donderdag 11 juli 2024

Waarom honger onrustig maakt en afvallen zo moeilijk is

 

Waarom honger onrustig maakt en afvallen zo moeilijk is


Met uitzondering van af en toe een periode in de recentere geschiedenis van de mens, was hoogwaardig voedsel niet zozeer zeldzaam, maar wel alles behalve gemakkelijk te verkrijgen. Het gevolg is dat we lichamelijk zijn aangepast aan leven met honger, aan overleven op het randje vaak van de hongerdood. Van andere sociale roofdieren die in groep leven en jagen (zoals ook de Homo sapiens het grootste deel van zijn bestaan heeft gedaan)  is dit ook gekend: wolven bv, leven voortdurend op de rand van ondervoeding en gaan pas op jacht als de honger knaagt en het dringend tijd wordt om hun energiereserves aan te vullen.

Honger is dan ook het signaal bij uitstek om in actie te komen en prioriteit te geven aan het zoeken naar eten. Al de rest is bijkomstig totdat de honger is gestild. Als er voedsel beschikbaar is, moet het zo snel mogelijk en zo veel mogelijk worden opgegeten. Zo’n buitenkans mag je niet laten liggen, dicteert ons overlevingsinstinct. De kunst om eten te bewaren voor de toekomst is immers een recente verworvenheid in het licht van honderdduizenden jaren menselijke aanwezigheid op aarde. De meest oorspronkelijke manier om voedsel te bewaren, is onder de vorm van ons eigen lichaamsvet. Een degelijke vetreserve opbouwen wordt door ons overlevingsinstinct toegejuicht. We voelen er ons instinctief goed bij.

Het gevolg is intussen welbekend: in onze huidige tijd van overvloed zijn we niet in staat om te matigen met zetmeel, suikers, vetten en vlees. We worden dik en krijgen te maken met welvaartsziektes en allerlei ongemakken. Als gevolg van medische inzichten die gebaseerd zijn op degelijk wetenschappelijk onderzoek, ontwikkelen we een nieuwe en noodzakelijke moraal die onder meer stelt dat we moeten matigen met calorierijk voedsel, verzadigde vetten, rood vlees en dergelijke en dat we moeten afvallen als we ongezond dik worden.

Maar ons instinct ondersteunt deze nieuwe regels niet. Ze druisen immers regelrecht in tegen de natuurlijke normen van ons overlevingsinstinct. Het gevolg is dat we ons slecht voelen als ons lichaam gewicht begint te verliezen. We worden gekweld door een innerlijke onrust waardoor we slecht slapen en ons moeilijk kunnen concentreren indien we het beschikbare voedsel in de kast en de koelkast laten liggen. We worden beloond met een zalig verzadigd gevoel indien we ‘zondigen’ tegen de nieuwe normen die we onszelf noodzakelijkerwijs opleggen.

Wat we kunnen proberen om dit probleem op te lossen, is een dialoog aangaan met het overlevingsinstinct dat deel uitmaakt van ons lichaamsbewustzijn. We kunnen ons hier een visuele voorstelling van maken als was het een personage op zich. Deze deelpersoonlijkheid moeten we omzichtig benaderen, niet met rationaliteit maar met geruststellende beelden. Indien we honger hebben, kunnen we ons bv keer op keer een voorstelling maken van alle voedzame dingen die we reeds hebben gegeten de voorbije dag, ter geruststelling van het gealarmeerde overlevingsinstinct. Tevens kunnen we ons een beeld vormen van wat we de volgende dag zullen eten, wat een belofte inhoudt dat er morgen weer eten zal zijn. Deze zekerheid heeft het overlevingsinstinct nodig.

Het is eveneens belangrijk om niet met honger te gaan winkelen, maar dat pas te doen nadat we een maaltijd hebben genuttigd. En niets in huis te halen dat we niet willen opeten in het kader van de restricties die we ons omwille van onze gezondheid opleggen.

Verder is het noodzakelijk om gewoon te accepteren dat wat dikker zijn helemaal geen probleem hoeft te zijn, zolang het gepaard gaat met een verder gezonde levensstijl waarin buitenlucht, beweging en gezonde voeding een ereplaats innemen. 

**********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk in voorpublicatie van het boek

Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 1: Onze Erfenis van Moeder Aarde

Een overzicht van mijn gepubliceerde boeken vind je op www.henkcoudenys.be

 



vrijdag 21 juni 2024

De rol van hoogsensitiviteit in de ontwikkeling van de mensheid

 

De rol van hoogsensitiviteit in de ontwikkeling van de mensheid


De geschiedenis van de mens op aarde wordt gekenmerkt door sprongsgewijze evoluties. Veranderingen in levenswijze en de bijbehorende ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden komen er meestal vrij plots, als gevolg van ontdekkingen, van nieuwe manieren van omgaan met elementen uit onze leefwereld.

Belangrijke sprongen zijn het domesticeren van allerlei diersoorten geweest. Wolven evolueerden tot honden en bijgevolg tot beschermers en helpers bij de jacht in plaats van concurrerende en bedreigende roofdieren. Paarden werden krachtige metgezellen in tijden van oorlog en vrede in plaats van moeilijk te verschalken prooien. Jachtwild werd mak vee, meestal in overvloed aanwezig.

De eerste stap in een domesticatieproces is het temmen van individuele exemplaren. Om dieren te temmen heb je meer nodig dan alleen het geduld om hun gedrag te observeren en rationeel te bestuderen. Er is vooral inlevingsvermogen nodig, wat in dit geval neerkomt op de kunst om de eigen manier van functioneren los te laten en zich in die van een andere diersoort te kunnen verplaatsen. Kortom, er is nood aan een fikse dosis empathie om dit voor elkaar te krijgen. Waarschijnlijk zijn het dan ook systematisch de meest hooggevoelige individuen geweest die er in het verleden in slaagden een vertrouwensband met wilde dieren op te bouwen. Hoogsensitieve mensen zijn in staat te leren samenleven met andere soorten, hun gedrag en communicatie intuïtief te doorgronden en een vorm van wederzijds respect op te bouwen waardoor de andere soort zich niet langer opgejaagd wild, felbevochten vijand of concurrent voelt.

De verdere domesticatie houdt een langzaam proces in van kweken en selecteren op karakterkenmerken zoals volgzaamheid en zachtaardigheid. Eens een soort hierdoor in genetisch opzicht voldoende is veranderd, kunnen nu ook de niet-hoogsensitieve mensen ermee samenleven en leren samenwerken.

Hooggevoeligheid draagt nog op andere manieren bij tot vernieuwingen in de samenleving. Het hoogsensitieve bewustzijn is in staat inspiratie te ontvangen die in essentie niet uit deze wereld afkomstig is.

Waar we in onze huidige tijd toe in staat zijn met al onze digitale, computergestuurde en satellietgeleide systemen voor communicatie en informatie-uitwisseling, lijkt bv heel erg op de overdracht zonder woorden van kennis en informatie zoals die tijdens uittredingen en bijna-doodervaringen kan beleefd worden en dit is op zich een afspiegeling van hoe het er tijdens tussenlevens en in niet-aardse belevingswerelden aan toe gaat. De drang om iets gelijkaardigs te creëren in onze fysieke leefwereld lijkt me geïnspireerd op dit soort ervaringen.

Daarnaast zijn er uiteraard de vernieuwingen die tot stand komen als gevolg van de langzame opbouw van rationele kennis en de groei in wetenschappelijke inzichten. Maar ook op dat vlak spelen intuïtie en Wezenlijke inspiratie niet zelden een cruciale rol. Er zijn tal van anekdotes bekend met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek waarbij wetenschappers plots inzichten kregen via dromen of op mystieke visioenen lijkende ervaringen, inzichten die hebben geleid tot grote doorbraken. Het lijkt er sterk op dat in dit geval de hooggevoeligheid van de wetenschappers in kwestie een even belangrijke rol speelde als hun rationele vakkennis. De innerlijke samenwerking tussen persoonlijke, aardse rationaliteit en Wezenlijke intuïtieve inspiratie, is immers het sterkst bij hoogsensitieve mensen.

Pionierswerk uit het verleden heeft ons stap voor stap meer levenscomfort gebracht, waardoor er steeds meer mogelijkheden zijn ontstaan om de Wezenlijke kant van onze persoonlijkheid tot ontwikkeling te brengen. Sommige aspecten hiervan zijn intussen zo banaal dat we er niet meer bij stil staan.

Dankzij het bestaan van schoeisel en kledij is bv onze huid zodanig gevoelig geworden dat we ons extreem sensueel en creatief kunnen uitdrukken via onze tastzin. Veel mensen hoeven daarenboven niet meer of nauwelijks nog met hun handen werken, waardoor de gevoeligheid van handpalmen en vingertoppen eveneens groter wordt.

