zaterdag 5 september 2026

Bewuste en onbewuste aspecten van de opvoeding

 

Bewuste en onbewuste aspecten van de opvoeding

De sterke psycho-energetische vermenging die reeds vanaf het prille begin bestaat tussen ouders en kind, staat geheel in functie van de opvoeding. In een vorig hoofdstukje is de onbewuste emotionele beïnvloeding tijdens de embryonale fase reeds aan bod gekomen*. Dit is één van de onbewuste aspecten van de opvoeding.

In de praktijk leidt het sterke emotionele contact tussen moeder en kind tot intensieve intuïtieve communicatie (telepathie) tussen beiden. Vaak ontstaat deze onbewuste communicatie later ook tussen het kind en de andere opvoeders (vader, oudere broers en zussen, dagmoeders, grootouders). Op die manier wordt er heel wat informatie onbewust doorgegeven aan het kind, zoals de mate van zelfrespect van de ouders, de wijze waarop de ouders zich opstellen ten opzichte van de maatschappij en ten opzichte van elkaar, in hoeverre ze consequent zijn in woorden en daden en de mate van respect waarmee ze omgaan met materie, mens, plant en dier. De ingesteldheid van de ouders ten opzichte van elkaar heeft onder meer een grote invloed op de man-vrouwrelaties die een kind later zal aangaan. Dit alles leidt tot een onbewuste, telepathische beïnvloeding van het kind en in die zin levert het dus een belangrijke bijdrage tot de opvoeding.

Als een kind leert praten, dan gebeurt dit voor een groot deel via onbewuste telepathische beïnvloeding. Je kunt een kind bv wel bewust een appel tonen en ‘appel’ zeggen, maar heel veel begrippen uit onze taal zijn abstract en daar behoren toch ook woorden bij zoals ‘moe’ en ‘pijn’, die een kind vrij snel leert te begrijpen. Hoe kan het dat een kind abstracte zaken begrijpt als je ze niet kunt aanduiden? De enige logische verklaring is intuïtieve communicatie.

Slaappatronen en eetpatronen worden in de regel reeds overgenomen van de moeder tijdens de embryonale fase. Moeders in spe met een verstoord of onregelmatig slaappatroon geven dit door aan hun ongeboren kind. Zwangere vrouwen die meer en regelmatiger slapen dan ze gewoon zijn, geven dit patroon evengoed door. Hun kinderen zullen over het algemeen een regelmatiger slaappatroon vertonen. Avond- en nachtmensen geven dit patroon meestal door aan hun kind, ochtendmensen ook. In zeldzame gevallen neemt het kind een patroon van de vader over.

Zo was er bv het zoontje van een vrouw die zelf eerder een avondmens was, maar haar man was een uitgesproken ochtendmens die om 6 u klaarwakker uit bed stapte. Het zoontje ontwikkelde hetzelfde dag- en nachtritme van de vader, niet van de moeder.

In dergelijke gevallen is er wellicht sprake van een genetisch overdraagbaar patroon dat het kind van vaders zijde heeft geërfd en niet louter van een emotioneel/cultureel overdraagbaar patroon.

Wat eten betreft is er een wederzijdse beïnvloeding tussen moeder en ongeboren kind. Het kind neemt veel van de voedingsgewoontes van de moeder over, maar veel moeders eten onder invloed van het contact met hun ongeboren kind totaal anders dan als ze niet zwanger zijn. Enkele voorbeelden:

Tijdens de zwangerschap van mijn oudste zoon at zijn moeder gigantisch veel vlees en at ze regelmatig junkfood, terwijl ze daarvoor zo goed als vegetarisch at. Ze snoepte ook veel. Het kind werd een verstokte vleeseter, met sterke neigingen naar junkfood. In dit geval nam de moeder meer over van het kind dan omgekeerd.

Mijn jongste zoon at zeer graag zoute dingen, lustte geen zoet snoep (enkel bittere chocolade en ijsjes) en was onder meer dol op gerookte zalm, boterhammen met gomasio (geroosterde en gezouten sesamzaadjes), maar ook op vlees. Zijn moeder, die tot voor de zwangerschap zo goed als nooit vlees at, at zeer veel vlees tijdens de zwangerschap. Ze had daar toen geen negatieve effecten van (zoals eczeem), wat anders wel het geval was. Het kind nam veel van haar voedingspatronen letterlijk over, terwijl zij door hem werd beïnvloed om vlees te eten.

Je kunt een kind bewust nog zo veel aanreiken als je wil, als je je zelf anders gedraagt dan waar je je kind toe wil aanzetten, of als je daar niet consequent in bent, geef je in het beste geval een dubbelzinnige boodschap door. In dit geval is er heel veel kans dat het kind de bewuste boodschap naast zich neer legt en het onbewuste gedragspatroon of de onbewuste ingesteldheid overneemt. Opvoeden is dus ook een zaak van groeien in zelfkennis en in respect voor het leven. Je geeft immers altijd meer door van wie je bent, dan van wat je zegt of pretendeert te zijn.

Met andere woorden: je voedt je kind niet enkel op door bewust iets te doen, maar ook door te zijn. We zouden kunnen spreken van ‘passieve opvoeding’ (vanuit hoe je bent en hoe je je bijgevolg gedraagt) en ‘actieve opvoeding’ (datgene wat je je kind bewust aanreikt).

Via deze rechtstreekse invloeden van de ouders op hoe het kind zich voelt en gedraagt, is er een sterke invloed op de groei en de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind.

Naast de onbewuste aspecten van de opvoeding hebben we uiteraard datgene wat bewust wordt aangereikt: raadgevingen, richtlijnen, ge- en verboden. Dit is de opvoeding in de beperkte zin van het woord.

Bij de opvoeding van kinderen dienen we rekening te houden met de specifieke vereisten die elke levensfase met zich meebrengt:

  • De embryonale fase: voor de geboorte speelt enkel de onbewuste beïnvloeding een rol.

  • De babytijd: de onbewuste emotionele invloed blijft de belangrijkste. De opbouw van de basisveiligheid is anderzijds niet alleen van positieve emoties afhankelijk, maar vooral van de aanwezigheid (letterlijk) en de aanraking van de ouders (vooral van de moeder) of de vervangouders en van de snelheid en efficiëntie waarmee gereageerd wordt op de noden van het kind.

  • De peutertijd: door de toenemende mobiliteit van het kind wordt het tijdens deze fase nodig om op een subtiele wijze te beginnen met het aanreiken van grenzen. Hier begint dus de bewuste opvoeding.

  • De kleutertijd: naast het aanreiken van grenzen houdt de bewuste opvoeding nu ook de mogelijkheid in om het kind te leren spreken, te leren omgaan met zijn leefwereld (met voorwerpen en mensen, eventueel ook met dieren) en om het op creatief vlak te stimuleren.

  • De lagere-schooltijd: een bijkomend element in deze fase is dat aan kinderen vanaf nu aangeleerd kan worden hoe ze met verschillende soorten situaties om moeten gaan, die verschillen in gedrag en attitude vereisen. De sociale situaties waarmee ze geconfronteerd worden, worden immers steeds diverser. Hierdoor krijgen ze tevens meer kansen om zich te ontplooien. Het stimuleren van het vermogen om kennis te verwerven en te integreren, alsook de stimulans om de motorische vaardigheden verder te ontwikkelen, maken nu een belangrijk deel van de opvoeding uit. Maar deze verantwoordelijkheid wordt voor een groot deel door de scholen gedragen.

  • De tienertijd & puberteit: naast de bewuste opvoeding moet er langzaam maar zeker plaats gemaakt worden voor het uitwisselen van meningen op basis van gelijkwaardigheid, maar enkel met betrekking tot onderwerpen waarin de tiener zich wijs en redelijk opstelt. Aangezien de kritische beoordeling voor een puber een belangrijke rol speelt in zijn innerlijke groei, is de onbewuste pool van de opvoeding des te belangrijk in deze fase. Moreel gezag behoudt je als ouder ten opzichte van je kind nu alleen nog als je consequent blijkt te zijn in denken en handelen.

  • De adolescentie: tijdens deze fase dient de bewuste opvoeding vervangen te worden door enkel nog overleg op basis van gelijkwaardigheid. Indien dit niet mogelijk is, is het kind misschien wel qua leeftijd een adolescent, maar qua mentaliteit nog een puber. Gaat deze verlengde puberteit niet voorbij, dan dien je als ouder op een gegeven moment je handen af te trekken van de opvoeding om je kind met vallen en opstaan in de maatschappij te laten meedraaien. Een puber van bv dertig jaar oud blijven bemoederen en berispen heeft geen enkele zin. Het zijn de maatschappij en het leven zelf die nu de verdere opvoeding op zich moeten nemen.

Opvoeden is dus vooral erg belangrijk in de periode dat het ego zich nog aan het vormen is. Tot en met de peuterfase is het ego meestal nog te rudimentair ontwikkeld om vergaande bewuste invloeden te kunnen opnemen. Vanaf de kleutertijd ontstaat hier meer ruimte voor en kan het ego stelselmatig meer bewuste invloeden verwerken. Vanaf de puberteit zien we zowel een sterke expansie van het ego als een doorbraak van Wezen en schaduwdeelpersoonlijkheden. Er is nog steeds ruimte voor invloeden van buitenaf, maar deze worden afgewogen aan de invloeden van binnenuit, namelijk deze van het eigen Wezen en van de sterk ontwikkelde innerlijke schaduwdeelpersoonlijkheden.

