de breekbaarheid van de vrede.’

Onze kleine draak kon zich wel schikken in dit compromis. Hij was in elk geval reeds verzekerd van een reuzengrote, bewegende kristallen robot die hem voor het oog van de wereld zichtbaar en hoorbaar zou maken.


Een week later vertrok er een groepje monniken. Ze begonnen aan een reis rond de wereld om geld en steun te verzamelen voor hun ‘Duizendpoot voor de Vrede’. De twee Indische monniken waren erbij, evenals John, de Engelsman en Séan, de Ierse Amerikaan. De Nederlandse monnik, die Rob heette, zou ook een tijdje met hen meereizen en in zijn thuisland afscheid van hen nemen. De Tibetaanse monniken mochten hun land niet verlaten van de Chinese soldaten die hun land bezetten en de anderen kwamen uit arme landen zoals Buthan en Nepal. Zij mochten in de meeste landen niet binnen omdat ze arm waren en misschien niet terug zouden willen gaan naar hun eigen land als ze eenmaal in een rijk land waren aangekomen.

De enige uitzondering was de kok. Aangezien alleen hij met de duizendpoot praten kon, moest hij wel mee. Maar ook voor hem was het heel moeilijk om een reisvisum te krijgen. Dus kochten ze voor hem een vals Australisch paspoort van enkele zware jongens die in de buurt van het klooster rondzwierven omdat ze door de politie gezocht werden voor het smokkelen van whisky en sigaretten uit India naar China.


De eerste etappe van de reis ging richting België. Daar woonde een kunstenaar die Rob nog kende van tijdens zijn studententijd. Deze kunstenaar wilde maar al te graag meewerken. Eerst zou hij van klei een beeld van de duizendpoot boetseren en daarna zou hij van elk segment van het lichaam een grote vorm maken die gebruikt kon worden als model voor de kristallen constructie.

Vervolgens reisde het gezelschap naar Amerika. Daar werd contact gezocht met een bedrijf dat zich had gespecialiseerd in elektronica en computergestuurde robottechnologie. Maar daar begonnen de moeilijkheden. De directeur van het bedrijf vond het een interessante uitdaging om de grote duizendpootrobot te laten bewegen en hij stond helemaal achter het vredesproject, maar… hij wilde eerst geld zien, veel geld. Hij wilde genoeg geld krijgen om al zijn werkvolk te kunnen betalen en om de allernieuwste technologische snufjes uit te kunnen proberen. Anders zou zijn bedrijf failliet gaan.

Wat nu?’ vroeg Rama zich luidop af toen ze uit het kantoor van de directeur naar buiten kwamen.

Bwah,’ zei John, ‘al die Amerikanen zijn hetzelfde. Gladde jongens die je aan het lijntje houden met mooie beloften. Maar als puntje bij paaltje komt denken ze alleen maar aan geld! Ze hebben geen eergevoel, geen klasse. We hadden het aan een Engels bedrijf moeten vragen.’

Séan, die voortdurend ruzie maakte met de Engelsman, hield er uiteraard een andere mening op na.

Er is geen enkel Brits bedrijf dat onze opdracht aankan. Deze Amerikanen zijn de enigen die ons kunnen helpen. We moeten gewoon geld zien te vinden.’

Er is hier anders wel geld genoeg,’ sneerde John terwijl hij opzij sprong voor een glimmende Cadillac die het groepje voetgangers bijna omver reed. ‘Maar vrijgevigheid kennen ze niet.’

We moeten een audiëntie bij de president aanvragen,’ opperde Séan. En niet zonder trots voegde hij eraan toe: ‘Hij is een achterneef van mij.’


Maar neef of geen achterneef, de president wilde het groepje monniken niet ontvangen. Hoe ze ook smeekten, hoeveel brieven ze ook schreven, met wie ze ook praatten, ze kregen geen toestemming om de president te zien.

s Avonds op hun hotelkamer zat de kok te zuchten.

Kleine Draak, ik denk dat we te naïef en te overmoedig zijn geweest. Ons plan maakt geen enkele kans. Als we geen steun krijgen van de president van de Verenigde Staten, zullen de andere landen ons evenmin helpen.’

Waarom laten jullie mij het woord niet doen? Ik denk dat ik hen wel kan overtuigen,’ sprak de duizendpoot.