Door de overvloed aan voedsel en door de sterke organisatie van onze maatschappij krijgen steeds meer mensen de kans om een groot deel van hun tijd aan de ontwikkeling van hun creativiteit en hun spiritualiteit te wijden. Creativiteit hoeft daarbij niet langer louter ten dienste te staan van het praktisch nut, terwijl dit in de pionierstijd van de mens op aarde wel nog het geval was.

De medische wetenschap heeft een zeer grote bijdrage geleverd tot onze langere levensverwachting. Niet alleen is de mogelijkheid enorm gestegen om te genezen van ziektes en letsels, ook weten we steeds beter hoe we deze moeten vermijden. Hoe langer we leven, hoe meer we ons kunnen ontwikkelen op allerlei vlakken. Zelfontwikkeling gebeurt immers door kennis en vaardigheden te accumuleren en te verfijnen. Hoe ouder we kunnen worden, hoe meer subtiliteit hierin kan komen.

De keuze om volop in te zetten op geneeskundig onderzoek kan afkomstig zijn uit tussenlevenservaringen: bij elke periode tussen twee incarnaties in, ervaren we immers dat we kunnen genezen van onze fysieke en emotionele kwetsuren. Ik kan me inbeelden dat dit veel menselijke Wezens inspireert om hun volgende incarnaties op aarde hieraan te wijden.. Hoogsensitieve mensen hebben in de regel meer voeling met hun voorbije tussenlevens dan gemiddeld, dus ook hier is een belangrijke rol weggelegd voor de hooggevoeligen onder ons.

Psychotherapie is nog zoiets. Tijdens bijna-doodervaringen gebeurt het vaak spontaan dat de terugblik op het voorbije leven het karakter van een therapeutisch verwerkingsproces aanneemt. Ik vermoed dat dit de inspiratiebron geweest voor het ontstaan van psychotherapeutische technieken en hoogstwaarschijnlijk zijn het opnieuw hoogsensitieve mensen die deze inspiratiebron als eersten hebben weten te aarden.

Anderzijds is het pas mogelijk dat grote aantallen mensen zich bekwamen in zelfonderzoek en zelfinzicht indien er voldoende lange periodes van vrede en welstand zijn. Pionierswerk dat tot materiële voordelen leidt, kan zodoende hand in hand gaan met pionierswerk dat tot emotionele en spirituele groei leidt.

Pionierswerk in het heden draait steeds meer om het leren invullen van de vrijgekomen tijd en de ontstane mogelijkheden. Een gevoel van zingeving vinden, is hierbij het voornaamste streefdoel. Elke bezigheid die leidt tot een besef van innerlijke verbondenheid en/of de ervaring van onderlinge verbondenheid, genereert het gevoel dat iets zinnig is. Hoe hooggevoeliger een mens is, hoe gemakkelijker hij toegang heeft tot deze ervaringen. Hoogsensitieven zijn bijgevolg het best geplaatst om de rest van de mensheid te inspireren bij het ontdekken van zingeving.

***********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk in voorpublicatie van het boek

Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 1: Onze Erfenis van Moeder Aarde

Een overzicht van mijn gepubliceerde boeken vind je op www.henkcoudenys.be

vrijdag 17 mei 2024

De Cyclus van eten en gegeten worden

 

De cyclus van eten en gegeten worden


Alles in het heelal is voordurend in verandering. We kunnen dit ook anders uitdrukken: het Opperwezen – het Grote Geheel van Alles - is voortdurend onderhevig aan een innerlijk transformatieproces. Op aarde neemt dit echter een speciale vorm aan. Niet alleen verandert heel eenvoudige materie in heel complexe materie (uit elementaire mineralen ontstaan - via enorm lange kettingen van veranderingsprocessen – levende wezens), de complexere materiële vormen (de lichamen van levende wezens) slokken elkaar voortdurend op, ontleden elkaar tot minder complexe brokjes en gebruiken deze als bouwstenen voor hun verdere groei terwijl ze daarenboven levensenergie onttrekken aan deze processen.

In alledaags taalgebruik: niet alleen is er de spontane evolutie die tot het ontstaan van enorm veel verschillende complexe levende wezens heeft geleid, deze eten elkaar ook nog eens voortdurend op. Wie opgegeten wordt, wordt verteerd en zodoende herleid tot elementaire bouwstenen voor het opbouwen en het in stand houden van het lichaam van diegene die eet. Met de energie die daarbij vrij komt, leeft deze verder, tot hij zelf opgegeten wordt.

Er is geen enkele aardse levensvorm die kan gedijen zonder de dood van andere levensvormen. Het gaat hierbij lang niet altijd om de ene soort die de andere dood maakt alvorens hem op te eten. Op enkele uitzonderingen na leven planten van mineralen die ze tezamen met het grondwater opnemen en van koolzuurgas die ze uit de lucht halen. Dit gas wordt onder invloed van licht omgezet in suikers. Behalve die enkele soorten vleesetende planten die hun dieet aanvullen met de stikstof die ze uit de insecten halen die ze vangen en verteren, eet geen enkele plant een ander levend wezen rechtstreeks op. Maar ze zijn wel afhankelijk van de voedingsstoffen die in de bodem terecht komen als gevolg van het feit dat andere levende wezens sterven, door schimmels, bacteriën en dieren verteerd worden en daardoor afgebroken worden tot minerale substanties.

Maar planten vermoorden wel degelijk andere levende wezens, ook al eten ze hen niet. In hun concurrentie om plaats, water, voedingsstoffen en vooral licht, verstikken ze elkaar en verhinderen de soorten die het best aangepast zijn aan een bepaalde plek dat andere planten er kunnen gedijen. Als het hen lukt, doden ze ook insecten en andere dieren die hen proberen op te eten met behulp van de giftige stoffen die ze speciaal daarvoor aanmaken in hun cellen.

Parallel hiermee gebruiken mensen en veel andere levensvormen weer andere dieren en planten voor allerlei andere doeleinden dan hun voeding. We hakken bv bomen om omwille van brand en timmerhout. Kippen krabben plantjes uit de grond omdat ze in de bodem eronder naar zaden en insecten willen zoeken, apen kraken takken van bomen af om hun nesten te bouwen… de natuur staat bol van dergelijke voorbeelden.

Als we de aarde als een levend wezen beschouwen, dan vormt die ganse ketting van transformatieprocessen het metabolisme van de aarde, net zoals er binnenin een menselijk lichaam een metabolisme bestaat waardoor we alle materie die we in ons opnemen, omzetten in de energie die we verbruiken, in bouwstenen voor ons lichaam en in een restje afval dat we weer uitscheiden.

Dit is uiteraard nog niet het hele verhaal: de levende wezens in kwestie zijn daarenboven bezield. Ze beschikken over emoties, gevoelens en gedachten – de een al wat meer dan de ander – en lijden hierdoor (fysiek en psychisch) telkens ze gegeten, vernield of beschadigd worden of telkens er de dreiging is dat ze vernietigd kunnen worden. In dat laatste geval gaat het om emotioneel lijden.

Doordat we als mensen op aarde incarneren en ons hierdoor verbinden met een fysiek lichaam dat de aarde toebehoort, komen we terecht midden in deze cyclus van eten en gegeten worden. Al sinds ons ontstaan, zoeken we hier onze zijn plaats in. Dit leidt tot conflicten tussen de Wezenlijke waarden van de mensheid enerzijds en de noodzaak zich over te geven aan het aardse instinct anderzijds. Dat laatste spoort ons aan de lichamen van andere levensvormen te eten en te gebruiken voor alle doeleinden die ertoe bijdragen dat we zo lang mogelijk in leven blijven op aarde.

Deze innerlijke conflicten leiden tot de transformatie van zowel de individuele menselijke Wezens die aan deze incarnaties deelnemen, als van de mensheid in zijn geheel. Maar ook het Wezen van de levende planeet aarde – het Aardewezen - ondergaat een langzame transformatie als gevolg van de spanningen die het binnen de mensheid veroorzaakt. Uiteraard is de mensheid niet als enige verantwoordelijk voor dit individuatieproces van het Aardewezen, maar het speelt hier wellicht toch een cruciale rol in.

***********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk in voorpublicatie van het boek

Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 1: Onze Erfenis van Moeder Aarde

Een overzicht van mijn gepubliceerde boeken vind je op www.henkcoudenys.be

 

zaterdag 13 april 2024

Waarover gaat 'De Integratie van de Schaduw'?

 De Integratie van de Schaduw - Waarover gaat dit boek?     