Een kind dat volledig in de greep is van één enkele vorige-levenspersoonlijkheid zal tijdens de eerste levensjaren erg moeilijk op te voeden zijn. In dit geval hebben we dan ook niet te maken met een ongevormd ego, maar met een oud en volledig gevormd ego uit een vorig leven, dat zich nu beperkt weet door een kinderlijfje. In dit geval ontstaat er meestal meer ruimte voor bewuste opvoeding vanaf de lagere-schooltijd omdat tijdens die ontwikkelingsfase de dominantie van het ego uit een vorig leven op de zich nieuw ontwikkelende ik-persoonlijkheid doorbroken wordt. 

* Zie 'Echoes uit de baarmoeder', blog van 22 maart 2026

*******************************************************************************

Deze tekst is een hoofdstukje uit  Karmische Psychologie 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding, boek I: Opgroeien en Opvoeden)  

Recent werden van Karmische Psychologie de volgende delen gepubliceerd:

Onze Erfenis van Moeder Aarde (ISBN 978-90-77101-19-3) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek I

De Integratie van de Schaduw (ISBN 978-90-77101- 17 -9) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek II

Psychopathie en Narcisme (ISBN 978-90-77101-21-6) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek III

Vroeger reeds verschenen: 

Karmische Psychologie Deel 1: In dialoog met het onbewuste                  (ISBN 978-90-77101-11-7) 

Karmische Psychologie Deel 2: Individuatie en Healing                             (ISBN 978-90-77101-02-5) 

Een volledig overzicht van mijn boeken heb vind je op www.henkcoudenys.be 

Al mijn boeken kunnen rechtstreeks besteld worden via mijn website en in elke zichzelf respecterende boekhandel. Elk verkocht boek is een steuntje in de rug van dit schrijfproject, dat nog lang niet af is.

 


donderdag 18 juni 2026

Het verschil tussen beschermen en afschermen


Het verschil tussen beschermen en afschermen


Een belangrijk aspect van het opvoeden van een kind is ervoor zorgen dat het zichzelf leert beschermen tegenover gevaarlijke situaties. Maar voor het zover is, is afscherming voor gevaar het belangrijkst. Dit geldt tot zolang het kind niet in staat is gevaar op eigen houtje te herkennen en er rekening mee te houden. Hoe lang die fase duurt, is afhankelijk van kind tot kind, van cultuur tot cultuur en van situatie tot situatie. Er zijn immers veel soorten gevaar, waarvan sommige soorten over het algemeen reeds op jongere leeftijd herkenbaar zijn dan andere. Een voorbeeld:

Sommige kinderen zijn reeds rond de leeftijd van zeven jaar in staat om een drukke straat veilig over te steken, anderen pas op de leeftijd van twaalf of ouder. De gevaren van alcoholgebruik kunnen inschatten daarentegen is over het algemeen pas mogelijk vanaf de late tienertijd en dat zijn dan nog kinderen die er vroeg bij zijn.

Op een dag moet elk opgroeiend kind als volwassene in het leven kunnen staan en daar hoort onder anderen bij dat het gevaren moet kunnen herkennen, de impact ervan moet kunnen in schatten en zichzelf ertegen moet kunnen beschermen. Efficiënte zelfbescherming dient dus het einddoel te zijn van dit aspect van de opvoeding, maar net zoals het geval is met seksuele opvoeding, schiet de gemiddelde opvoeding hierin maar al te vaak te kort. Te veel ouders blijven te lang inzetten op louter afscherming, waarbij afschrikking ook al veel te vaak wordt ingezet. Angstreflexen kweken bij kinderen kan zinvol zijn, maar leidt in de meeste gevallen niet tot zinvolle reacties. Een voorbeeld:

Een kind van tien had een panische angst aangepraat gekregen voor scherpe messen. Ze deinsde letterlijk terug toen ze een kind van enkele jaren ouder met een groot scherp mes een stuk cake zag afsnijden. Deze laatste had echter geleerd hoe ze veilig met een mes moest omgaan en was daardoor veel veiliger in de omgang met scherpe messen dan het panikerende kind.

Tijdens de puberteit verliest afscherming in de meeste gevallen zijn nut. Tieners zoeken nu eenmaal hun grenzen op en rebelleren instinctief tegen grenzen die hen opgelegd worden zonder dat hen een genuanceerd oordeel over het gevaar in kwestie wordt aangereikt. Bijgevolg gaat het in die gevallen het vaakst mis waarin louter op afscherming werd ingezet en niet op ervaringsgerichte methodes om zichzelf te leren beschermen. Dit komt het sterkst tot uitdrukking bij tienermeisjes die de verleiding voelen om hun eerste stappen te zetten in het uitgaansleven. Drie voorbeelden:

  • Een meisje van veertien werd tijdens haar eerste openbare fuif verdoofd en verkracht door een groep oudere jongens uit de buurt.

  • Een ander meisje van veertien werd na afloop van een openbare fuif verkracht door drie vrienden van haar liefje die ze onterecht had vertrouwd en bij wie ze aansluiting had gezocht om veilig thuis te geraken.

  • Een jongen van zestien kwam tijdens de nacht na een fuif niet thuis. Hij werd de volgende dag opgevist uit het kanaal, levenloos en met een hoge dosis alcohol in zijn bloed.

In al deze gevallen hadden de tieners in kwestie geen handleiding meegekregen die hen had moeten helpen om zichzelf te beschermen. Bij openbare fuiven, festivals of andere feestelijkheden waarbij men in contact komt met veel mensen die men niet of nauwelijks kent, moeten onder meer de volgende basisregels gerespecteerd worden:

  • Kom nooit alleen toe, ga nooit alleen weg en draag zorg voor elkaar door elkaar nooit langer dan enkele minuten uit het oog te verliezen. Maak met enkele betrouwbare vrienden hierover op voorhand afspraken en beloof elkaar deze na te komen.

  • Hou je drankjes in de gaten, hou elkaars drankjes in de gaten en accepteer niets te drinken van mensen die je niet kent en vertrouwt. Heeft iets een vreemde smaak, drink het dan onder geen enkele voorwaarde op.

  • Wordt iemand toch onwel, laat hem of haar dan onder geen enkele voorwaarde alleen en zorg ervoor dat hij of zij veilig thuis geraakt. Bel een volwassene om de zieke te komen halen.

  • Zorg dat je mobiele telefoon voldoende opgeladen is. Deel de telefoonnummers van je ouders of oudere broers of zussen die in noodsituaties te hulp zouden kunnen komen met je vriendengroep en deel de nummers van je vrienden met je ouders of andere potentiële redders in nood.


Bij de derde vuistregel gaat het meestal om ‘haar’ en zelden om’ hem’. Het zijn nu eenmaal vooral meisjes en jonge vrouwen die het slachtoffer worden van jongens of mannen die in het geniep, maar doelbewust verdovende middelen aan hun drankjes toevoegen met de bedoeling misbruik te kunnen maken van hun verdoofde slachtoffers.

Deze handleiding geldt overigens absoluut niet alleen voor tieners,
maar blijft een leven lang geldig.

Wat ging er nu mis in de drie voorbeelden die hierboven werden aangehaald? In het eerste geval was er geen veilige vriendengroep die voor wederzijdse bescherming zorgde. Ook was het slachtoffer zich niet bewust van de mogelijkheid verdoofd te worden door iets dat aan haar drankje was toegevoegd. In het tweede geval stelde het meisje onterecht vertrouwen in de vriendengroep van de jongen met wie ze een prille relatie had. Ze kende hen niet goed en koesterde geen gezond preventief wantrouwen. De jongen uit het derde voorbeeld werd door zijn vriendengroep in de steek gelaten. Ook was hij onvoldoende voorbereid op het effect van te veel alcohol op zijn beoordelingsvermogen.

In al deze gevallen was er geen sprake meer van afscherming, maar al evenmin van voldoende coaching tot zelfbescherming. Terwijl ik dit schrijf is het eerste slachtoffer ondertussen een vrouw van middelbare leeftijd die nog altijd de gevolgen van een dertig jaar oude verkrachting met zich meesleurt. Het tweede slachtoffer is eind de dertig en voor haar geldt hetzelfde. De voormalige vrienden van het derde slachtoffer zijn nu jonge dertigers die nog altijd met een bezwaard geweten rondlopen. Ook wie niet zelf het slachtoffer wordt van het gebrek aan zelfredzaamheid en sociale bescherming, wordt getraumatiseerd in dergelijke gevallen.

Andere feiten waar men zich bewust van moet zijn, is dat naarmate de avond vordert en er meer alcohol en andere drugs worden geconsumeerd, het gevaar op ontsporingen toeneemt. Zelfs zonder alcohol geraken de meeste mensen vanaf tien uur ’s avonds onderhevig aan een zekere mate van ontremming. Deze is het gevolg van vermoeidheid in combinatie met de onderdrukte behoeften en verlangens die bij de meeste mensen leven, maar die onder normale omstandigheden onder controle worden gehouden. Voeg daar nog alcohol en partydrugs aan toe en zowel het besef van grenzen als het respect voor grenzen kan grondig vervagen, met alle gevolgen van dien.

Het meegeven van de juiste handleidingen voor zelfbescherming in diverse soorten situaties zou een prioriteit moeten zijn in de opvoeding van alle kinderen - en dan vooral in de puberteitsfase - zowel voor ouders, opvoeders als voor scholen. Mogelijke situaties op voorhand doorpraten of simuleren en oefenen op adequate manieren van reageren zijn hierbij geen overbodige luxe. Een voorbeeld:

Een tienermeisje moet alleen haar weg zien te vinden van het station naar een openbaar park waar ze een studentenjob gaat uitoefenen. Ze vindt haar weg door de aanwijzingen van de gps op haar smartphone te volgen. Deze leidt haar door stille woonwijken en via relatief eenzame wandelpaden. Wat moet ze doen indien ze door een man te uitdrukkelijk wordt aangestaard en eventueel wordt gevolgd?