Maar Kleine Draak, ik ben de enige die met jou kan praten. De andere mensen horen jouw stem niet eens.’

Dan moeten we daar eerste iets aan doen,’ vond de duizendpoot.


De volgende ochtend overlegden de monniken tijdens het ontbijt wat hen te doen stond.

Wat denkt Kleine Draak er eigenlijk van?’ vroeg Rama aan de kok.

De duizendpoot zat in de broodmand kruimels ontbijtkoek te smullen. Hij stak zijn hoofd door een gat in het mandje en zei al smakkend: ‘Jullie moeten mijn stem hoorbaar maken en dan spreek ik zelf wel met die prinsen en koningen.’

De kok vertaalde zijn boodschap.

Dat is het proberen waard,’ zei Nikhil. ‘Waarom kopen we niet gewoon een hele goeie microfoon, een versterker en een luidspreker?’

Tja, waarom ook niet? En dat is wat ze deden. Toen de duizendpoot voor het eerst door de microfoon sprak, konden ze hem niet alleen duidelijk horen, maar tot hun verbazing verstonden ze hem zelfs. De duizendpoot had tijdens zijn lange verblijf tussen de monniken geleerd om op hun manier te praten, weliswaar bijna onhoorbaar, maar nu was ook dat euvel weggewerkt.

Zo, nu hebben we jou eigenlijk niet meer nodig,’ plaagde Rama de kok.

Als enig antwoord kreeg hij een nat theezakje in zijn oog. Tien minuten later werden ze met zijn allen door de directeur van het hotel op straat gezet omdat ze zowel elkaar als de andere gasten in de eetzaal met allerlei etensresten hadden bekogeld.

Opnieuw gingen ze op weg naar het Witte Huis, de verblijfplaats van de president. Aan het bezoekershek werden ze tegengehouden door een stelletje veiligheidsagenten met kale knikkers, pistolen in hun holsters en gummiknuppels in hun hand.

De duizendpoot vroeg eenvoudigweg: ‘Zou het mogelijk zijn om ons bij de president te brengen?’

Er was iets met zijn stem waardoor niemand hem iets weigeren kon. De gewapende gorilla’s bogen beleefd en brachten hen persoonlijk naar de werkkamer van de president.

Hallo neef,’ groette Séan de verbaasde president. Maar voor ze er weer uit werden gekeild, nam Kleine Draak snel het woord en met zijn wonderlijke gave om al wie hem hoorde te doen luisteren, lukte het hem om de president van Amerika alles te doen beloven wat ze nodig hadden. Uiteraard leek het alsof één van de monniken sprak, want hij hield zich schuil in de mouw van het gewaad van Quigong, de Chinese kok. Hij vond het reuzeleuk om de president eigenhandig een schriftelijke garantie te laten opstellen dat de regering van de Verenigde Staten van Amerika alle kosten zou betalen voor het ontwerpen en installeren van de robottechnologie die nodig was om het reusachtige kristallen beeld de muziek te laten spelen die Kleine Draak zou maken.

Vanaf die dag liep alles van een leien dakje: zestien rijke westerse landen beloofden om een segment van het kristallen lichaam te financieren en aan de armere landen werden er minder dure bijdragen gevraagd.

Voor Kleine Draak zelf kwam het moeilijkste echter nog. De Boeddhistische monniken waren neergestreken in Senegal. De Afrikaanse landen zouden gezamenlijk de reuzentrommel financieren, ontwerpen en maken. Ze hadden zelfs de stem van de duizendpoot niet nodig om de Afrikaanse presidenten te overtuigen. De Afrikanen waren gewoon dolenthousiast over het muzikale vredesplan. Maar ze begrepen niet waarom ze een gewone Westerse fanfaretrom moesten maken. Ze kwamen aandraven met djèmbes, darbuka’s, stenen vazen waarop met de hand werd getrommeld…kortom met allerlei soorten trommels waarvan de duizendpoot nog nooit had gehoord en waarop hij nooit had gespeeld. Ze brachten ook miniatuurexemplaren mee waarop hij kon oefenen.


Ik heb gewoon geen poten genoeg voor al die nieuwe instrumenten,’ klaagde Kleine Draak.

Hoezo, geen poten genoeg?’ vroeg broeder Quigong. ‘Je hebt er tweeëndertig man! Volgens mij kun je al die trommels tegelijk uitproberen.’