 De schaduwdelen in onszelf, iedereen heeft ze en elk van ons krijgt ermee te maken.  Allemaal maken we mee dat we in stressvolle of volkomen onverwachte situaties totaal anders kunnen reageren, voelen en denken dan we van onszelf gewoon zijn.  Plots komt er agressie in ons boven terwijl we normaal gezien beheerst of vriendelijk reageren, of gedragen we ons als gevolg van paniek erg onverantwoord of egoïstisch terwijl we onszelf kennen als verantwoordelijk en rationeel.  Achteraf zeggen we hierover: 'Ik was mezelf niet', of: 'Ik weet niet wat me overkwam, ik herkende mezelf niet meer.'

Een ander vaak voorkomend voorbeeld wordt ervaren door mensen die zelfbewust en assertief zijn en duidelijk hun grenzen weten neer te zetten, maar eens ze zich open stellen voor een intieme relatie is hun besef van grenzen al heel snel zoek en worden ze gemakkelijk het slachtoffer van manipulaties en laten ze van zich profiteren.  Pas als ze zich los weten te maken uit die relatie 'vinden ze zichzelf terug'. 

Dat zijn voorbeelden van situaties waar we geconfronteerd worden met onze innerlijke Schaduw.  Als ons bewustzijn overgenomen wordt door een schaduwdeelpersoonlijkheid, dan lijken we eventjes iemand anders te worden, voelen we ons vervreemd van onszelf. Daarna kunnen we ons schuldig voelen en ons voornemen om in het vervolg terug 'normaal' te reageren, of het voorval zo snel mogelijk vergeten.  Totdat er weer zoiets gebeurt en we opnieuw overvallen worden door reactiepatronen in onszelf waarmee we ons niet wensen te identificeren.

Hierover gaat het in 'De Integratie van de Schaduw'.  Hoe ontstaan dergelijke schaduwdelen van onze persoonlijkheid?  Hoe kunnen we ermee leren omgaan?  Wat willen ze ons vertellen?  Hoe kunnen we leren samenwerken met onze schaduwdeelpersoonlijkheden?  En hoe en in welke mate kunnen we onze Schaduw integreren, in plaats van er telkens weer een angstig gevecht mee te leveren?  Op dergelijke praktische vragen worden antwoorden geformuleerd.

En verder wordt het ontstaan van onze innerlijke Schaduw in een ruim theoretisch kader geplaatst, een kader waarin niet alleen plaats is voor de ontwikkelingen uit onze kindertijd, maar ook voor de invloeden uit onze reïncarnatiegeschiedenis.  De link met de psychologie van Jung wordt eveneens uitgewerkt.


**********************************************************************************

 'De Integratie van de Schaduw'  (Karmische Psychologie, Deel 4: Aarde en Schaduw - Boek II) verscheen in december 2023.  ISBN: 9789077101179 en kan in elke boekhandel besteld worden.  Prijs: 26,50 €

 


zaterdag 30 maart 2024

Het bevrijden van spiritualiteit uit de klauwen van religies

 

Het bevrijden van spiritualiteit uit de klauwen van religies

In speciale situaties is ons bewustzijn in staat zich uit te breiden tot ver buiten de grenzen van de persoonlijke belevingswereld. Visioenen, uittredingen, bijna-doodervaringen en aanverwante spirituele ervaringen kunnen ons overvallen als we zwaar ziek zijn, uitgeput zijn, drugs gebruiken of de dood in de ogen kijken. Telkens weer gaat het om ervaringen die, als we ze met anderen delen, onze gemeenschappelijke opvattingen over leven en dood vorm geven. Soms blijft het hierbij, maar af en toe ontstaan er hieruit spirituele bewegingen. Deze brengen mensen samen, in een gemeenschappelijke overtuiging omtrent de aard en de zin van het leven en dit geeft dan weer aanleiding tot gemeenschappelijke normen en waarden die omgezet worden in een manier van leven, van omgaan met elkaar en met de wereld om ons heen.

Het is een feit dat er op die manier telkens weer spirituele stromingen ontstaan. We mogen dit beschouwen als iets wat inherent is aan de menselijke natuur, even normaal als onze behoeftes aan sociaal contact en een dak boven ons hoofd. De onderlinge verbondenheid die hierdoor ontstaat, versterkt het sociaal overlevingsinstinct. Het overstijgt de familiebanden, waardoor we ook door het vuur zouden gaan voor mensen met wie we geen nauwe genetische verwantschap vertonen. Wie dezelfde spirituele waarden aanhangt, wordt wat dat betreft gelijkgesteld aan familie.

In de kleinschalige levensgemeenschappen van vroegere tijden leverde dit dus alleen maar voordelen op. Naast het verstevigen van de interne banden zorgde een gemeenschappelijke spiritualiteit tevens voor een belangrijke bijdrage tot de groepsidentiteit. Maar in recentere tijden, na het algemeen worden van de landbouw en de enorme bevolkingstoenames ontwikkelden er zich overal patriarchale, hiërarchisch georganiseerde samenlevingen. Dit ging gepaard met het ontstaan van een gelaagde maatschappelijke organisatie en een heersende kaste waarin hoofdzakelijk mannen de dienst uitmaken. In combinatie met veroveringsoorlogen leidde dit tot veel grotere mensengroepen die met elkaar moesten zien samen te leven, ondanks hun oorspronkelijke culturele verschillen.

De natuurlijke neiging van een volk om zich rond een gemeenschappelijke spiritueel concept te organiseren wordt sindsdien door de machtshebbers systematisch misbruikt om een kunstmatige vorm van grootschalige samenhorigheid af te dwingen.. Spirituele stromingen werden en worden omgevormd tot staatsreligies. Deze hoeven niet eens op echte spirituele ervaringen gebaseerd te zijn, maar daar waar ze bestaan worden ze ofwel bestreden ofwel ingelijfd.

Gefingeerde en ingebeelde spirituele ervaringen zijn in dit proces van groot belang. De gemiddelde mens is immers erg vatbaar voor toneelspel dat lijkt op het delen van echte mystieke ervaringen. Hiervan werd in het verleden dankbaar misbruik gemaakt door machtshebbers om religies uit de grond te stampen waarbij zij zichzelf een goddelijke status toe lieten schrijven.

Soms beperken machtshebbers zich tot het installeren van een stelsel van morele normen en waarden zoals die ook ontstaan in het kader van religies, zonder dat er sprake is van een spiritueel of pseudospiritueel opstapje. Het communisme van de vorige eeuw was daar een voorbeeld van. De mechanismen waarmee mensen met dit hulpmiddel onderdanig worden gehouden en gedwongen worden massaal in de pas te marcheren, zijn echter dezelfde als onder pakweg de dictatuur van Islamitische Staat.

Er zijn enkele fenomenen die in de loop van de menselijke geschiedenis telkens terugkeren.

Het eerste is het ontstaan van authentieke spirituele bewegingen binnen de grote religies, wat elke keer weer tot de nodige conflicten en schisma’s leidt binnen de kerken.  Tijdens de Europese middeleeuwen leidde dit bv tot het buiten de kerk plaatsen van de Albigenzen - die beter bekend zijn onder hun geuzennaam Katharen – en tot een georganiseerde genocide op de aanhangers van deze spirituele beweging.

Het tweede is het inlijven of het ‘verkerkelijken’ van spirituele systemen die buiten een grote religie om zijn ontstaan. Het vroege Christendom is hier een voorbeeld van. Het ontstond als een spirituele beweging die zich afzette tegen het officiële Jodendom en het werd enkele eeuwen later als staatsgodsdienst geïnstalleerd door een Romeinse keizer.

Het derde is het ontstaan van een machtsstrijd tussen de wereldlijke gezagsdragers die dankzij het gebruik van een religie hun positie wisten te verkrijgen en/of te consolideren en hun concurrenten binnen de religies. Hierbij wisselen beide antagonisten gemakkelijk van positie. Denk maar aan de vele pausen die de concurrentie aangingen met de koningen en keizers die ze zelf hadden ingezegend en die vaak zelfs persoonlijk hun oorlogstroepen gingen aanvoeren.  Anderzijds waren er steevast koningen en keizers die de leiding over de kerk opeisten.