Wat de veiligheid in dit geval kan verhogen is een van haar ouders opbellen en een duidelijk hoorbaar gesprek voeren terwijl ze verder stapt. Een andere mogelijkheid is op haar stappen terugkeren en een andere route nemen die door meer voetgangers wordt gebruikt. In dat geval is het wel zinvol om op voorhand de mogelijke routes op te zoeken en te kennen! Aansluiting zoeken bij een groep mensen die dezelfde richting uitgaan kan eveneens het gevoel van veiligheid verhogen.

Het aanreiken van dergelijke inzichten en het op voorhand oefenen op het toepassen ervan, zorgt op lange termijn voor meer veiligheid dan louter afscherming. Het is in de realiteit immers niet mogelijk om een tiener altijd en overal te begeleiden en indien dit toch maximaal gedaan wordt, dan leidt dit niet tot de zelfredzaamheid die noodzakelijk is om op lange termijn zichzelf te beschermen. 

*******************************************************************************

Deze tekst is een hoofdstukje uit  Karmische Psychologie 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding, boek I: Opgroeien en Opvoeden)  

De voorbije jaren publiceerde ik in de reeks Karmische Psychologie de volgende delen:

Onze Erfenis van Moeder Aarde (ISBN 978-90-77101-19-3) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek I

De Integratie van de Schaduw (ISBN 978-90-77101- 17 -9) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek II

Psychopathie en Narcisme (ISBN 978-90-77101-21-6) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek III

Een volledig overzicht van mijn boeken heb vind je op www.henkcoudenys.be 

Al mijn boeken kunnen rechtstreeks besteld worden via mijn website en in elke zichzelf respecterende boekhandel. Elk verkocht boek is een steuntje in de rug van dit schrijfproject, dat nog lang niet af is.

 

 

maandag 11 mei 2026

De wet van het behoud van bewustzijn

 

De wet van het behoud van bewustzijn

In de thermodynamica bestaat de wet van het behoud van energie. Deze stelt dat energie nooit verloren gaat, maar wel overgedragen kan worden van één systeem naar een ander, waarbij deze energie tevens van één vorm in een andere kan omgezet worden.

Een bekend voorbeeld hiervan is dat indien een bewegend voorwerp botst met een stilstaand voorwerp, het zijn bewegingsenergie doorgeeft aan het voorwerp waartegen het botst. Het aangetikte voorwerp komt hierdoor zelf in beweging. Tezelfdertijd wordt een deel van die doorgegeven energie omgezet in warmte die tijdens de botsing vrijkomt en deze energiefractie wordt afgegeven aan de lucht eromheen.

Het volledige heelal bestaat uit energie die in allerlei vormen voorkomt. Vaste stof, straling, warmte en magnetische velden zijn daar enkele van. Dit is het gezichtspunt van de westerse wetenschap, meer bepaald van de fysica.

Een spirituele opvatting die daarbij aansluit, stelt dat alle deze vormen van energie tezelfdertijd een eigen vorm van bewustzijn hebben. Dit concept vormt een essentieel aspect van de achtergrondtheorie van de Karmische Psychologie. De totale energie van het heelal gaat vanuit deze visie gepaard met het Opperwezensbewustzijn, het bewustzijn van het geheel van alles wat is. Binnen die totaliteit wordt de bewustzijnsenergie in allerlei vormen omgezet, die hun bewustzijn en de bijbehorende energie (of omgekeerd) weer aan elkaar kunnen doorgeven.

Een eerste groot geheel waarmee we in de Karmische Psychologie concreet rekening houden, is het overkoepelende bewustzijn van de Mensheid, dat we ook de naam ‘het Wezen van de Mensheid’ kunnen geven. Vanuit een andere invalshoek bezien is dit tevens het levende geheugen en de opslag van alle verworden kennis van de mensheid. In dit geval spreken we van de Akasha Kronieken, maar feitelijk gaat het om hetzelfde geheel als het Wezen van de Mensheid. Ten opzichte van het Opperwezen is dit echter maar een klein deeltje. Consequent hiermee is het overkoepelende bewustzijn van de Mensheid maar een klein deel van het totale bewustzijn van het Grote Geheel of Opperwezen.

Een tweede groot geheel is het Aardewezen, het overkoepelende bewustzijn van de levende aarde. Dat deel van de mensheid dat geïncarneerd is in een aards lichaam, heeft zijn bewustzijnsenergie tijdelijk toegevoegd aan het totale bewustzijn van de aarde. Tezelfdertijd is er op aarde een voortdurende uitwisseling aan de gang tussen alle levensvormen die hun levensenergie en bewustzijnsenergie aan elkaar doorgeven, waarbij dat laatste telkens van vorm verandert. Een voorbeeld:

Het bewustzijn van het water dat we drinken, met de mineralen die erin zitten, transformeert tot menselijk bewustzijn. Het voegt zich bij de bewustzijnsenergie van de ik-persoonlijkheid. Hetzelfde gebeurt met alles wat we eten: dierlijk en plantaardig bewustzijn wordt omgezet in menselijk bewustzijn, terwijl de levensenergie van deze levensvormen toegevoegd wordt aan de levensenergie van de mens die hen eet.

Voor een ander voorbeeld kijken we naar de veranderingen die het leven op aarde ondergaat: soorten ontstaan en andere soorten verdwijnen. Hun levensenergie en bewustzijnsenergie blijven echter bestaan en gaan daarbij over van de ene vorm in de andere. Heel veel dierlijk bewustzijnsenergie is tijdens de voorbije decennia getransformeerd tot menselijk bewustzijn, consequent met het verdwijnen van het totaal aantal wilde dieren en het toenemen van de menselijke bevolking.

Binnen een menselijk individu vindt er een voortdurende uitwisseling plaats tussen het Wezen en de ik-persoonlijkheid (of ego). Deze gaat gepaard met zowel informatie-uitwisseling als met de transformatie van Wezenlijke bewustzijnsenergie naar bewustzijnsenergie van het Ego.

De totale hoeveelheid bewustzijnsenergie van de Mensheid als geheel en van de Aarde, zijn aan fluctuaties onderhevig. De aarde ontvangt energie en bewustzijn vanuit de omringende kosmos onder de vorm van straling en ruimtestof die in de dampkring binnen komen. Bij het geheel van de Mensheid voegen zich steeds weer nieuwe Wezens die reeds een hele ontwikkeling achter de rug hebben voorafgaand aan hun eerste incarnatie als mens op aarde. Hun bewustzijnsenergie transformeert in de loop van hun reïncarnatiecyclus steeds meer tot menselijk bewustzijn.

Maar binnen het Grote Geheel blijft de hoeveelheid bewustzijnsenergie constant. Het bewustzijn van het Opperwezen omvat alle vormen van bewustzijn die zich op aarde en daarbuiten manifesteren. We zouden kunnen stellen dat het bewustzijn van het Opperwezen bestaat uit een oneindige veelheid van bewustzijnsvormen die onophoudelijk transformeren en hierbij in elkaar overgaan, maar waarvan de totale hoeveelheid bewustzijnsenergie constant blijft.

Naarmate er steeds meer Wezens die zich in een andere belevingssfeer hebben ontwikkeld dan de aarde, zich bij de mensheid op aarde voegen, en hierbij hun bewustzijnsenergie aan de aarde en de mensheid toevoegen, moet er logisch gezien ook bewustzijnsenergie onttrokken worden aan die andere belevingssferen waar zij vandaan komen.

**************************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk uit Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw – Boek 4: Aliens.

De voorbije jaren publiceerde ik in de reeks Karmische Psychologie de volgende delen:

Onze Erfenis van Moeder Aarde (ISBN 978-90-77101-19-3) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek I

De Integratie van de Schaduw (ISBN 978-90-77101- 17 -9) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek II

Psychopathie en Narcisme (ISBN 978-90-77101-21-6) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek III

Een volledig overzicht van mijn boeken heb vind je op www.henkcoudenys.be 

Al deze boeken kunnen rechtstreeks besteld worden via mijn website en in elke zichzelf respecterende boekhandel. Elk verkocht boek is een steuntje in de rug van dit schrijfproject, dat nog lang niet af is. Dank u bij voorbaat voor uw steun.

 

 


zondag 22 maart 2026

Echoes uit de baarmoeder

 

KPs3I-Opgroeien en Opvoeden

Echoes uit de baarmoeder.

Een ongeboren kind zwemt negen maanden lang in een bad van gevoelens en emoties van de moeder. Wat de moeder in spe meemaakt, beleeft haar ongeboren kind mee. Soms is er sprake van vermenging en neemt het kind emoties van de moeder over, andere keren reageert het kind met heftige emoties van zichzelf op deze van de moeder. Hoe dan ook hebben haar emoties een zeer groot effect op de vorming van de ik-persoonlijkheid van het ongeboren kind.

Een bekend voorbeeld hiervan is het effect van een hoog stressniveau bij de aanstaande moeder. In fysiek opzicht bevindt het ongeboren kind zich in dit geval in bad met stresshormonen, in emotioneel opzicht wordt het doordrenkt met de specifieke emoties die met de oorzaak van de stress samenhangen. Wat deze ook zijn, het effect op de persoonlijkheidsontwikkeling (en de hersenen!) is dat er een aanleg tot ADHD1 ontstaat, die in mindere of meerdere mate tot uitdrukking kan komen na de geboorte en bij de verdere ontwikkeling van het kind.

