woensdag 16 augustus 2023

Hoe intuïtie in de Schaduw terechtkomt en er weer uit kan bevrijd worden

 

Hoe intuïtie in de Schaduw terechtkomt en er weer uit kan bevrijd worden


Intuïtie is een psychologische basisvaardigheid die in oorsprong bij alle mensen aanwezig is. Zonder het vermogen om intuïtief te denken en inzichten te ontvangen, was de mens nooit geëvolueerd tot de dominante diersoort op aarde. Met rationeel denken alleen, komen we immers regelmatig in de problemen. Wie hier voorbeelden van zoekt, moet zich maar verdiepen in de waslijst aan milieuproblemen die zijn ontstaan door louter te vertrouwen op rationele kennis in onze omgang met de aarde. Intuïtie vormt hiervoor het tegengewicht. Wat rationeel een goeie keuze lijkt, maar het om de een of andere reden toch niet is, kan door middel van een intuïtief aanvoelen doorprikt worden. Vaak komt daar nog een inzicht bij ‘uit de lucht vallen’ dat aangeeft waarom de ratio zich heeft vergist.

Hoe intuïtie werkt is niet zo eenvoudig om uit te leggen, al weet iedereen die heeft leren vertrouwen op zijn intuïtie hoe het aanvoelt. Onze intuïtie laat ons toe om alle relevante gegevens die uit verschillende bronnen komen, samen te voegen en in rekening te brengen om tot een besluit te komen waaruit een handeling voortvloeit.

Die verschillende bronnen zijn:

  • Kennis en ervaring die we in het verleden hebben opgedaan

  • Zintuiglijke indrukken die we al dan niet bewust registreren

  • Rationele kennis en redeneringen

  • Empathische indrukken, zoals datgene wat we aanvoelen dat in anderen omgaat

  • Andere buitenzintuiglijke informatie en flitsen van inzicht


Onze ratio alleen kan in de meeste gevallen louter rekening houden met wat uit zijn eigen bron komt en wat we bewust zintuiglijk ervaren. Al het andere wordt niet in rekening gebracht om tot een conclusie te komen.

Een intuïtieve inschatting die iedereen uit ervaring kent, is het gooien met een bal, een stok of een steen naar een bepaald doel, of met een prop papier naar de vuilnisbak. Rationeel weten we in de regel niet hoeveel ons projectiel weegt; we kunnen hooguit de afstand inschatten die het projectiel moet afleggen en het is louter de ervaring van vorige worpen die ons helpt om de kracht waarmee we gooien en de boog die we het projectiel laten afleggen in te schatten. Dit is hoe intuïtie werkt.

Mensen hebben miljoenen jaren moeten overleven in moeilijke en gevaarlijke omstandigheden. Onze intuïtie is samen met ons rationeel verstand van generatie op generatie verder ontwikkeld. In vergelijking met het gooien met een projectiel, hebben we keuzes moeten leren maken waarbij met nog veel meer factoren rekening moet gehouden worden dan het gewicht van een steen en de afstand tot een opdringerig dier dat we met die steen willen wegjagen.

Hoe schat je in of een bergroute veilig is of niet? Dit is afhankelijk van hoe het weer nu is en van het weer dat er nog aankomt, van de conditie van diegenen die de berg willen over geraken en van nog zoveel meer. Hoe groot is de kans om op een bepaalde plek voldoende voedsel te vinden en/of een veilige kampeerplek? Als je een groep vreemdelingen ziet aankomen, hoe veilig is het om hen te ontmoeten? Of is het beter hen te vermijden? Vaak genoeg moesten dergelijke beslissingen snel genomen worden en hingen leven en welzijn ervan af. Hoe beter de intuïtie, hoe meer kans op een veilige beslissing.