Maar… maar…met elk paar poten dat ik heb, doe ik al iets. Ik kan toch mijn schilderpoten niet gebruiken om te trommelen? Of mijn vioolpoten? Of mijn rolschaatspoten?’

De Chinees keek hem verbaasd aan. Hij keek naar zijn handen toen hij zei: ‘Met dit ene paar voorpoten maak ik soep, doe ik de afwas, kan ik mijn naam schrijven in schoonschrift en in Chinese pictogrammen. Ik kan ermee in mijn neus peuteren, achter mijn oren krabben, mijn kont afvegen, mezelf aankleden en nog veel meer. Stel je voor dat ik voor elke nieuwe bezigheid twee andere armen met handen nodig had. Als ik ooit leer om op een olifant te rijden, dan gebruik ik lekker weer dit zelfde paar handen om de teugels vast te houden. Anders zou ik er gaan uitzien als een spin, met telkens een paar armen erbij.’

Hij lachte luid bij het fantasiebeeld van zichzelf met een lichaam dat meer armen had dan haren op zijn hoofd. Nu ja, dat laatste was eigenlijk niet zo moeilijk. Hij was immers kaalgeschoren, zoals elke monnik.

Zou ik dat echt ook kunnen?’ vroeg de duizendpoot vertwijfeld.

Ik denk het wel,’ antwoordde zijn vriend, ‘anders zou je binnenkort echt duizend poten nodig hebben. Trouwens, zag ik je gisteren niet eten met je vioolpoten en je bed opmaken met je dwarsfluitpoten?’

Verrek ja! Nu je het zegt!’ mompelde Kleine Draak.

Toen pakte hij alle miniatuurtrommels tegelijk en begon er als een bezetene op te roffelen. Het klonk indrukwekkend.

Ik kan het!’ juichte hij. ‘Ik kan het! Joehoeiiie! Nu kan ik eindelijk mijn grote droom waar maken.’

Je grote droom?’ vroeg de kok nieuwsgierig.

De negende symfonie van Beethoven! Die heb ik altijd willen kunnen spelen. En met zestien instrumenten tegelijk moet dat wel min of meer lukken.’


Maar eerst moest hij andere dingen leren. In India kreeg hij een Bansuri, een dwarsfluit van bamboe in plaats van zijn gewone zilveren fluit en in Kreta kreeg hij een tweeduizend jaar oude Lyra, een soort viool die je op de grond moet neerzetten in plaats van hem op je schouder te leggen. En in andere landen kreeg hij nog vreemdsoortiger instrumenten cadeau: benen fluitjes, stenen fluitjes, een didgeridoo, vreemd gevormde snaarinstrumenten…Dat gaf hem meer dan werk genoeg om zijn dagen mee te vullen.

En dat was nodig want de voorbereiding duurde een vol jaar en pas aan het begin van de tweede zomer van hun rondreis gingen ze terug naar Amerika om toe te zien op het monteren van de reuzenduizendpoot.

De zestien segmenten van het lichaam en de kop waren al aan elkaar gezet en de technici waren druk bezig met draadjes, microchips, zonnecellen en elektronische circuits om van het kristallen beeld een bewegende robot te maken.

In de kristalen kop was een soort cockpit gemaakt waarin Kleine Draak kon zitten, staan, dansen en vooral musiceren. Er stond een rekje in voor al zijn miniatuurinstrumenten en een lekker bed van vochtig mos voor als hij zin had om te rusten.


Toen kregen ze onverwachts bezoek. De Dalai Lama, de hoogste spirituele leider van de Boeddhisten, die uit Tibet was weggevlucht en zich al jaren in Amerika schuil hield, stond daar plots in de montagehal van het technologiebedrijf. De ingenieurs keken hoogst verbaasd en alle monniken knielden of bogen diep voorover. Maar onze kleine duizendpoot riep door zijn microfoon:

Hallo ouwe jongen, kom je naar mijn eerste openbaar concert luisteren?’

De daad bij het woord voegend nam hij een trompet in zijn ene poot en zes drumstokken in enkele andere poten en hij speelde een Vlaamse polka terwijl hij zichzelf op een Amerikaans drumstel begeleidde. De Dalai Lama lachte zijn bril van zijn neus en alle monniken lachten opgelucht mee.