Vaak hebben de emoties van de moeder een zeer specifieke invloed op haar kind. Deze komen na de geboorte tot uitdrukking.. Enkele voorbeelden:

  • Een kind dat vanaf haar eerste levensjaren alle leden van haar gezin in de gaten hield opdat niemand plots zou weggaan of uit haar gezichtsveld verdwijnen, had dit overgehouden aan een knallende ruzie tussen haar ouders tijdens de derde maand van de zwangerschap. Haar moeder was toen met veel misbaar het huis uitgelopen en was te voet op weg gegaan naar haar ouderlijk huis, nadat ze keihard ‘Ik ga weg!’had geroepen. Dit gaf haar ongeboren kind een gevoel van extreme onveiligheid, wat zich na de geboorte vertaalde in het angstig in de gaten houden of er niemand plots zou weggaan. De emoties dat het kind hierbij ervoer (angst en controledrang) waren een tegenreactie op die van haar moeder.

  • De zoon van een alleenstaande moeder kon zich zeer eenzaam en verlaten voelen, ondanks de hechte band met zijn moeder. De bron van deze emotionele lading had te maken met het moment waarop zijn moeder te horen had gekregen van de vader van het kind dat ze er volkomen alleen voor zou staan. Dat gebeurde ongeveer halfweg de zwangerschap. Ze voelde zich in de steek gelaten. Dit gevoel werd door haar ongeboren kind overgenomen en nestelde zich in zijn persoonlijkheid.

  • De eenzaamheid van een andere jongen kwam uit een heel andere bron. Aanvankelijk was zijn moeder zwanger geweest van een twee-eiige tweeling. Halfweg de zwangerschap had ze een selectieve miskraam, waarbij het afgestorven vruchtje van haar ene kind werd afgevoerd en de zwangerschap van haar andere kind verder ging. Dat laatste had ze echter pas enkele weken later door. In tussentijd ervoer ze een pijnlijk gemis. Datzelfde gemis werd door het achtergebleven kind ervaren en overviel hem tot lang na zijn geboorte nog vaak.

Dit zijn voorbeelden van traumatiserende situaties tijdens het prilste stadium van de persoonlijkheidsontwikkeling. Deze kunnen in zekere mate aangepakt worden met behulp van therapeutische methodes zoals een innerlijke dialoog met het ongeboren kind in zichzelf, of met visualisatietechnieken. Het trauma uit het laatste voorbeeld staat bekend als het vanishing twin syndrome.2

De invloed van de emotionele ingesteldheid van de moeder op haar ongeboren kind is uiteraard niet altijd traumatiserend. Een voorbeeld:

Een vrouw die overigens geen ideale band had met haar erg principiële en dominante moeder, had in de baarmoeder intens meebeleefd met hoe gelukkig haar moeder was tijdens het eerste jaar van haar huwelijk en ook met de extase die ze beleefde tijdens de vrijpartijen met haar man, die tot het einde van haar zwangerschap regelmatig plaats vonden. Wat ze hieraan overhield was een erg spontane en natuurlijke openheid naar sensualiteit en een probleemloze seksualiteit.


De meeste van dergelijke invloeden vertalen zich in gelijkenissen op emotioneel vlak tussen moeder en kind, die voor het overgrote deel als positief of neutraal ervaren worden.

Daarnaast zijn er de boodschappen die een aanstaande moeder aan het kind in haar buik doorgeeft. Deze gebeuren veel bewuster, al zijn veel vrouwen zich niet bewust van de impact ervan op hoe hun kind later op emotioneel vlak zal evolueren. Het duidelijkst komt dit tot uitdrukking in negatieve boodschappen, al werken de positieve boodschappen even sterk door. Naar deze laatste wordt echter zelden gezocht omdat ze geen traumasporen nalaten. Veel zwangere vrouwen worden bv overvallen door het besef dat ze niet klaar zijn voor een kind (of voor nog een kind) en dat ze hun zwangerschap bijgevolg liever zouden afbreken. Dat doen ze echter niet als gevolg van een sociale druk om blij of dankbaar te zijn voor hun zwangerschap, waardoor ze niet durven uit te komen voor hoe ze zich echt voelen. Het kan ook een tijdelijk gevoel zijn dat na verloop van tijd wegebt. Hoe dan ook krijgt het ongeboren kind via de emoties van de moeder de boodschap dat het niet gewenst is. In reactie hierop kunnen verschillende copingstrategieën ontwikkeld worden. Enkele voorbeelden:

  • Een vrouw die dit meemaakte had als reflex zich klein te maken en zich zo onopvallend en ‘braaf’ te gedragen als maar mogelijk was. Dit gebeurde al in de baarmoeder en had als effect dat de zwangerschap als het ware geruisloos verliep. Op die manier probeerde ze om de afweer van haar moeder niet verder te voeden en hoopte ze op den duur emotioneel geaccepteerd te worden.

  • Een man had al vanaf zijn geboorte de tegenovergestelde reactie: hij eiste luidkeels zoveel mogelijk aandacht van zijn moeder op en bleef dit zijn hele jeugd op allerlei manieren doen.

  • Een andere man had, vanaf het ogenblik dat hij had leren praten, de copingstrategie ontwikkeld om voortdurend een woordenvloed te produceren, in de hoop daarmee de aandacht van zijn moeder vast te houden. Telkens hij iets van afstand van haar voelde, begon hij vanalles te vertellen. Op den duur praatte hij non stop. Soms maakte hij haar daarmee aan het lachen, vaker nog werkte hij haar ermee op de zenuwen.

Deze strategieën werken in die zin dat de kinderen in leven blijven en hun plaats krijgen. Maar wat in geen van alle gevallen gebeurt, is dat de moeder haar kind spontaan accepteert zoals het is en bevestigt in zijn eigenheid. In het eerste geval komt die eigenheid simpelweg niet aan bod en wordt het kind in het beste geval geaccepteerd op basis van de ontkenning van haar eigen emotionele behoeften. In het tweede geval is er een voortdurende machtsstrijd aan de gang waarbij het kind weliswaar aandacht afdwingt maar nog altijd geen spontane erkenning krijgt dat het welkom is. De strategie uit het derde voorbeeld werkte wel, maar leidde tot iets wat we ‘compulsieve praatdrang’ kunnen noemen. Ook dit zijn trauma’s waaraan met therapeutische technieken gewerkt kan worden.

Wat de voorbije decennia minder voorkomt, maar in het verleden zeer vaak, is dat de moeder in spe hoopt en bidt dat ze een kind van het ‘juiste’ geslacht mag baren. Voordat het gebruik van echografie om de groei van het ongeboren kind te monitoren een vaste routine werd, wist niemand op voorhand het geslacht. Dat was een van de grote verrassingen die met de geboorte samenhingen. Voor vrouwen die hoopten op een kind van een bepaald geslacht was hun ganse zwangerschap vaak erg stresserend. Velen stonden onder druk om een zoon op de wereld te zetten omwille van erfenis- en andere patriarchale kwesties. Slechts zelden ging het om het verlangen naar een dochter. Op het ongeboren kind kon de combinatie van angstige stress, hoop en verlangen een grote impact hebben. Een voorbeeld:

Het jongste kind van een groot gezin was opnieuw een meisje. Nochtans had haar moeder de hele zwangerschap lang gehoopt op eindelijk eens een zoon, zodat ze aan die ene grote onvervulde behoefte van haar man tegemoet zou kunnen komen. Ze had kaarsen gebrand en gebeden, een mis laten lezen en ze was op bedevaart naar Lourdes gegaan. Het had niet gebaat.

Op haar jongste dochter had dit het effect dat zij zich nooit goed genoeg voelde. Net zoals haar moeder, voelde ze zich gefaald in het leven. Ondanks dat ze als klein meisje graag met poppen speelde en in typische meisjesdingen geïnteresseerd was, hield ze er niet van om er zelf meisjesachtig uit te zien. Tijdens haar tienertijd twijfelde ze voortdurend aan haar gender. Ze voelde zich afwisselend vrouwelijk en mannelijk, maar vooral verward. Soms viel ze op vrouwen, maar uiteindelijk koos ze toch voor een man om haar leven mee te delen. Deze verwarring ebde maar geleidelijk en gedeeltelijk weg naarmate haar volwassen leven vorderde. De voortdurend herhaalde emotionele boodschap dat ze een jongen moest zijn en die ze in de baarmoeder had ontvangen, was hier de oorzaak van.

Ook de trauma’s die de moeder vanuit haar eigen jeugd meesleept, kunnen via emotionele overdracht in de baarmoeder een grote invloed hebben.

Een voorbeeld hiervan was een vrouw die drie dochters op de wereld zette. Uit angst voor de herhaling van het seksueel misbruik waar ze in haar jeugd getuige van was geweest, wilde ze niet dat haar dochters met hun vrouwelijkheid te koop zouden lopen. Hierin ging ze zover dat ze hen opvoedde als jongens en hen stimuleerde zich als jongens te gedragen. Meisjesachtig gedrag werd genegeerd of weggelachen. Dit sloot aan op hoe ze zichzelf opstelde in de wereld. De ingesteldheid om haar eigen vrouwelijkheid te verbergen onder een uiterlijke laag van mannelijk gedrag, met inbegrip van het verbergen van kwetsbare emoties3, beïnvloedde hoe de persoonlijkheid van haar dochters zich reeds ontwikkelden in de baarmoeder. Bij haar oudste dochter manifesteerde er zich al vanaf haar peutertijd een dominante, mannelijke persoonlijkheid. De tweede dochter negeerde haar vrouwelijkheid en gedroeg zich gelijkaardig als haar oudere zus, maar ontwikkelde wel een onbewuste lichaamstaal waarmee ze ongewild aandacht trok van mannen. De derde dochter voelde zich zeer vrouwelijk maar schaamde zich om dit te tonen. Ze voelde zich absoluut niet gezien om wie ze was.