Het delen van mystieke ervaringen zoals uittredingen en bijna-doodervaringen, helpt eenieder die hierover hoort om zijn angst voor de dood te overwinnen. Het geloof in een hiernamaals en / of reïncarnatie draagt hier eveneens zijn steentje toe bij. Indien dit wordt aangevuld met leefregels die zogenaamd door ‘God’ of welke hogere macht dan ook zijn gedicteerd en indien hieraan de belofte gekoppeld wordt dat er een beloning volgt in het hiernamaals of tijdens een volgende incarnatie indien deze regels rigoureus gevolgd worden, dan heb je als machthebber een enorme hefboom om grote mensenmassa’s op de been te krijgen en hen aan te zetten tot opofferingen die ze van nature niet zouden opbrengen, zoals bereid zijn om te sterven in een oorlog. Het concrete middel hiervoor is het opportunistisch invullen van de door ‘God’ gedicteerde leefregels. De machthebbers worden tot ‘Zijn’ vertegenwoordigers gebombardeerd en oorlog voeren, buurvolkeren onderwerpen, tegenstanders martelen en vermoorden, worden gepresenteerd als ‘Zijn’ instructies. Koppel dit aan een machtsapparaat dat alle dissidente stemmen hardhandig het zwijgen oplegt en je hebt een efficiënte staatsreligie.

Dit houdt tevens een misbruik in van een andere natuurlijke menselijke neiging: zich aaneensluiten om gezamenlijk op te komen tegen een bedreiging, met als doel de groep te laten overleven, desnoods door het leven van individuen binnen de groep op te offeren. Bij natuurvolkeren schoot dit mechanisme in gang als het nodig was om tijdelijk oorlog te voeren tegen een invasief buurvolk, een gevaarlijke gemeenschappelijke jacht op grote prooien uit te voeren, of om het in gang zetten van een risicovolle migratie, op zoek naar een betere omgeving die meer overlevingskansen bood. Staatsreligies misbruiken deze neiging om grote groepen mensen aan te zetten tot zelfopofferende dienstbaarheid en oorlog.

Het is een van de grootste uitdagingen van de mensheid om de natuurlijke behoefte aan spiritualiteit te bevrijden uit de klauwen van religies en vooral om deze te vrijwaren van het uitgroeien tot nieuwe religies. Dit kan enkel maar door spiritualiteit individueel te beleven of, indien ze in groep wordt beleefd, nooit een spirituele stroming tot een hiërarchische organisatie uit te bouwen. Van zodra er postjes worden gecreëerd, ontstaat immers de voedingsbodem voor machtsmisbruik. Losse, open organisaties zonder vaste uitvalsbasis en zonder geschreven leefregels zijn wat dat betreft de hoogst haalbare organisatievormen waarbinnen een gemeenschappelijke beleving van spiritualiteit mogelijk is zonder dat dit hoeft te ontaarden in een kleine of grote religie, die vroeg of laat gekaapt kan worden door de een of andere groep machtshebbers om er een staatsreligie van te maken.

De ontwikkeling van een evenwichtige spiritualiteit

die ons stimuleert om te leven en ons tevens helpt om onze sterfelijkheid en de dood te aanvaarden.

Elk mens heeft bruikbare spirituele waarden nodig om zijn motieven en keuzes aan af te wegen. Als tegengewicht voor de confrontaties en uitdagingen van het leven, hebben we nood aan een visie op de aard van het leven, aan antwoorden op de belangrijkste levensvragen (‘Wat is de zin van het leven?’; ‘Wat gebeurt er als we dood gaan?’; ‘Wat is ons ontwikkelingsdoel?’) die op zijn minst logisch aanvoelen en plausibel zijn. Alle spirituele gedachtegoed vormt een schakeltje in een nooit eindigende zoektocht naar de waarheid achter die vragen, zonder dat we ooit zeker kunnen zijn dat de antwoorden hierop definitief en volkomen juist zijn. Wat na verloop van tijd wel duidelijk wordt, is welke antwoorden uit het verleden hun doel voorbij blijken te schieten. Telkens een oud antwoord - en dus ook een oud spiritueel idee - wordt ontkracht, ontstaat er een zoektocht naar nieuwe antwoorden, naar alternatieve spirituele waarden ter vervanging van de oude. Met een spirituele leegte kunnen we immers niet leven.

Het wordt hoe langer hoe duidelijker dat spirituele systemen die de waarde van het aardse leven bagatelliseren en afdoen als een illusie waar we vanaf moeten zien te geraken (bv het Boeddhisme) of als een negatieve plek vol negatieve verlangens waarvan we dienen los te komen (bv het middeleeuwse christendom) ons meer kwaad dan goed doen. Al wie zich van het aardse aspect van het leven afkeert of het negeert, krijgt vroeg of laat af te rekenen met een terugslag.

Anderzijds zijn de waarden van het wetenschappelijk rationalisme (wat we eveneens als een spiritueel systeem kunnen beschouwen) al even extreem in de tegenovergestelde richting doorgeschoten. Enkel en alleen in functie van het aardse hier en nu leven, in de veronderstelling van een totale afwezigheid van andere belevingswerelden, reïncarnatie, een leven na de dood en ontwikkelingsprocessen die dit ene leven overstijgen, is even vernietigend voor ons geestelijk welzijn als het afwijzen van de aarde.

In het ene uiterste worden we gestimuleerd om ons enkel te richten op een zijnstoestand na de dood, in het andere uiterste om ons zo lang mogelijk vast te klampen aan het zogenaamd enige aardse leven dat we hebben. Het eerste leidt tot een onvermogen om het leven in al zijn intensiteit te beleven, het tweede tot angst voor de dood en een obsessie met onze sterfelijkheid.

Om als mens een evenwichtig leven te leiden, periodes van geluk te kennen en over het algemeen te kunnen voelen dat het leven zin heeft, hebben we zowel nood aan het aardse leven beleven via wat ons lichaam ons te bieden heeft, als aan een ruimer perspectief waarin het voortbestaan na de dood wordt erkend. Zonder dat laatste valt elk mens vroeg of laat ten prooi aan nihilisme, vertwijfeling of doodsangst. Spirituele waarden die ons het vertrouwen geven dat wat we nu leren en beleven zinnig is, die uitgaan van een continuïteit van ons bewustzijn en onze ontwikkelingsprocessen over de grenzen van de dood heen, geven ons tevens ruimte om onze levens te leven en te beleven, soms met vallen en opstaan, vaak met pijn en lijden, maar evengoed met hoop, voldoening, genot en levensvreugde.

De ontwikkeling van evenwichtige spirituele waarden die ons helpen om zowel het leven als de dood te aanvaarden, vormt m.i. een van de belangrijkste pionierswerken van de mensheid. Ik hoop dat mijn werk hiertoe een blijvende bijdrage kan vormen.

***********************************************************************************

Deze hoofdstukjes vormen een voorpublicatie uit 

Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 1: Onze Erfenis van Moeder Aarde

Een overzicht van mijn gepubliceerde boeken vind je op www.henkcoudenys.be

vrijdag 23 februari 2024

Darwin en Karma - Is er een verband tussen de evolutieleer en het concept karma?

 

Darwin en karma

Is er een verband tussen de evolutieleer en het concept karma?

Van zodra de naam Darwin genoemd wordt, weet iedereen dat het over de evolutietheorie gaat. Het volgende zinnetje dat door ieders hoofd gaat is ‘the survival of the fittest’, wat niet zelden vertaald wordt als ‘de wet van de sterkste’. Charles Darwin had het oorspronkelijk over ‘the survival of the best fitting’ waarmee hij bedoelde dat wie het best was aangepast aan de heersende of de veranderende levensomstandigheden, het meest kans had om te overleven. Een invloedrijke tijdgenoot van hem verbasterde dit tot ‘the survival of the fittest’ daarmee suggererend dat de meest fitte en sterke exemplaren van een soort het meest kans maakten om te overleven. En dit opende de weg voor nog meer misvattingen, zoals de legitimatie van theorieën over rassen- en klassensuperioriteit.

Nochtans had Darwin het bij het rechte eind met zijn oorspronkelijke formulering: de kern van de evolutieleer draait om aanpassingsvermogen, niet om de mate van kracht of vitaliteit op zich. Een zeer plastisch voorbeeld hiervan zien we in totalitaire samenlevingen:

Samenlevingen die geregeerd worden door een dictatoriale alleenheerser en zijn acolieten, worden gekenmerkt door een heersende klasse die vooral uitblinkt in agressie, corruptie en gebrek aan empathie. Zij maken het meest kans om te overleven, zolang hun alleenheerschappij overeind blijft tenminste. Maar zijn dat de meest vitale mensen in hun samenleving? Zijn zij de sterksten? Het gaat vrijwel altijd om mensen met een psychische handicap (gebrek aan empathie!) en ernstige persoonlijkheidsstoornissen zoals paranoia, grootheidswaanzin en psychopate neigingen. Dit alles gaat zeer vaak gepaard met een decadente levensstijl en alle bijbehorende lichamelijke kwalen en zwakheden. Door hun manier van zijn, zijn ze echter het best aangepast aan functioneren aan de top van een repressief systeem.