Deze kleine rode clown zal alvast geen nieuwe wereldoorlog ontketenen,’ lachte hij.

Kleine Draak is dan ook ons symbool voor de wereldvrede,’ zei broeder Rama.

Hmmm,’ mompelde de Dalai Lama.

Over twee weken is de kristallen duizendpoot volledig klaar,’ vulde broeder Nikhil aan.

De Zwitserse nationale luchtvaartmaatschappij zal hem gratis overvliegen naar Italië,’ voegde broeder Sean eraan toe.

Hij komt op het San Marco-plein in Venetië te staan,’ zei broeder John met enige trots. Zijn grootmoeder was toevallig een Italiaanse.

Hmmm,’ klonk het nog eens. De Dalai Lama leek in gedachten verzonken.

Denk je,’ vroeg broeder Quigong, ‘dat we met ons vredessymbool de ganse wereld rond moeten reizen?’

Op dat moment gaf de vrolijke duizendpoot een keiharde roffel op zijn Senegalese djèmbe, waardoor de Dalai Lama leek wakker te schrikken. De anderen letten er nauwelijks op. Ze waren de fratsen van de kleine rode draak al lang gewoon.

Nee,’ zei de Dalai Lama. ‘ Hij kan beter op één plaats blijven staan.’ En na een korte pauze verklaarde hij waarom: ‘Ik kreeg daarnet een visioen dat er pas vrede zal zijn op gans de aarde als de kristallen duizendpoot over duizend jaar nog steeds ongeschonden naast de grote fontein op het San Marcoplein staat.’

De monniken keken eerst verbaasd en toen bogen ze allemaal heel diep. Alleen Kleine Draak was niet onder de indruk van het visioen van de heilige man. Hij probeerde net een nieuwe stunt uit waarbij hij oude teksten van William Shakespeare afratelde als was hij een rapper, terwijl hij allerlei gekke ritmes klopte op de zijkant van een stenen vaas.

To be or not to be that’s the question. Whether t’is nobler in the heart to suffer the slings and arrows of outrageous fortune than…

Verder dan dat kwam hij niet want één van de technici legde de elektriciteit af omdat hij iets moest doen en omdat hij niet van Shakespeare hield.

Twee weken later was de robot nog niet af en het was uiteindelijk pas op oudejaarsavond dat hij kant en klaar op het plein in Venetië stond. Op nieuwjaarsdag begon Kleine Draak stipt op het middaguur aan zijn eerste vredesconcert. Hij speelde de negende symfonie van Beethoven op zestien exotische instrumenten uit Afrika, Zuid-Amerika, Australië en Azië terwijl hij met één vrije poot met zijn dirigentenstokje zwaaide. De reuzenrobot deed alles perfect na, in het groot en fantastisch luid. Het was de gelukkigste dag van zijn leven want er stonden duizenden mensen op het plein te kijken en te luisteren en over gans de wereld verspreid keken er nog eens miljoenen mensen naar het spektakel op hun televisie. Die dag was er al vast nergens oorlog. 

 

Henk Coudenys,

13 novmber 2004 



dinsdag 13 januari 2026

Zielloze ogen vol kwaadaardigheid (aanvulling 6 bij Psychopathie en Narcisme)

 

Psychopathie en Narcisme – Aanvulling 6


Zielloze ogen vol kwaadaardigheid

Veel slachtoffers van psychopaten herinneren zich de blik van hun beul: zielloze ogen, met achter die leegte een donkere poel van kwaadaardigheid. Deze blik kan plots opkomen, in reactie op de een of andere trigger en voorspelt weinig goeds. Integendeel: van zodra je die blik ziet kan je je maar beter klein maken, onzichtbaar of schrap zetten, vooral als vluchten niet mogelijk is.

Deze omslag in de gemoedstoestand van de psychopaat, met de bijbehorende blik in de ogen, wordt vaak geïnterpreteerd alsof hun geest wordt overgenomen door een kwaadaardige entiteit, een demonisch wezen dat enkel uit is op vernietiging. Het is begrijpelijk dat een dergelijk idee post vat in het bewustzijn van het slachtoffer: de overgang van ogenschijnlijk welwillende vriendelijkheid naar empathieloze kwaadaardigheid kan immers zodanig abrupt gebeuren dat de plotse bezetenheid door een demon hier een aannemelijke verklaring voor lijkt.