Het heeft overigens weinig zin indien een aanstaande moeder met bewust uitgesproken woorden de boodschap geeft aan haar ongeboren kind dat het welkom is, als haar emoties iets anders zeggen. Het zijn de emotionele boodschappen die door het kind ‘gehoord’ worden. Indien de woorden niet met het juiste gevoel gepaard gaan, wordt dit door het kind geregistreerd en ontstaat er mogelijk nog een bijkomende verwarring wegens de tegenstrijdige boodschappen die het via twee verschillende kanalen krijgt.

Zwangere vrouwen die daarentegen naar het opgroeiende kind in hun baarmoeder vertrouwen en bescherming uitstralen, helpen hun kind om zelfvertrouwen en een besef van emotionele veiligheid op te bouwen, nog voordat het geboren is. Vaak resulteert dat overigens in rustige baby’s die al snel een betrouwbaar slaapritme ontwikkelen, al is dit niet altijd het geval. Er zijn immers nog tal van andere invloeden die hierin een rol spelen.

Voetnoten:

1 Attention Deficit Hyperactivity Disoorder. In de praktijk komt dit erop neer dat men maar kort met zijn aandacht bij een zelfde onderwerp kan blijven, neigt tot impulsief handelen en moeilijk tot rust kan komen en zich ontspannen. Deze manier van functioneren is een aanpassing aan onveilige en onvoorspelbare situaties, die veel ruimte biedt aan het overlevingsinstinct.

2 Alhoewel dit fenomeen af en toe voorkomt, heeft niet elk kind dat dit heeft meegemaakt in de baarmoeder er last van. Omgekeerd zijn er veel mensen die bij wijze van verklaring voor hun existentiële eenzaamheid claimen dat ze van een tweelingbroertje of –zusje afscheid hebben moeten nemen in de baarmoeder, terwijl er heel andere oorzaken opspelen in hun geval.

3 Dit sloot aan bij het overheersende rollenpatroon waarin mannen en vrouwen van haar generatie gevangen zaten. Dit is geen natuurlijk verschil tussen mannen en vrouwen, maar een van de vele verschillen tussen man en vrouw die louter cultureel bepaald worden.

*******************************************************************************

Deze tekst vormt de inleiding tot mijn volgende boek, getiteld Opgroeien en Opvoeden (De volledigie titel is Karmische Psychologie 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding, boek I: Opgroeien en Opvoeden)  

De voorbije jaren publiceerde ik in de reeks Karmische Psychologie de volgende delen:

Onze Erfenis van Moeder Aarde (ISBN 978-90-77101-19-3) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek I

De Integratie van de Schaduw (ISBN 978-90-77101- 17 -9) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek II

Psychopathie en Narcisme (ISBN 978-90-77101-21-6) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek III

Een volledig overzicht van mijn boeken heb vind je op www.henkcoudenys.be 

en op 

https://www.facebook.com/karmischepsychologie/ 

Al mijn boeken kunnen rechtstreeks besteld worden via mijn website en in elke zichzelf respecterende boekhandel. Elk verkocht boek is een steuntje in de rug van dit schrijfproject, dat nog lang niet af is.

 

zondag 8 maart 2026

Opgroeien en opvoeden - Inleiding

 

Karmische Psychologie Deel 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding -

Boek I: Opgroeien en Opvoeden

Inleiding

Dit boek is geschreven vanuit een breed denkkader dat rekening houdt met het bestaan van reïncarnatie. In verband met het opvoeden van kinderen betekent dit dat we – naast de invloed van de dagelijkse realiteit - zowel rekening moeten houden met de invloed van eventuele vorige-levenstrauma’s als met het karakter van het Wezen van het kind.

Het begrip Wezen speelt een erg belangrijke rol in de reïncarnatiepsychologie. Het komt grosso modo overeen met de begrippen Ziel, Hogere Zelf of met het Jungiaanse archetype ‘Het Zelf’. Aan het begrip Wezen hangen echter geen religieuze plaatjes vast. Het Wezen wordt beschouwd als de oudste persoonlijkheidskern van een individueel mens. Het is dat deel van het persoonlijkheidscomplex dat al vanaf het begin van de reïncarnatiecyclus op aarde aanwezig was en dat leven na leven verder evolueert onder invloed van de concrete levenservaringen. Het Wezen is dus geen onfeilbare gids of onveranderlijke ziel. Het is wel een persoonlijkheidskern met een autonoom bewustzijn ten opzichte van de ik-persoonlijkheid die men op aarde heeft. De ontwikkeling van de Wezenlijke persoonlijkheid gaat leven na leven verder. Hoe het Wezen op dit ogenblik functioneert, is dan ook maar een voorlopige stand van zaken. Het evolueert onder invloed van wat de ik-persoonlijkheid leert en wat het daarvan integreert. Het Wezen omvat ook niet het volledige persoonlijkheidscomplex zoals Carl Gustav Jung poneerde met betrekking tot het archetypische Zelf. Het Wezen is wel de oudste persoonlijkheidskern binnen dit complex.

Geen enkel mens heeft een persoonlijkheid uit één stuk, vandaar dat we spreken van een persoonlijkheidscomplex. Naast de ik-persoonlijkheid en het Wezen omvat het steevast ook schaduwdeelpersoonlijkheden met een min of meer autonoom bewustzijn. De schaduw van een ongeboren kind omvat alle menselijke eigenschappen die niet door het Wezen worden geaccepteerd. Een schaduwdeelpersoonlijkheid kan identiek zijn aan de ik-persoonlijkheid uit een vorig leven, maar hij kan ook opgebouwd zijn in de loop van meerdere levens of enkel bepaalde aspecten omvatten van de persoonlijkheid uit een specifiek vorig leven. In de loop van zijn ontwikkeling zal het opgroeiende kind daarnaast nog een schaduw opbouwen op basis van wat de ik-persoonlijkheid niet accepteert aan gedragspatronen, gedachten en emoties. Dat laatste geschiedt onder invloed van de opvoeding.

Tijdens de opvoeding kunnen we bij onze kinderen dus met allerlei aspecten geconfronteerd worden die niet louter uit het huidige leven afkomstig zijn. Hiermee rekening houden, kan in veel gevallen helpen om opvoedingsproblemen op te lossen en om kinderen te helpen hun eigen richting te vinden.

*******************************************************************************

Deze tekst vormt de inleiding tot mijn volgende boek, getiteld Opgroeien en Opvoeden (De volledigie titel is Karmische Psychologie 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding, boek I: Opgroeien en Opvoeden)  De voorbije jaren publiceerde ik in de reeks Karmische Psychologie de volgende delen:

Onze Erfenis van Moeder Aarde (ISBN 978-90-77101-19-3) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek I

De Integratie van de Schaduw (ISBN 978-90-77101- 17 -9) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek II

Psychopathie en Narcisme (ISBN 978-90-77101-21-6) = Karmische Psychologie 4: Aarde en Schaduw, boek III

Een volledig overzicht van wat ik gepubliceerd heb vind je op www.henkcoudenys.be 

en op 

https://www.facebook.com/karmischepsychologie/ 

Al mijn boeken kunnen rechtstreeks besteld worden via mijn website en in elke zichzelf respecterende boekhandel. Elk verkocht boek is een steuntje in de rug van dit schrijfproject, dat nog lang niet af is.

zondag 22 februari 2026

Borderline, onveilige hechting en healing

 

Karm Psych 3IV Moeilijk in de Omgang –

Hoe functioneren mensen met borderline en hoe kan borderline geheeld worden?


Doordat mensen met een borderlinepersoonlijkheid opgegroeid en opgevoed zijn met hoofdzakelijk onbetrouwbare mensen om zich heen, vertrekken ze bij elke menselijke interactie vanuit preventief wantrouwen. Elke relatie die ze aangaan gaat gebukt onder hun onvermogen om te vertrouwen en hun angst dat als ze toch iemand zouden vertrouwen, dat vertrouwen vrijwel zeker geschonden zou worden. Hoe intiemer de relatie, hoe meer hun traumatische jeugd getriggerd wordt en hoe minder ze in staat zijn om vertrouwen en emotionele veiligheid te ontvangen.

Doordat de negatieve gebeurtenissen overheersten tijdens hun opgroeien, zijn ze onbewust gefocust op het negatieve om hen heen. Gebeurt er iets positiefs, dan gaan ze automatisch op zoek naar een onderliggend negatief element. Bewust zijn ze daarentegen obsessief op zoek naar relaties en situaties die perfect veilig en betrouwbaar zijn. Ze zijn als het ware permanent op speurtocht naar de heilige graal. Maar als ze een relatie aangaan met een betrouwbaar iemand of ze komen terecht in een situatie waarin respect en emotionele veiligheid te vinden zijn, wordt elk detail dat afwijkt van het perfectiebeeld dat ze hierbij voor ogen hebben, uitvergroot. Onbewust zijn ze immers voortdurend op zoek naar feiten die hun op wantrouwen gebaseerd wereldbeeld bevestigen.