Diezelfde samenlevingen worden gekenmerkt door een groot percentage aan volgzame mensen die zich aanpassen aan en neerleggen bij het onrecht. Daardoor maken ze het meest kans om te overleven. Ook zij zijn niet de sterkste en de meest fitte elementen uit die samenleving maar de best aangepaste.

De sterkste en meest vitale onderdanen van een dictatoriaal regime, zijn diegenen die intelligent en moedig genoeg zijn om het onrecht aan te klagen en die fit genoeg zijn om hier ook fysiek tegen in opstand te komen. Zij maken echter weinig kans om te overleven, want ze worden systematisch vervolgd door de heersende klasse. Enkel in de zeldzame gevallen dat een dergelijk regime omver wordt geworpen, maken de sterke en geestelijk fitte mensen die de revolutie overleven meer kans om te overleven en nakomelingen op de wereld te zetten. Op dat ogenblik zijn zij het best aangepast aan de nieuwe situatie, daar waar ze voordien de minst aangepasten waren met de kleinste overlevingskans.

Als we het hier over Darwiniaanse evolutie hebben, dan gaat het wel degelijk over het aanpassingsvermogen van de mens, niet over zijn fysieke kracht, agressie en /of vitaliteit. Dat een agressieve menselijke ingesteldheid tot evolutionair voordeel zou leiden, is een grove misvatting. Elk voordeel op korte termijn dat hier soms het gevolg van is, is de voorbode van gigantische nadelen op lange termijn. Belangrijk hierbij dat een duurtijd van enkele eeuwen binnen het begrip ‘korte termijn’ valt als we het over de evolutie van langlevende soorten hebben. Met lange termijn wordt hier op minstens enkele duizenden jaren bedoeld. Met deze opmerking in gedachten kunnen we helderder kijken naar wat er de voorbije paar duizend jaar is in gang gezet, namelijk het ontstaan van imperialistische, kapitalistische, patriarchaal geleide samenlevingen die zowel de andere menselijke samenlevingsvormen onmogelijk maken als het met respect samenleven met de andere levensvormen op aarde. Resultaat: de mensheid loopt het risico zichzelf te vernietigen en in zijn val het gros van al het andere leven op aarde mee te sleuren. Voorbeelden hiervan zijn:

  • De oorlogen die steeds vernietigender van karakter worden, met als apocalyptisch beeld bij uitstek het gebruik van kernwapens, waardoor de wereld op slag onleefbaar zou worden voor de meeste soorten die nu bestaan, de mens inbegrepen.

  • De extreme wereldwijde milieuvervuiling en habitatvernietiging waarmee we het onszelf onmogelijk dreigen te maken om op lange termijn als soort te blijven floreren.

De mensheid is even goed onderhevig aan natuurlijke selectie als alle andere levensvormen op aarde, Tezelfdertijd speelt de mens ten opzichte van veel van de andere levende wezens in onze huidige tijd een erg bepalende rol: zij die zich het best weten aan te passen aan hoe wij de wereld inrichten, maken momenteel immers de meeste kans om te overleven. Wat dat betreft is de mens uitgegroeid van een klein radertje tot een groot tandwiel in het functioneringsmechanisme van het Aardewezen.

Maar als het over evolutie en selectie gaat binnen de menselijke populatie, dan gaat het al lang niet enkel meer over louter lichamelijke kenmerken en de achterliggende genetica. De selectieve druk ligt bij ons vooral op gedragskenmerken en ingesteldheid, op cultuurelementen dus. De genetische basis hiervoor is hierbij niet de meest bepalende factor omdat deze bij de meeste mensen zodanig breed is dat er een zeer breed spectrum aan mogelijke gedragspatronen tot uitdrukking kunnen komen, zowel deze die op een egoïstische en asociale ingesteldheid gebaseerd zijn als deze die respect, solidariteit en altruïsme als basis hebben. Wat tot uitdrukking komt en wat niet, wordt grotendeels bepaald door de cultuur waarin men opgroeit en de individuele ervaringen die men opdoet.

Dit wil overigens niet zeggen dat er geen genetische kenmerken zouden zijn waarop natuurlijke selectie van toepassing zou zijn. Ik denk hier bv aan autisme, hoogsensitiviteit en aan psychopathie. Deze extreme vormen van anders functioneren dan de gemiddelde mens, hebben wel degelijk een genetische basis en hierop weegt de natuurlijke selectie.

Op korte termijn (pakweg de voorbije tienduizend jaar) heeft de natuurlijke selectie in het voordeel gespeeld van psychopathie en in het nadeel van hoogsensitiviteit. Hiërarchisch georganiseerde patriarchale maatschappijvormen worden in veel gevallen geleid door mensen met een psychopate persoonlijkheidsstructuur. Zij kennen zichzelf allerlei voordelen toe variërend van exclusieve materiële welstand tot het alleenrecht op voortplanting. Maar op lange termijn wordt hierdoor het sociale weefsel zodanig ontwricht dat samenleven en samenwerken onmogelijk dreigt te worden en er terug dringend nood is aan empathie om als groep te kunnen overleven. Komt daarbovenop nog het gebrek aan respect voor het leefmilieu en de andere levensvormen die eigen is aan psychopathie en dan zien we dat dit leidt tot een gigantisch evolutionair nadeel op lange termijn1.

Wat hoogsensitiviteit betreft zien we de tegenovergestelde dynamiek: honderdduizenden jaren lang was deze menselijke eigenschap evolutionair voordelig. Hooggevoeligen zijn immers beter in staat om samen te werken en om intuïtief contact te houden met groepsleden die zich op verre afstand bevinden dan de gemiddelde mens. Onder de patriarchale régimes van de laatste tienduizend jaar, vormt de ingesteldheid van hoogsensitieve mensen echter een bedreiging voor de gevestigde hiërarchieën en het bijbehorende korte-termijndenken dat tot uitputting van de aardse hulpbronnen leidt naast nog heel wat andere negatieve gevolgen. Bijgevolg komen hoogsensitieven vaak in de hoek te staan waar de klappen vallen. Recent is er echter een tendens die weer in de omgekeerde richting gaat, omdat hoogsensitiviteit nu eenmaal een voordeel is bij het oplossen van de wereldwijde problemen die veroorzaakt zijn door de dominantie van door psychopaten geleide culturen.

Het is ook niet zo dat de natuurlijke selectie gebeurt ten opzichte van ofwel cultureel bepaalde patronen ofwel genetische aanleg. Er is een grote interactie tussen de twee. Twee voorbeelden:

  • Mensen met autisme zijn genetisch in de onmogelijkheid om met heftige emoties om te gaan. Ze ontwikkelen daardoor allerlei strategieën om emotionele confrontaties te vermijden en installeren als het ware een emotie-afschermende cocon. Hierdoor kunnen ze blijven functioneren in situaties waarin andere mensen door hun emoties overmand zouden worden.2 Naarmate een samenleving meer niches creëert waarin deze manier van functioneren een voordeel is, halen meer autisten voordeel uit hun afwijkende functionaliteit. Typische sociale niches die hen voordeel bieden zijn het leger, waar ze het houvast van starre regels krijgen, administratieve jobs waarbij even starre regels gevolgd moeten worden, wetenschappelijk onderzoek en topchirurgie. Bij de laatste twee zijn emoties ongewenst omdat ze de rationele denkprocessen verstoren en in beide gevallen is er daarenboven waardering voor obsessieve interesses in een erg afgebakend vakgebied.

  • In de oorspronkelijke kleinschalige samenlevingen waar iedereen elkaar kende en nodig had, werd psychopathie niet geduld. Mensen die met deze eigenschap geboren werden, pasten zich noodgedwongen aan de heersende normen en waarden aan, zo niet werden ze uitgestoten. Hierdoor kwam hun psychopathie ook minder tot uitdrukking.

Mijn persoonlijke definitie van karma is: je trekt datgene aan wat je nodig hebt om te blijven evolueren. Dit kan gaan over stimulansen en kansen, om mogelijkheden die jou de kans bieden iets nieuws bij te leren of je ergens verder in te bekwamen. Maar even goed gaat het om het aantrekken van confrontaties waardoor je genoodzaakt wordt om de draad terug op te pikken van leerprocessen waarop je geblokkeerd was. Karma zorgt ervoor dat we niet kunnen blijven stilstaan en voortdurend blijven evolueren. Hierbij gaat het zowel om louter aardse thema’s zoals leren met het lichaam omgaan en het overlevingsinstinct ontwikkelen, als om zeer Wezenlijke thema’s zoals de ontplooien van de intuïtie, het ontwikkelen van creativiteit en het opbouwen van kennis.