Mijn eigen interpretatie van dit fenomeen is echter behoorlijk verschillend. Mijn vertrekpunt is het sterk onderschatte feit dat de autonomie van een innerlijke schaduwdeelpersoonlijkheid zodanig groot kan zijn, dat het een onafhankelijke entiteit lijkt te zijn, terwijl het wel degelijk nog steeds een deel van hetzelfde persoonlijkheidscomplex is. In Karmische Psychologie Deel 1 ben ik uitgebreid ingegaan op het meervoudig persoonlijkheidssyndroom (MPS), een psychische toestand van extreme gespletenheid die ontstaat als gevolg van extreme vormen van marteling vanaf de prille jeugd. De persoonlijkheid in wording wordt daardoor gefragmenteerd wat resulteert in een cluster van elkaar afwisselende ik-persoonlijkheden of ‘alters’. Deze functioneren onafhankelijk van elkaar.

Bij het ontstaan van psychopathie gebeurt iets gelijkaardigs: onder druk van extreme omstandigheden splitst er zich een zeer negatief geladen deelpersoonlijkheid af die verstoten is van alle Wezenscontact en levensvreugde. Er is geen liefde voor het leven, noch voor de aarde, enkel nog blind overlevingsinstinct van het meest egoïstische soort. Dit is wat je te zien krijgt indien iemands de psychopate schaduwdeelpersoonlijkheid plots het ik-bewustzijn overneemt.

Als je de invloed van meerdere opeenvolgende levens op het ontstaan en de ontwikkeling van een dergelijke schaduwdeelpersoonlijkheid in acht neemt, is het de meest logische verklaring dat je te maken krijgt met een autonoom functionerend deel van de persoon met psychopathie. Vooral als er sprake is van een voorafgaande verslavingsproblematiek, al dan niet in combinatie met zeer hevige trauma’s, is het ontstaan van een psychopate schaduw helemaal niet zo vreemd. Enkele voorbeelden van zo’n recent ontstane autonome deelpersoonlijkheid:

  • Op een nacht had een man een nachtmerrie met het karakter van een lucide droom. Dit hield in dat hij wist dat hij droomde, over zijn wakend bewustzijn beschikte, maar toch niet uit de droom wakker werd. Tijdens die ervaring werd hij zich bewust van een demonisch wezen met een afschuwelijk agressieve uitstraling die op weg was naar de slaapkamer van zijn volwassen zoon. Zelf snelde hij naar de deur van die slaapkamer om die entiteit tegen te houden, wat hem met veel moeite ook lukte. Toen pas werd hij wakker, met een hoge hartslag en badend in het zweet. Hij vertelde de droom aan zijn zoon, die hierop reageerde dat hij op hetzelfde moment tijdens een nachtmerrie door die zelfde entiteit was aangevallen in zijn bed. In een wanhoopsgevecht had hij het demonische wezen de strot afgebeten, waarna hij wakker was geworden.
    De zoon had in die tijd echter een alcoholverslaving die zwaar uit de hand aan het lopen was, doordat hij van bier was overgeschakeld op zware alcoholische dranken. De ‘demon’ was niets anders dan zijn ‘Innerlijke Verslaafde’, een schaduwdeelpersoonlijkheid die bij alle verslaafden ontstaat en die de ik-persoonlijkheid (en de hersenen!) langzaam maar zeker vernietigt. Tevens is de Innerlijke Verslaafde totaal gewetenloos tegenover andere mensen, want hij heeft maar één doel, namelijk aan zijn verslaving toe komen, koste wat kost.

  • Zelf zag ik bij een vrouw met wie ik een intieme band had plots – en schijnbaar zonder aanleiding, we waren in een park aan het wandelen – de vertrouwde blik in haar ogen plaats maken voor een harde, donkere, levensloze uitdrukking waarvan me de haren recht overeind gingen staan. Na een halve minuut verdween deze weer en de vrouw was hier zelf zichtbaar door in de war. Wat bij haar aan de hand was, was dat ze afwisselend positief in het leven stond en al even vaak overvallen werd door een extreme negativiteit ten opzichte van haar eigen leven en van het leven op aarde in het algemeen. Hierin kon ze soms meerdere dagen gevangen zitten, waarbij ze verbaal erg agressief en onredelijk kon zijn, alvorens weer om te slaan naar positiviteit ten opzichte van het leven. De achtergrond hiervan was een combinatie van ernstige jeugdtrauma’s waaraan nooit gewerkt was, met daar bovenop heftige trauma’s uit haar volwassen leven. Onder meer had ze twee decennia lang in een wetteloos gebied gewoond waar ze de zelfmoord van tien mensen had meegemaakt en was ze haar kinderen afgenomen.