Voortdurend op hun hoede zijn is hun eerste natuur. Om deze attitude te laten vallen, voelen ze zich veel te kwetsbaar. Doordat emotionele onveiligheid en menselijke onbetrouwbaarheid het enige was dat ze kenden tijdens hun jeugd, is dit voor hen ‘normaal’ en hebben ze een manier van functioneren opgebouwd die hieraan aangepast is. Ze zijn daarentegen absoluut niet aangepast aan omgaan met betrouwbaarheid en veiligheid. Open staan voor wat positief en betrouwbaar is, is voor hen bijgevolg zeer moeilijk.

Wat betreft het omgaan met emoties hebben ze maar twee uitersten tot hun beschikking: ofwel onderdrukken en verbergen ze hun emoties ofwel freaken ze uit1. Elke menselijke interactie, elke ontmoeting of gebeurtenis die intense emoties opwekt, kan leiden tot het beleven van een emotionele crisis. In een intieme relatie volgt op die manier de ene crisis na de andere op, waardoor niet alleen zijzelf maar ook hun relatie op den duur permanent in crisis is. Deze crises draaien allemaal rond dezelfde twee thema’s: hun behoefte aan bevestiging en hun eis van de tegenpartij om diens betrouwbaarheid tot in het absurde toe te bevestigen. Pas bij voldoende bevestiging en vertrouwen kan iemand emotionele veiligheid ervaren, maar aangezien dit bij iemand met borderline terechtkomt in een bodemloze put, ervaren zij deze nooit.

Zolang ze de ene emotionele crisis na de andere beleven, hebben ze geen enkele ruimte om zich nog met iets of iemand anders bezig te houden. In een intieme relatie leidt dit de facto tot extreem egoïstisch gedrag. Alles draait rond hen en hun emotionele crises, de ander komt niet meer aan bod.


Mensen met borderline die dit patroon van zichzelf door hebben en onder ogen zien hoe het is ontstaan, kunnen echter wel uit deze vicieuze cirkel loskomen. In de bodemloze put moet daartoe als het ware een bodem gelegd worden.

Bij mensen die als kind betrouwbare ouders hebben gehad en emotionele veiligheid hebben ervaren, is die bodem automatisch ontstaan. Elke blijk van menselijk vertrouwen en elke ervaring van veiligheid komt bij hen als het ware in een bewustzijnsreservoir met een bodem te recht, wat erop neer komt dat ze positieve ervaringen niet alleen kunnen ontvangen maar dat deze ook nog hun algemeen besef van veiligheid en hun vertrouwen in de samenleving versterken.

Het doorbreken van een borderlinepatroon kan enkel door de borderliners zelf gedaan worden. De mensen om hen heen kunnen hier hooguit een rol in spelen door zich consequent betrouwbaar te gedragen, of dat nu door de borderliners (h)erkend wordt of niet.

De eerste stap in het genezingsproces van het borderlinetrauma is het vermogen ontwikkelen om mentaal afstand te nemen van zichzelf en als een buitenstaander naar de eigen op wantrouwen gebaseerde emotionele reflexen en gedragspatronen leren kijken. Ook al is het maar af en toe dat dit lukt, het is zeer waardevol. Hoe vaker deze bewustzijnstoestand kan opgeroepen worden, hoe breder het fundament wordt waarop men verder kan bouwen.

Maar om de volgende stappen te kunnen zetten, moet men wel met op zijn minst één of enkele mensen in contact staan die betrouwbaar zijn en moet men voldoende afstand kunnen nemen van de veroorzakers van het borderlinepatroon. Dat laatste komt er in de meeste gevallen op neer dat men het manipulatief gedrag van de ouders of opvoeders die men gehad heeft, moet doorzien en dat men zich voor hen moet afschermen. Niet alle wantrouwen van iemand met borderline is immers onterecht! Integendeel hebben ze heel goede redenen gehad om een systematisch wantrouwen te ontwikkelen. Zich emotioneel afschermen voor de veroorzakers van hun trauma’s is bijgevolg een minimum vereiste om verder te kunnen genezen, hen op zijn minst tijdelijk uit hun leven bannen, is nog wenselijker.

Om te kunnen herkennen of iemand betrouwbaar is of niet, is het nuttig om daar enkele mentale criteria voor te hebben. Het intuïtief herkennen van betrouwbaarheid is voor een borderliner immers zo goed als onmogelijk. Wat als kind vertrouwd was, wordt gevoelsmatig immers opnieuw vertrouwd omdat het vertrouwd aanvoelt, terwijl het vertrouwde net niet te vertrouwen was! Mentaal houvast kan men vinden in de volgende criteria:

  • Betrouwbare mensen doen geen loze beloftes en houden zich aan hun woord.

  • Als iemands woorden en daden niet met elkaar in overeenstemming zijn, is er veel kans dat je te maken hebt met iemand die je niet mag vertrouwen.

  • Fouten kunnen toegeven, is een teken van integriteit en betrouwbaarheid. Fouten van zich afschuiven en op een ander steken is een teken van onbetrouwbaarheid.

  • Als je aan integere mensen duidelijk aangeeft waar je grenzen zijn, dan respecteren ze jouw grenzen. Onbetrouwbare mensen zijn ook dan nog in staat jou te forceren om over je grenzen te gaan of te laten gaan.

  • Verantwoordelijkheid nemen duidt op betrouwbaarheid, macht uitoefenen niet.

  • Mensen die zichzelf kunnen relativeren zijn over het algemeen betrouwbaarder dan mensen die zichzelf altijd en overal ernstig nemen.

  • Betrouwbare mensen hebben vaak humor waarmee ze aan zelfrelativering doen. Humor die gebruikt wordt om verantwoordelijkheid uit de weg te gaan of weg te vluchten van confronterende onderwerpen duidt vaak op onbetrouwbaarheid.


Als je een borderlinepersoonlijkheid hebt en je selecteert op deze basis de mensen met wie je omgaat en wie je vermijdt, doe je automatisch positieve ervaringen op. Maar dat betekent nog niet dat je inherent wantrouwen even automatisch verdwijnt. Elke aarzeling, vergeetachtigheid, verstrooidheid of occasionele fout van deze mensen, zal opnieuw je a priori wantrouwen aanwakkeren.

Een volgende stap is, om de heldere, afstandelijke, mentale kijk op jezelf en op je relaties met je hart te verbinden. In het hartchakra ontmoet je het bewustzijn van je Wezen.

Bij iemand met borderline is de kans zeer groot dat de ingesteldheid van het Wezen het totaal tegenovergestelde is van die van de ik-persoonlijkheid. Wezenlijk is er bij hen bijna altijd sprake van een uitgesproken naïviteit, van schaduwblindheid ook. Voor elk extreem patroon huist er immers een even extreme tegenpool in de totale persoonlijkheid. In dit geval: a priori wantrouwen op ik-niveau tegenover blind vertrouwen op Wezensniveau. Karmisch gezien is de positieve intentie en de bijbehorende levensles achter het aantrekken van onbetrouwbare situaties in de kindertijd, het doorbreken van de naïviteit van het Wezen.

In functie van het individuatieproces is het erg belangrijk om de blinde vlekken van het Wezen die te maken hebben met een te eenzijdige kijk op de menselijke persoonlijkheid, weg te werken. Veel Wezens baseren hun vertrouwen in hun medemensen op de intense ervaringen van verbondenheid en verwevenheid die in onstoffelijke werelden vanzelfsprekend zijn, maar niet op aarde. Door conclusies te trekken over de aard van de menselijke persoonlijkheid uit ervaringen die zich niet op aarde hebben afgespeeld, gaan veel Wezens voorbij aan het gebrek aan verbondenheidservaringen, aan de emotionele onveiligheid en aan de bijbehorende onbetrouwbaarheid die hier op aarde mogelijk zijn. Deze hebben een zeer grote invloed op de ik-persoonlijkheid en kunnen leiden tot een manier van functioneren die we ‘on-Wezenlijk’ kunnen noemen. Psychopathie, narcisme en borderline zijn hier drie extreme voorbeelden van. Maar de Schaduw die ontstaat als gevolg van eenzaamheid en traumatisering kan ook minder uitgesproken zijn van aard. Het kan onder meer gaan om verlatingsangst, bindingsangst, gebrek aan levensvreugde en levensmotivatie of sterke minderwaardigheidsgevoelens.

Door het mentale besef dat er zowel de betrouwbare als de onbetrouwbare ervaringen bestaan vanuit het hoofd met het hart te verbinden, kan de Wezenlijke schaduwblindheid doorbroken worden. Het mentale weten wordt op dan een gevoelsmatig weten. Wat de ik-persoonlijkheid mentaal heeft geleerd, wordt als intuïtieve kennis in het Wezen geïntegreerd. Dat is de manier waarom het Wezen bijleert. In dit geval kan het tot het besef komen dat er op aarde andere wetmatigheden gelden dan in de onstoffelijke werelden, waar het reilen en zeilen veel sterker beïnvloed wordt door het besef van verbondenheid en verwevenheid. Maar daarmee is het borderlinepatroon nog niet volledig doorbroken. Er is wel al een tegengewicht voor ontstaan.


Het innerlijk kind van mensen met een borderlinepersoonlijkheid is vaak gefragmenteerd, waarbij elke kinddeelpersoonlijkheid vast is blijven zitten in bepaalde fasen of aspecten van de kindertijd. Elk trauma kan voor een verdere fragmentatie zorgen. Met behulp van therapeutische verwerkingstechnieken, kunnen deze kinddeelpersoonlijkheden weer samengevoegd en geheeld worden.