Wat de mensheid als geheel vanuit karmisch oogpunt aantrekt is de kans en de stimulans om ontwikkelingen door te maken op aarde. De aarde biedt ons kansen van diverse aard: de louter aardegebonden kwaliteiten die we hier kunnen ontwikkelen zijn voor heel veel Wezens nieuw en vormen dus een karmische uitdaging; de mogelijkheid om Wezenlijke kwaliteiten neer te zetten op aarde, geeft een nieuwe dimensie aan wat we in Wezen reeds aan vaardigheden en kennis hadden ontwikkeld voordat we ons met de aarde verbonden. Creativiteit is hierbij de drijvende kracht. Ook het ontwikkelen van die creativiteit vormt een karmische uitdaging. De karmisch gestuurde groeiprocessen van individuele mensen, vormen de motor achter de evolutie van de mensheid als geheel.

Terug naar Darwin. Welke mensentypes hebben het meest persoonlijk succes en geven dus het gemakkelijkst hun genen en hun cultuur door aan de volgende generaties? Een eerste categorie zijn de mensen die beantwoorden aan de van cultuur tot cultuur verschillende normen voor schoonheid en vitaliteit. Een tweede categorie zijn diegenen die in staat zijn om leiding te geven in moeilijke omstandigheden of die een imago creëren waar een uitstraling van kracht, superioriteit en macht aan vast hangt. Zij hoeven er niet eens goed uit te zie (al is dat ook een pluspunt), als ze de schijn maar kunnen ophouden van rijkdom, macht en invloed, komen ze wel aan de bak. Dat laatste is een typisch fenomeen van recente tijden. En tenslotte heb je de mensen die uitblinken in Wezenlijke ontwikkeling op creatief, sociaal en/of intellectueel vlak. Bij deze categorie verdwijnen de uiterlijke kenmerken soms helemaal op de achtergrond zonder dat dit afbreuk doet aan hun aantrekkelijkheid als partner, al geldt ook voor hen dat conform zijn aan de heersende schoonheidsnormen een pluspunt is.

De natuurlijke selectie ondersteunt op lange termijn de karmische leerprocessen die van zuiver aardse aard zijn. Schoonheidsnormen zijn weliswaar lang niet altijd identiek aan deze voor gezondheid en lichamelijke vitaliteit, maar dat wordt er wel onbewust op geprojecteerd. Deze normen evolueren overigens mee met de mate waarin onze kennis over lichamelijke gezondheid groeit.

Het middeleeuwse schoonheidsideaal van een bleke huid – wat wees op voldoende welstand om niet in de zon te hoeven werken – is bv al lang verlaten, evenals het ideaal van de extreem magere vrouw uit de vorige eeuw. De huidige normen komen dichter bij deze die op gezondheid wijzen: een slanke, gespierde lichaamsbouw met een huidskleur die duidt op voldoende tijd die in de buitenlucht wordt doorgebracht.

Mensen met leidinggevende kwaliteiten zijn vaak de trekkers van maatschappelijke evoluties die ieders ontwikkelingskansen ten goede komen.

Narcisten, machiavellisten en psychopaten die een schijn van kracht en leiderschap neerzetten (ondanks vaak erg weinig inhoud) kunnen op korte termijn bogen op een groot voortplantingssucces en ook hun ingesteldheid gaat er op grote schaal in als zoete koek. Op lange termijn echter dragen ze slechts bij tot de potentiële zelfvernietiging van de mensheid. Vanuit de karmische wetmatigheden bekeken gaat hun korte-termijnsucces hand in hand met het karmisch aantrekken van confronterende leerprocessen. Een voorbeeld:

Een veelvoorkomend karmisch leerproces dat louter met de integratie van onze aardse kant te maken heeft, is het leren accepteren van en omgaan met grenzen. Elk menselijk en ander Wezen heeft in oorsprong de ervaring gehad een deel te zijn van een Groot Geheel en heeft daarbij een verweven bewustzijn ervaren waarin geen sprake was van grenzen. Als mens op aarde functioneren, is daarentegen een erg moeizame bedoening indien je niet over een besef van eigen grenzen beschikt. Het karmisch aantrekken van een levenssituatie waarin je gedomineerd wordt door een narcist die jouw grenzen niet respecteert, staat ten dienste van het aanpakken van dit groeiproces. Een narcist is iemand die tijdens vorige incarnaties evenmin voldoende besef van zijn eigen grenzen had en daardoor zodanig vaak aan de slachtofferkant van de samenleving terechtkwam dat hij een schaduwdeelpersoonlijkheid heeft opgebouwd die nu zelf wil domineren. De positieve intentie van deze Schaduw is het slachtofferschap te doorbreken. In zijn huidige incarnatie maakt hij deze positieve intentie waar door zelf te domineren. Maar daarmee lost hij zijn probleem nog niet op; dat kan immers pas als hij zijn karmisch leerproces aangaat en op een verantwoorde manier met zijn eigen grenzen en die van anderen leert omgaan. Dit leerproces houdt een traject in dat meerdere opeenvolgende levens in beslag kan nemen. Zowel de narcist als zijn slachtoffer worden door de confrontatie met elkaar met hetzelfde leerthema geconfronteerd. Het feit dat ze elkaar aantrekken is in die zin karmisch.

Ook bij karma geldt in het bovenstaande geval dat wat op korte termijn voordelen lijkt op te leveren, leidt tot problemen op lange termijn. En deze problemen moeten vroeg of laat aangepakt worden. Om de link met de evolutietheorie nog duidelijker te maken, kunnen we ons voorbeeld meer in detail uitwerken:

De narcist was in dit geval een garagist en verkoper van tweedehandse auto’s. Zijn jeugdvriend kwam uit een kansarm gezin en werkte occasioneel voor hem. Door zijn onzekerheid op sociaal vlak, was hij maar moeilijk in staat om contacten te leggen en al helemaal niet met vrouwen. Hij bleef dan ook lang vrijgezel, terwijl zijn tegenpool (de garagist) al op jonge leeftijd huwde en kinderen had. Diens partner was een hoogsensitieve vrouw. Zoals zo vaak gebeurt, voelen narcisten zich sterk aangetrokken tot partners met een goed ontwikkeld empathisch vermogen. Als kind hebben ze geleden onder een gebrek aan emotionele betrokkenheid en dit moet gecompenseerd worden met onbegrensde aandacht voor hun persoon. En wie is beter in het aanvoelen van hun noden dan een hoogsensitief persoon?

Het huwelijk liep na verloop van tijd spaak en de vrouw zocht begrip en steun bij de verlegen jeugdvriend van haar man. Ze herkende in de verhouding tussen hem en haar man dezelfde scheefgroei als in haar eigen relatie. De gesprekken met haar waren voor de jeugdvriend de aanzet om therapeutische hulp te zoeken en stap voor stap zijn eigenwaarde op te bouwen en zijn eigen grenzen te leren respecteren. Ook tussen hem en de garagist kwam het hierdoor uiteindelijk tot een breuk.

Later nam de zoon de zaak van zijn vader over, maar hij verwierp het gebrek aan moraal waarmee zijn vader geld verdiende door zijn klanten op subtiele en minder subtiele manieren te bedriegen. Hij zette het bedrijf met succes verder vanuit een respectvolle ingesteldheid en zonder gesjoemel.

Wat we in dit voorbeeld zien, is een selectiemechanisme dat in het voordeel werkt van integere, Wezenlijke gedragspatronen. Op lange termijn geeft dit de mensheid het meeste kans om succesvol te blijven overleven op aarde. In dit voorbeeld gaat het niet om een genetische selectie, maar om een selectief voordeel voor een louter cultureel bepaalde ingesteldheid.

Vanuit een primitieve, instinctieve reflex worden mensen gemakkelijk aangetrokken tot zelfzekere persoonlijkheden die op een ontspannen manier leiderschapskwaliteiten aan de dag leggen. Of dit pretenderen. In kleinschalige samenlevingen vallen degenen die enkel maar de schijn hoog houden al snel door de mand, maar in een hiërarchisch georganiseerde grootschalige samenleving kan dit lang duren. Wanneer de ballon dan toch eindelijk doorprikt wordt, kunnen dergelijke figuren vaak niet zo snel van hun troon worden gestoten. Dus lijken ze een evolutionair voordeel te hebben: ze kunnen zich een comfortabel leven permitteren en trekken veel kansen aan om nakomelingen op de wereld achter te laten en om hun gedragspatronen aan de volgende generaties door te geven.