In beide gevallen is het verleidelijk om een externe entiteit verantwoordelijk te stellen voor de persoonlijkheidswissel, maar indien we het volledige verhaal in ogenschouw nemen, valt niet te ontkennen dat er een innerlijke basis was voor de vernietigende agressie. Bij alle twee de betrokken personen kunnen we spreken van een psychopate schaduwdeelpersoonlijkheid in wording of van protopsychopathie.

Het is niet moeilijk om ons een voorstelling te maken van de volgende stap richting psychopathie. In het eerste verhaal loopt de alcoholverslaving verder uit de hand en krijgt de Innerlijke Verslaafde steeds meer vrij spel en dat spel speelt hij volgens de spelregels van de psychopathie, namelijk zonder geweten of empathie en enkel nog gericht op de bevrediging van zijn verslaving.  Het afglijden naar psychopathie kan in dit geval nog tijdens het huidige leven gebeuren.  Tijdens een volgende incarnatie heb je dan te maken met een psychopate schaduw die het ik-bewustzijn zo maar kan overnemen, in functie van de bevrediging van eender welke persoonlijke behoefte.

In het tweede verhaal vormt de afkeer van de aarde de brandstof waarmee een psychopate schaduwdeelpersoonlijkheid gevoed wordt. Tijdens het huidige leven kan deze het ik-bewustzijn steeds vaker over nemen, tijdens een volgend leven kan deze de ik-persoonlijkheid volledig domineren.

Aanverwant hieraan is de blik van meedogenloze superioriteit die in de ogen van diehard narcisten verschijnt in situaties waar ze het heft in handen hebben, wat voor hen identiek is aan het recht in handen hebben. Vooral bij religieuze fanatici is dit een bekende glans in de ogen. Zelf associëren ze hun gemoedstoestand met spirituele verbondenheid, maar de verbondenheid in kwestie bestaat slechts tussen hun eigen innerlijke schaduw en die van gelijkgezinden. Wezenlijk is er enkel eenzame leegte.

Iedereen die aan hen onderhorig is, weet wat hen te wachten staat als ze deze blik trotseren, namelijk weinig goeds. Ook hier mogen we niet uit het oog verliezen hoe autonoom een innerlijke schaduwdeelpersoonlijkheid kan worden en hoe onafhankelijk deze zich van het eigen Wezen (Ziel of Hogere Zelf) kan manifesteren. Bijgevolg hebben we geen nood aan het concept ‘demonische of lagere entiteit’ om te verklaren wat er gebeurt indien we getuige zijn van de omslag van een Wezenlijk bewustzijn naar dat van een psychopaat en de bijbehorende demonische blik in de ogen.

In plaats van een potentieel eindeloze strijd waarbij we voortdurend op onze hoede moeten zijn om geen ingang te creëren voor een demon die ons in bezit kan nemen, opent deze visie een ingang tot innerlijke groei. Door niets wat menselijk is uit ons bewustzijn en onze beleving te bannen, maar ermee in vrede te leren leven, vermijden we om ooit zelf op het pad van de psychopathie te belanden. Mensen die wel reeds in deze valkuil zijn terecht gekomen, hebben er weliswaar een hele klus aan om te leren terug in dialoog te gaan met hun autonome innerlijke psychopaat, maar ook voor hen blijft het mogelijk om terug als één geheel te leren functioneren, al hebben de meesten daar wel meer dan één leven voor nodig. 

********************************************************************************

Deze tekst is een aanvulling op mijn boek 'Psychopathie en Narcisme'.   ISBN 9789077101216.

Dit boek kan in elke boekhandel of internetboekhandel besteld worden. 

De volledige titel van het boek is: Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 3 - Psychopathie en Narcisme. 

Op mijn website www.henkcoudenys.be vind je een overzicht van alle boeken die ik reeds heb gepubliceerd.  Wie een boek koopt, helpt me om in leven te blijven en te blijven schrijven, uitgeven en op die manier mijn inzichten met anderen te delen.