Er is echter altijd één innerlijk kind dat zich gedurende het ganse verloop van de kindertijd op een eenzijdige manier heeft verder ontwikkeld. Het is gegroeid in antwoord op alle negatieve ervaringen en vooral alle ervaringen met onbetrouwbaarheid. Deze kinddeelpersoonlijkheid noem ik het innerlijk borderlinekind. Het is deze innerlijke schaduw die steevast elke sociale interactie met argwaan benadert. Het borderlinekind geeft zich niet zo maar gewonnen. Het blijft vasthouden aan het eigen gelijk, vanuit een aangeleerde noodzaak tot zelfbescherming. Dat eigen gelijk zegt: ‘Als er ook maar enige twijfel mogelijk is, dan is het beter om niemand te wantrouwen dan om per vergissing iemand wel te vertrouwen.’ En twijfelen is altijd mogelijk.

Nu komen we aan bij de laatste stap, namelijk het leggen van een bodem in de bodemloze put. Telkens het ingebakken wantrouwen de kop opsteekt, telkens het innerlijk borderlinekind zich laat gelden en de neiging vertoont om het ik-bewustzijn over te nemen, zijn er twee mogelijkheden: ofwel voedt je dit wantrouwen door eraan toe te geven, ofwel kies je ervoor om de tegenpool te versterken. Dat laatste doe je door alle ervaringen met betrouwbare mensen en emotioneel veilige situaties telkens weer in je bewustzijn te verzamelen.

Lijstjes maken van alle betrouwbare mensen die je ooit ontmoet hebt, verslagen uitschrijven van situaties waarin je rechtvaardig werden behandeld en menselijke interacties waarbij je emotionele veiligheid hebben ervaren, zijn hierbij belangrijke hulpmiddelen. Telkens het ongenuanceerde idee opkomt dat de hele wereld slecht is en niemand echt betrouwbaar is, telkens de twijfels de kop opsteken aan de oprechtheid van een partner of een vriend die zijn betrouwbaarheid al meerdere malen in woord en daad heeft laten blijken, moet die lijst overlopen worden. Zodoende voedt je een genuanceerd wereldbeeld waarin plaats is voor betrouwbaarheid en emotionele veiligheid naast het besef dat onbetrouwbaarheid wel degelijk bestaat.

Op die manier een basis leggen waarop positieve ervaringen ontvangen kunnen worden en voor genezing kunnen zorgen, kost tijd en bewuste, mentale inspanning. Die basis vormt de spreekwoordelijke bodem in de put. Maar eens de resultaten hiervan voelbaar worden, is een voormalige borderliner een ander mens geworden.

Tenslotte kan in een gevisualiseerde dialoog met het innerlijk borderlinekind het volgende neergezet worden: ‘Jij mag nu gaan slapen maar ik reken erop dat je wakker wordt indien ik met een onbetrouwbaar mens in contact kom die op het punt staat een onbetrouwbare daad te plegen of indien ik me in een onveilige situatie begeef.’ Bij interacties met betrouwbare mensen in veilige situaties, geef je als boodschap aan het borderlinekind dat het zich afzijdig moet houden. Het wordt zodoende geïntegreerd in de ik-persoonlijkheid als het vermogen om terecht wantrouwig te zijn tegenover onbetrouwbare mensen en onveilige situaties, als een alarmfunctie die enkel in actie komt als het nodig is.

Het is belangrijk dat het Wezen zich ook verbindt met het borderlinekind.. Het Wezen van een mens is immers niet alleen de oudste persoonlijkheidskern, het bevindt zich tevens in een voortdurend groei- en transformatieproces. Voortdurend groeien en evolueren is nu net het meest essentiële kenmerk van een kind en dus ook van ons innerlijk kind. Het borderlinekind vertegenwoordigt hierbij een leerproces dat voor het Wezen niet vanzelfsprekend is maar wel erg noodzakelijk om op aarde veilig te kunnen functioneren.



Borderline en primaire hechting


Een andere manier om het borderlinepatroon te benaderen, is vanuit de primaire hechting. Deze is in dit geval uitgesproken onveilig geweest en vooral tijdens de eerste ontwikkelingsfasen (van baby tot kleuter) heeft men heel wat verkeerde signalen gekregen van de moeder en/of van secundaire hechtingsfiguren. Iemand met borderline zoekt daar voortdurend compensatie voor, zowel bewust als onbewust, maar blijft hierbij steken in de oningevulde behoeftes van zijn eerste levensfases.

In het geval van een gezonde primaire hechting evolueert de behoefte aan veiligheid en bevestiging mee met de ontwikkelingsfasen van het kind. Tijdens de eerste levensfasen – baby en peuterfase – heeft een kind nood aan voortdurende aandacht en waakzaamheid van de moeder of van degene die haar tijdelijk vervangt. Deze veiligheid en bevestiging kent maar weinig grenzen. In natuurlijke samenlevingen vertaalt zich dit in opgepakt worden en de borst krijgen, zo vaak als het kind daarom vraagt. Bij de overgang van de peuter- naar de kleuterfase (omstreeks het vierde levensjaar) wordt een kind in natuurlijke omstandigheden gespeend. Dit leidt tot een vertrouwenscrisis want voor het eerst in zijn bestaan wordt het kind niet op zijn wenken bediend. Het krijgt voor het eerst grenzen en leert hierdoor dat deze grenzen niet betekenen dat het aan zijn lot wordt overgelaten. Het krijgt nog steeds emotionele bevestiging en bescherming, maar nu in combinatie met een eerste vorm van zelfstandigheid. Het wordt letterlijke en figuurlijk niet voortdurend meer gedragen, maar moet nu in de mate van het mogelijke op eigen benen staan. Dit brengt een nieuwe vrijheid met zich mee en een gezonde stimulans om een begin van zelfstandigheid te ontwikkelen, weliswaar binnen de onmiddellijke nabijheid van de veiligheidbrengende moeder bij wie het kind nog altijd terechtkomt.

Tijdens de volgende ontwikkelingsfasen vergroot die zelfstandigheid en wordt de beschermende veiligheid die het kind van buitenaf ontvangt, steeds meer vervangen door de innerlijke veiligheid van het zelfvertrouwen. De de tweede cruciale crisis ontstaat in de regel pas tijdens de puberteit, wanneer het kind nu zelf een afstand schept ten opzichte van zijn opvoeders in het kader van een instinctieve zoektocht naar eigenheid. Nu wordt het duidelijk of het kind voldoende lessen heeft gehaald uit zijn opvoeding om op eigen benen te leren staan. Het kan in deze fase dus ook misgaan, maar wie de puberteit overleeft komt in een fase terecht waarin de persoonlijkheid rijper wordt (de adolescentie). Deze wordt gekenmerkt door een verdere groei in zelfvertrouwen en een natuurlijke afstand ten opzichte van de vorige generatie. Deze heeft niet langer het karakter van zich afzetten tegen hen. In tegendeel wordt de innerlijke verbondenheid over de generaties heen gekoesterd zonder dat dit noodzakelijk gepaard gaat met voortdurend in elkaars buurt te blijven, al is dat uiteraard niet uitgesloten.


Mensen met borderline hebben vooral in de eerste fasen van hun bestaan niet de veiligheid en de bevestiging gekregen die ze nodig hadden. Ze werden als het ware gespeend lang voordat ze daaraan toe waren, vaak zelf reeds onmiddellijk na de geboorte. Dat zijn de kinderen die geen borstvoeding kregen, niet opgepakt werden als ze huilden en ongeacht of ze honger hadden of niet, enkel op vastgelegde tijdstippen een vooraf bepaalde hoeveelheid eten kregen, ongeacht hun eigen behoeften. De aanrakingen die ze ondergingen wanneer ze verzorgd werden, waren niet koesterend van aard, maar zakelijk. Voor alle duidelijkheid: ik heb het hier nog niet eens over fysieke verwaarlozing of mishandeling, maar louter over emotionele verwaarlozing. Dat alleen is al voldoende om een borderlinepatroon in het leven te roepen.

Borderliners zoeken bijgevolg voortdurend naar veiligheidbrengende bevestiging zonder grenzen, zoals ze hadden moeten krijgen als baby en als peuter. Van elke intieme partner en elke persoon met wie ze een vriendschapsband aangaan verwachten ze dan ook dat deze hen voortdurend aandacht geeft en hen voortdurend bevestigt. Door hun angst om opnieuw in de steek gelaten te worden, hebben ze ook voortdurend bevestiging en aandacht nodig, tot in het absurde toe. 

Indien je op die manier bevestiging zoekt bij een vriend of een partner, vanuit een bodemloze behoefte, maak je deze persoon tot de belangrijkste in je leven, ongeacht hoe belangrijk hij of zij werkelijk is. Het gaat om een geprojecteerde verwachting die niet met de realiteit hoeft overeen te stemmen. Het is louter in jouw emotionele beleving dat die persoon onmisbaar lijkt. Bij elke keuze die je maakt, voel je je op een uiterst kwetsbare manier afhankelijk van de bevestiging of de afkeuring van die ander. Het zelfde geldt voor elke mening die in je opkomt ten opzichte van een situatie of een gebeurtenis. Je smaak, je behoeftes, je sympathieën en antipathieën, voor alles vol je je afhankelijk van wat die ander hierover denkt. Die angstige kwetsbaarheid kan gemakkelijk omslaan in gefrustreerde woede indien de bevestiging waar je naar hunkert je niet gegeven wordt.

Dit leidt in elke intense relatie die ze aangaan – vriendschappelijk of intiem – na verloop van tijd tot een crisissituatie die vergelijkbaar wordt met gespeend worden: er worden grenzen gesteld aan wat ze van de ander mogen verlangen. Dit betekent evenwel niet dat ze in de steek gelaten worden, maar doordat ze niet de positieve ervaring hebben gehad om gespeend te worden tijdens de overgang van peuter naar kleuter waarbij ze ondanks de schok toch hun besef van veiligheid hebben hervonden, kunnen ze dit nu ook niet. Het gevolg is dat ofwel de partner inbindt en terug verder gaat met op het onnatuurlijke wantrouwen met onnatuurlijk veel bevestiging te reageren (totdat de crisis zich herhaalt) ofwel dat het als gevolg van de eerste crisis reeds tot een breuk komt.