Maar naarmate meer mensen hun bedrog doorzien, groeit de groep die een Wezenlijke aversie voelt tegenover hun gedragspatronen. Zij worden net afgestoten door de lege schijn van rustig leiderschap en voelen walging in plaats van aantrekking. Op die manier groeit de groep van mensen die steun verlenen aan en zich aangetrokken voelen tot integere en bescheiden medemensen met leidinggevende kwaliteiten, bij wie deze kwaliteiten gebaseerd zijn op verantwoordelijkheidsbesef, bekwaamheid en empathie. Hierdoor ontstaat er langzaam maar zeker een verschuiving wat betreft het evolutionair voordeel en komen de narcisten en aanverwanten in de hoek terecht van de verstotelingen, terwijl integere en gewetensvolle mensen steeds betere overlevingskansen krijgen en hun invloed op de volgende generaties laten gelden.

Tegenovergestelde voorbeelden zijn nog steeds legio in onze kapitalistische maatschappij, waarbij op egoïsme gestoelde gedragspatronen doorgegeven worden. Op korte termijn lijken deze tot meer overlevingssucces te leiden, maar op lange termijn worden hierdoor de overlevingskansen van de mensheid als geheel ondergraven. De tegenreacties hierop komen er onder impuls van Wezenlijk inzicht in hoe het leven op aarde zichzelf heeft georganiseerd en onder invloed van karmische leerprocessen. Via Wezenlijke keuzes evolueert op lange termijn ook het menselijk instinct en komt het meer en meer in harmonie met onze Wezenlijke waarden. Mensheid en Aardewezen groeien zodoende naar elkaar toe.

Zoals gezegd gaat het bij de evolutie van de mens al lang niet meer om louter genetische variatie waarop geselecteerd wordt, maar om een selectie van culturele waarden en de bijbehorende gedragspatronen. Darwiniaanse selectie leidt bij menselijke populaties tot een voordeel op lange termijn voor die culturele ingesteldheid die de mensheid niet alleen nu maar ook in de verre toekomst de meeste overlevingskansen biedt. Wie een levenssteil ontwikkelt die gebaseerd is op degelijke inzichten in de ecologische samenhang op aarde en bijdraagt tot een cultuur die ernaar streeft om in evenwicht te leven met de andere levensvormen op aarde, draagt bij tot de aanpassing van de mensheid aan de aarde. Hieruit vloeien meer overlevingskansen uit voort én meer Wezenlijke ontwikkelingskansen. Op de lange termijn werken evolutie en karma dus in dezelfde richting.

Er is echter nog een onderbelicht aspect aan de evolutietheorie omdat hier in de tijd van Darwin nog weinig over geweten was, namelijk hoe de subtiele vormen van samenwerking tussen uiteenlopende levensvormen, de evolutie voortstuwen. Deze manifesteren zich vooral in stabiele ecosystemen, maar we vinden dit principe ook terug in een groep van de oudste en eenvoudigste landorganismen: de korstmossen.

  • Voorbeelden hiervan zijn oude bossen: in de wortelzone bevinden zich tal van mycelia (schimmelnetwerken) die de wortels van alle soorten bomen, struiken en kruiden die hier van nature samenleven met elkaar verbinden. Via dat netwerk worden voedingsstoffen en water verdeeld, van het ene individu naar het andere overgeheveld en onder verschillende soorten verdeeld. Waar de ene soort veel van heeft, wordt aan andere soorten doorgegeven die er weinig van hebben. Vergelijkbare voorbeelden vinden we in oude graslanden, heidegebieden en wellicht in nog veel andere ecosystemen.

  • Korstmossen zijn niet wat ze op het eerste zicht lijken te zijn. Eigenlijk zijn het een soort mini-ecosysteempjes waarin een laagje ééncellige groenwieren ingebed zit tussen twee lagen schimmeldraden. De wieren en de schimmels kunnen kunstmatig uit elkaar gehaald worden en elk afzonderlijk in leven blijven en zich voortplanten, maar gezamenlijk doen ze het beter. Hun samenwerking zorgt voor betere overlevingskansen want korstmossen zijn uitzonderlijk taai en tegen heel wat extreme omstandigheden bestand. Wat bij korstmossen op kleine schaal gebeurt, gebeurt in stabiele ecosystemen op grote schaal.

  • In dit rijtje horen nog andere samenwerkingsverbanden thuis zoals onze darmflora en onze huidflora. Hier gaat het om samenlevingsverbanden van bacteriën die in onze darmen ons eten helpen verteren en ons helpen gezond te houden. Op onze huid zorgen ze voor een beschermlaag. Zowel wij als de bacterieculturen zijn hierdoor beter aangepast aan het overleven op aarde.

  • We hebben het in een van de eerste hoofdstukken ook reeds gehad over het belang van de samenwerking tussen mensen en honden voor de evolutie van de mens. Ook dit is een voorbeeld van hetzelfde principe dat in de biologie symbiose wordt genoemd, een samenlevingsverband tussen verschillende organismen waar alle betrokken partners beter van worden.

Wat we hier dus zien is dat samenwerking over de grenzen van soorten heen voor alle betrokken organismen voordelig is, zowel om te overleven als om zich voort te planten en zich te verspreiden. Ecosystemen die op die manier functioneren, zijn veel flexibeler om verandering op te vangen dan de afzonderlijke soorten en dit komt de overlevingskansen op lange termijn van alle samenstellende soorten ten goede. Deze symbiotische samenwerking is een van de sterkste krachten die de evolutie voortstuwt. Daar waar de concurrentie van soorten onder elkaar en het individuele aanpassingsvermogen van soorten aan hun omgeving de stuwende kracht vormen achter de evolutie in jonge ecosystemen, wordt het belang van de symbiotische samenwerking tussen grote aantallen organismen steeds belangrijker naarmate de situatie ingewikkelder wordt en er steeds meer mogelijkheden tot samenwerking ontstaan. Hoe langer de aarde bestaat, hoe diverser het leven op aarde wordt en hoe groter het belang van deze tweede evolutiekracht wordt.

Dergelijke verregaande vormen van symbiotische samenwerking vertonen duidelijke parallellen met traditionele karma-opvattingen. Deze gaan er namelijk van uit dat karma de menselijke groei in de richting stuurt van samenwerking tussen alle mensen op basis van spirituele verbondenheid en empathie. In de biologische evolutietheorie gaat het om het in harmonie samen leven tussen organismen van verschillend pluimage, bij karma gaat het om het in verbondenheid en harmonie samenleven van mensen van verschillende culturen, rassen en standen. De logica hierachter is dat de aarde voor steeds meer mensen een verschrikkelijke plek wordt indien empathie uit onze samenlevingen verdwijnt. Empathische samenwerking daarentegen leidt tot het ontstaan van samenlevingen waarin mensen zich goed voelen. Bijgevolg blijven de betrokken Wezens gemotiveerd om te blijven reïncarneren en daardoor blijven ze ook evolueren. In het tegenovergestelde geval geraken menselijke Wezens gedemotiveerd en proberen ze hun verdere reïncarnatiecyclus te ontlopen, waardoor ook hun door de aarde gestimuleerde groeiprocessen stilvallen.

Hier komt nog bij dat mensen zich het best aarden en thuis voelen indien hun samenlevingen geïntegreerd zijn in een aards ecosysteem, waardoor er ze dus deel uitmaken van de symbiotische samenleving tussen alle levensvormen in het ecosysteem.


We kunnen de link tussen de evolutietheorie en karma ook vanuit een filosofisch oogpunt benaderen. Het uitgangspunt hierbij is dat het geheel van alles wat bestaat - dat we voor het gemak ‘het Opperwezen’ noemen - voortdurend in verandering is. Het innerlijke transformatieproces van dit allesomvattende geheel leidt automatisch tot even intense transformaties binnen de kleinere gehelen die er deel van uitmaken. Zowel mensheid als aarde zijn kleinere eenheden binnen dat oneindig grote geheel. Opbouw- en afbouwprocessen, voortdurende beweging en transformatie, zijn een absolute voorwaarde voor het ontstaan en in stand houden van bewustzijn. Zonder veranderingen vervaagt bewustzijn onherroepelijk tot het uitdooft. En dat is blijkbaar niet de richting waar het Grote Geheel voor kiest3. Het kiest duidelijk voor een voortdurende verversing van het bestaande bewustzijn onder invloed van diversifiëring, groei en transformatie. Bijgevolg ontstaan er wetmatigheden (evolutie en karma) waaraan de kleinere gehelen (Aarde en Mensheid ) onderhevig zijn en die een logisch uitvloeisel zijn van die keuze. Karma leidt tot een aanpassing van de mensheid aan de keuze van het Opperwezen om voortdurend te blijven evolueren. Darwiniaanse evolutie is de vertaling van diezelfde keuze met betrekking hoe het leven op aarde zich ontwikkelt.