Sommige intieme relaties en intense vriendschappen blijven desondanks bestaan, maar gaan om de zoveel tijd terug door dezelfde crisis. Uiteindelijk kan dat ertoe leiden dat iemand met borderline vooralsnog tot het innerlijk besef komt dat gespeend worden (bij wijze van spreken) niet hetzelfde is als afgestoten worden en dat de emotionele veiligheid desondanks blijft bestaan. In de regel gebeurt dit echter pas indien er tezelfdertijd therapeutische ondersteuning is die focust op de gevolgen van de onveilige hechting tijdens de kindertijd.

Mensen met borderline ervaren op eigen benen staan vrijwel altijd als een eenzame bezigheid. Dit is het logische gevolg van te snel op eigen benen gezet te worden, op een leeftijd waarop ze daar nog niet aan toe waren. Ze hebben bij al hun initiatieven behoefte aan iemand die naast hen staat, iemand met wie ze alles voortdurend kunnen bespreken en die hen voortdurend bevestigt. Sommigen hebben iemand nodig die alles voor hen doet, omdat hun onzekerheid en eenzaamheid dermate sterk zijn dat dit verlammend werkt. Deze mensen zijn niet lui of lethargisch van aard, maar getraumatiseerd. Ze ondergaan de gevolgen van een onveilige primaire hechting tijdens de latere fasen van hun jeugd.

Ook hun puberteitscrisis kwam voor velen onder hen veel te vroeg. Of hij kwam niet, uit angst om nog verder verwijderd te geraken van hun ouders of opvoeders. Mensen met borderline zijn dan ook nooit echt volwassen geworden, zijn kinderlijk op emotioneel vlak en onderhevig aan primaire behoeften die hun levenskeuzes op allerlei manieren negatief beïnvloeden. Het kan onder meer gaan om alle mogelijke vormen van verslaving, om verzameldrang of om een onvermogen om alleen te zijn waardoor ze zich verliezen in sociale situaties waaruit ze geen voeding halen en nooit toekomen aan datgene waar hen wel voldoening geeft. Ze blokkeren immers op de onzekerheid en de eenzaamheid die gepaard gaat met hun verlangen naar de kans om die Wezenlijke behoeften te ontwikkelen.

Therapie die het borderlinetrauma helpt genezen, gaat bijgevolg automatisch gepaard met eindelijk volwassen worden. Het is echter niet alleen de crisis die bij het gespeend worden hoort die mensen met borderline hebben overgeslagen. Ze moeten tijdens hun genezingsproces ook nog door de puberteitscrisis geloodst worden. Wat in de regel gebeurt is dat de persoon die het dichtst bij hen staat, of het nu een intieme partner betreft, een betrouwbare vriend of vriendin of in sommige gevallen ook een therapeut, degene is tegen wie ze zich gaan afzetten. Zich innerlijk losmaken van diegenen aan wie men primair gehecht is, is immers de positieve intentie van de puberteit. Dit leidt bij mensen met een hechtingstrauma die hiervan aan het genezen zijn in veel gevallen tot een relatiebreuk, een scheiding of tot het opblazen van een langdurige vriendschap. Soms komt het weliswaar niet tot een breuk, maar dan komt de relatie in kwestie wel onder zware druk te staan wegens de ontwikkelingsfase waarin de borderliner terecht komt. Feitelijk gaat het om een fase in het genezingsproces dat parallellen vertoont met de ontwikkelingsfase van een kind dat in de puberteit komt. Ook dit is een noodzakelijke crisis waar men volwassener uitkomt, maar die niet zonder risico’s is. De kwetsuren die in hun meest waardevolle relaties ontstaan kunnen soms genezen, soms ook niet. Ze laten in alle gevallen littekens na. Maar eens deze fase voorbij is, kan ook op dat vlak aan genezing gewerkt worden, net zoals heel wat jongeren die in de adolescentie belanden zich opnieuw verzoenen met de ouders tegen wie ze zich enkele jaren voordien nog afgezet hebben.

                                                         *** 

1 In dat opzicht hebben ze een vergelijkbaar gedrag als autistische mensen, vandaar dat er veel verwarring is tussen autisme en de gevolgen van traumatisering tijdens de jeugd.

zondag 1 februari 2026

Preventieve psychotherapie

 Preventieve psychotherapie


Naar analogie met het begrip ‘preventieve geneeskunde’ zou ik het begrip ‘preventieve psychotherapie’ willen introduceren. Preventieve geneeskunde omvat alle gezonde levensgewoontes die bijdragen tot het vermijden van medische problemen. In de praktijk wordt hierbij vooral aandacht besteed aan lichaamsbeweging en aan eet- en slaapgewoontes. Ook het vermijden van een ziekmakende leefomgeving is hier een onderdeel van. Wie bv dagelijks ongezonde lucht inademt en geen toegang heeft tot zuiver drinkwater, mag verder zo gezond proberen te leven als hij wil maar zal toch niet aan ziekte kunnen ontsnappen.

Preventieve psychotherapie houdt in dat men er gewoontes op na houdt die leiden tot emotionele gezondheid en psychisch evenwicht. Het is echter even belangrijk om te vermijden dat men in situaties terecht komt die in emotioneel opzicht ongezond zijn. Nog een parallel tussen beide begrippen is dat het beginpunt van ons leven van groot belang is voor zowel het kunnen opbouwen van een gezond lichaam als een gezonde geest. Het gaat zelfs verder dan dat: vanaf het prille begin van elk mensenleven is er een zodanig grote psychosomatische verwevenheid tussen lichamelijk en emotioneel welzijn dat beide principes feitelijk samensmelten tot één. Preventieve geneeskunde is tezelfdertijd preventieve psychotherapie. Dit geldt voor de ganse periode van lichamelijke ontwikkeling, vanaf de periode in de baarmoeder tot en met de adolescentie. Wat daarna komt, tijdens het volwassen leven, is grotendeels afhankelijk van de keuzes die men maakt met betrekking tot hoe men in het leven staat en met het eigen lichaam omgaat. Hoe gezonder men lichamelijk en psychisch is kunnen opgroeien, hoe gezonder de keuzes in de regel zijn die men maakt als volwassene. Hoe steviger de basis die tijden het opgroeien gelegd wordt, hoe flexibeler men als volwassene kan omgaan met tegenslagen, moeilijkheden en hindernissen en hoe veerkrachtiger men is indien men met regelrechte trauma’s wordt geconfronteerd.


Een gezonde ontwikkeling tijdens de periode die voorafgaat aan de geboorte, is afhankelijk van de omstandigheden waarin de zwangerschap tot stand is gekomen en van deze waarin de moeder in spe haar leven moet beredderen. Hoe veiliger haar leven is, zowel in fysiek als in emotioneel opzicht, hoe beter dit is voor de ontwikkeling van haar ongeboren kind en diens latere emotionele en lichamelijke gezondheid. Hoe ongedwongener ze haar zwangerschap kan beleven en kan toeleven naar debevalling, hoe beter voor haar kind. Hoe vrijer haar keuze om zwanger te worden en hoe tevredener ze hiermee is, hoe groter haar emotionele bijdrage tot de latere gezondheid van haar kind.

Een volgende erg cruciaal punt is de bevalling. Indien dit op een kindvriendelijke manier kan gebeuren, in een sfeer van respect voor moeder en kind, levert dit een grote bijdrage aan de preventieve gezondheidszorg van het kind. Hoe minder medische complicaties hierbij voorkomen, hoe beter uiteraard, maar dat hebben we in de regel minder in de hand dat de ingesteldheid waarmee de bevalling begeleid en ondersteund wordt. In die zin zijn vroedvrouwen en begeleidende gynaecologen ofwel preventieve psychotherapeuten, ofwel potentiële veroorzakers van trauma’s die slecht zijn voor de latere geestelijke en lichamelijke gezondheid van de pasgeborene.

Hetzelfde geldt voor ieder die zijn bijdrage levert aan de opvoeding van een kind. Ouders, bijkomende of alternatieve opvoeders, begeleiders in crèches, kleuterleiders, onderwijzers en leraars zijn allemaal mogelijke preventieve psychotherapeuten. Maar ze kunnen zich evengoed ontpoppen tot veroorzakers van trauma’s waarop later effectieve psychotherapie zal moeten toegepast worden.

Hoe gezonder de leefomgeving van het kind, zowel in fysiek opzicht als op het vlak van emotionele veiligheid alsook qua ontwikkelingskansen, hoe groter de bijdrage aan zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid hiervan is. Als ouders - en als ouders in spe - hebben we dan ook een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de omstandigheden waarin we een kind plannen, laten geboren worden en laten opgroeien. Hoe meer keuzevrijheid wat dat betreft, hoe meer kansen er zijn om door gerichte keuzes een gunstige invloed uit te oefenen op deze omstandigheden.

Uiteraard moeten we naast vrijheid en verantwoordelijkheidsgevoel ook over de juiste inzichten beschikken waarop we onze keuzes kunnen baseren. Ik hoop dan ook van harte dat mijn boeken hiertoe een waardevolle bijdrage kan leveren.

********************************************************************************

Deze tekst is de inleiding van een van mijn volgende boeken:

Karmische Psychologie 3, Boek I: Opgroeien en Opvoeden.