Wat karma betekent voor de mensheid, betekenen de evolutiewetten voor de levende planeet aarde.

1 Meer hierover lees je in Karmische Psychologie 4, Boek III: Narcisme en Psychopathie

2 Zie mijn boek Autisme en Vorige Levens (ISBN 9789077101148)

3 Zie Henk Coudenys: ‘De Pijn van het Opperwezen’ (ISBN 9789077101 049)

***********************************************************************************

Deze tekst is een voorpublicatie uit 

Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 1: Onze Erfenis van Moeder Aarde

Een overzicht van mijn gepubliceerde boeken vind je op www.henkcoudenys.be

donderdag 25 januari 2024

Onze emotionele erfenis van Moeder Aarde

 

Karmische Psychologie


Deel 4 ~ Aarde & Schaduw


Boek I: Onze Erfenis van Moeder Aarde


Inleiding

De planeet Aarde vormt slechts een minuscuul stipje in het gigantische heelal en de dominante diersoort op aarde die zichzelf ‘mens’ noemt, waart hier nog maar net rond in verhouding tot de gigantische hoeveelheid tijd die reeds verstreken is sinds het ontstaan van het heelal. Desondanks beleeft elk individueel mens zichzelf als het middelpunt van het universum en het brandpunt van het bestaan, ondanks de beperkte duur van een mensenleven en het beperkte bereik van het menselijk bewustzijn. Voor deze serieuze discrepantie tussen de realiteit en de beleving ervan bestaat maar één verklaring: we zijn nu eenmaal menselijke Wezens, geïncarneerd op aarde, met een bewustzijn dat op die manier functioneert.

De menselijke persoonlijkheid is grofweg opgebouwd uit twee verschillende groepen van kenmerken: deze die louter aan de aarde gekoppeld zijn en deze die dat niet zijn. De niet-aardse componenten noemen we ‘Wezenlijk’. Ze bestaan onafhankelijk van de beleving van het lichaam en van het besef van lineaire tijd. Het gaat onder meer om spiritualiteit, intuïtie, creativiteit, diep verbondenheidsbesef en relativeringsvermogen. Via de werking van de hersenen worden deze kenmerken wel vertaald in typisch menselijk gedrag en afhankelijk van de omstandigheden al even vaak afgeremd, maar eens we sterven en ons lichaam verlaten, blijven ze deel uitmaken van onze Wezenlijke persoonlijkheid.

Dat geldt niet voor de lichaamsgebonden persoonlijkheidsaspecten die we gemeen hebben met de andere levende wezens op aarde: onze instincten en persoonlijke emoties en alle drijfveren die daaruit voortvloeien. Ze stimuleren ons om in leven te blijven, ons voort te planten en ons leven vorm te geven. Maar nadat we gestorven zijn en ons lichaam hebben verlaten, hebben deze kenmerken geen waarde meer, tenzij in het licht van een volgende incarnatie.

Veel van onze concrete verwezenlijkingen staan bijgevolg in functie van het overleven en van de drang om ons voort te planten. Daarnaast zetten we heel wat neer dat ten goede komt aan onze mogelijkheden tot zelfontplooiing..

Over deze aspecten gaat het in ‘De Erfenis van Moeder Aarde’: over hoe onze aardse component inwerkt op onze Wezenlijke helft en vice versa, over de interactie tussen onze aardse instincten, onze lichaamsgebonden emoties en onze cultureel bepaalde drijfveren enerzijds en ons Wezenlijk verbondenheidsbesef en relativeringsvermogen ten opzichte van al het aardse anderzijds. Het gaat ook over hoe zowel de aarde als de mensheid hierdoor evolueren.

Het Wezenlijke is geen uniek menselijk gegeven. Ook andere levensvormen op aarde zijn behept met een Wezenlijke component en ervaren op hun manier diepe verbondenheid en creatieve intelligentie. Andere soorten zijn net als de mens in staat het leven los te laten indien hun tijd hier op aarde over is. Dit duidt op relativeringsvermogen. Bij de mens lijkt de Wezenlijke component echter een hogere vlucht te nemen dan bij andere soorten, voor zover we tenminste in staat zijn dit waar te nemen en te beoordelen. We weten immers niet wat pakweg een vliegenzwam, een regenworm, een paling, een zeekoraal of een lindeboom innerlijk beleven. We kunnen slechts oordelen op basis van wat we andere levensvormen zien doen.

Maar stel je eens voor dat bv de slaplanten, sparren, kippen en koeien om ons heen ons beoordelen, enkel en alleen op ons gedrag, zouden ze dan het Wezenlijke in de mens herkennen of zouden ze vooral getroffen worden door ons instinctief gedrag waarin ze niet bijster veel empathie van ons ten opzichte van henzelf en andere levende wezens zouden herkennen? We behandelen veel levensvormen immers alsof ze niet eens leven, laat staan alsof ze een bewustzijn, emoties en gevoelens zouden hebben.

Of we dat nu leuk vinden of niet, zo zijn we nu eenmaal. Mensen gedragen zich zoals hun menselijke natuur hen ingeeft, net zoals krokodillen of bladluizen ook maar de impulsen volgen die hun door hun aardse lichaam zijn ingegeven. Dus zagen we bomen om, kweken we massaal kippen en varkens om ze koudweg te slachten en tot voedsel te verwerken (waarin we het leven amper nog kunnen herkennen), rijten we de bodem uiteen om er gewassen in te zaaien die we voor onszelf gebruiken, terwijl we andere soorten gedachteloos vernielen. We vechten, zijn jaloers, planten ons voort, leven op de impulsen van primitieve emoties, lijden en veroorzaken lijden. Daarin zijn we niet beter of slechter dan andere aardse levensvormen. Snelgroeiende bomen verstikken immers ook de trage groeiers, mieren houden bladluizen in slavernij en melken hen, katten eten muizen, beren eten vissen, vissen eten andere vissen, virussen en bacteriën eten alles en iedereen. Ze veroorzaken ziekte, pijn en emotionele ellende en zijn daarin niet slechter dan mensen. Ze leven zoals ze geschapen zijn. Wij leven zoals we geschapen zijn.

En wie zijn wij om onszelf of andere levensvormen hiervoor te veroordelen? We zijn immers slechts zeer kleine stipjes ten opzichte van de oneindige grootheid van het heelaal en de uitgestrektheid van de tijd. We zijn maar een klein onderdeeltje van het Grote Geheel dat alles omvat Ons bewustzijn is een fragment van het Eenheidsbewustzijn, het overkoepelende bewustzijn dat uit de interactie bestaat tussen alle bewustzijnsvormen, zowel deze van de aarde als deze van elders. En dat ‘elders’ is gigantisch in verhouding tot de aarde en al zeker ten opzichte van de mensheid.

Anderzijds behoort het even goed tot onze natuur om als sociale wezens zorgzaam te zijn voor elkaar, empathisch om te gaan met elkaar en onze directe omgeving, om morele waarden en rechtvaardigheidsbesef te ontwikkelen. Ook daarin zijn we niet alleen: het zijn eigenschappen die we delen met andere sociale levensvormen. Zowel sociale zoogdieren, sociale insecten als myceliumnetwerken (zwammen), bomen, struiken en kleinere plantensoorten helpen elkaar om te overleven. Meer nog: in evenwichtige ecosystemen helpen alle samenstellende soorten elkaar om beter te gedijen.


Onze biologische evolutie als mens, als deel van de ecologische kringloop van de aarde, heeft ons met heel wat reflexen opgezadeld die weliswaar zinnige bijdragen leveren tot onze kans om als soort te overleven, maar die niet altijd leiden tot een even Wezenlijke omgang met elkaar. We moeten dankbaar zijn voor deze reactiepatronen, maar er tegelijkertijd omzichtig mee omgaan. Maar we moeten er vooral op een andere manier mee leren omgaan dan hoe de grote religies het van ons verlangen. We kunnen onze aardse kant niet volledig wegduwen, negeren, amputeren of vernietigen. Het leveren van dat soort zinloze gevechten kost ons onnodig veel energie, energie die we nodig hebben om opbouwend werk te verrichten. Het is met onze innerlijke natuur zoals met de natuur om ons heen: we moeten ermee leren samenleven en samenwerken. Het Wezenlijke en het aardse in ons moeten elkaar telkens opnieuw ontdekken en zich steeds beter aan elkaar aanpassen.

************************************************************************************
Deze tekst is een deel van de inleiding van mijn volgende boek: Karmische Psychologie Deel 4: Aarde en Schaduw, Boek 1: Onze erfenis van Moeder Aarde (verschijnt in 2024)