Een werkzame intuïtie behoeft wezenscontact. Via ons Wezen zijn we immers verbonden met de collectieve kennis die gezamenlijk is opgebouwd door alle mensen die ooit ervaring hebben opgedaan met leven en overleven op aarde. Anderzijds speelt de lengte van de reïncarnatiecyclus een belangrijke rol. Hoe langer iemand reeds aan het reïncarneren is, hoe zekerder die persoon nog steeds over de oorspronkelijke intuïtieve vermogens beschikt, waarbij de intuïtie nauw verweven is en nauw samenwerkt met het overlevingsinstinct. Indien Wezens die pas recent als mens op aarde zijn beginnen incarneren, terechtkomen in culturen waaruit intuïtie verdwenen blijkt te zijn, kunnen ze niet terugvallen op dat soort wezenlijke ervaring vanuit vroegere incarnaties.

Intuïtie kan overigens ook bestaan zonder contact met het overlevingsinstinct, alleen heb je daar in de praktijk niet zo veel aan. Je kan dan wel veel aanvoelen en veel inzichten hebben, maar indien deze je niet helpen om praktisch te overleven en om zinvolle keuzes te maken, dan is het nut ervan erg beperkt.

Elk mens die over voldoende wezenscontact beschikt en die via een voldoende lange reïncarnatiecyclus geworteld is in het aardse bestaan, beschikt in aanleg dus over een werkzame intuïtie die gekoppeld is aan het overlevingsinstinct.

Van hoe meer informatiebronnen de intuïtie gebruik maakt, hoe meer kans er ontstaat op een zinvolle keuze. Vandaar dat ook het wezenscontact en het vermogen om vanuit het tijdloze het tijdsgebondene te overzien zo belangrijk zijn. Daar komen die flitsen van inzicht vandaan die niet louter op zintuiglijke, rationele en ervaringsgebonden informatie gebaseerd zijn, maar die een zeer wezenlijk verschil uitmaken voor de te maken keuzes en de gevolgen die hieruit voortvloeien.

Een voorbeeld hiervan werd me verteld door een vrouw die door een samenloop van omstandigheden samen met een man afgezonderd geraakte van een grote groep met wie ze op stap waren. Ze maakten een lange wandeling door een afgelegen bos en waren nog een heel eind verwijderd van hun eindbestemming. De vrouw voelde zich zeer onveilig omdat ze intuïtief aanvoelde dat die man gevaarlijk was. Ze kreeg echter ook het inzicht om geen angst aan hem te tonen. Achteraf bleek dat de man in kwestie een seriemoordenaar was die meerdere vrouwen om het leven had gebracht en dat ze dus effectief aan een macaber lot was ontsnapt. Tijdens een gesprek dat ze met hem had toen ze hem later in de gevangenis opzocht, vertrouwde hij haar toe dat hij tijdens die wandeling had geweten dat ze hem doorhad, maar dat hij haar niets had aangedaan omdat hij haar moed en haar inzicht had geapprecieerd.

De intuïtie van die vrouw was gebaseerd op zijn lichaamstaal zowel als op de emotionele reacties die ze innerlijk had ervaren (maar niet had getoond). Daar bovenop kwam een wezenlijk inzicht met betrekking tot hoe ze zich moest gedragen om zoveel mogelijk kans te maken om de dans te ontspringen. Dit inzicht was mogelijk gebaseerd op vorige-levenservaringen of op wat ze via empathische weg oppikte met betrekking tot hoe die man zijn denkwereld functioneerde.


We worden echter collectief opgevoed om onze intuïtie te leren negeren, waardoor onze intuïtieve inzichten en kennis dezelfde weg afleggen als onze onderdrukte emotionele behoeften. Deze komen als het waren van achter het muurtje van bewuste censuur in het bewustzijn binnen sluipen en nemen de vorm aan van projecties of van psychosomatische klachten. Als intuïtie verplicht wordt diezelfde sluipweg te nemen, geraken intuïtieve inzichten vermengd met verdrongen emoties. Het gevolg hiervan is dat ‘een gevoel’ dat zich vanuit het onbewuste opdringt aan het bewustzijn, zowel een intuïtief inzicht kan bevatten, als een projectie van onderdrukte angsten of verlangens.

Om onze intuïtie de kans te geven zich opnieuw te ontplooien, is het leren maken van het onderscheid tussen inzichten enerzijds en verlangens en angsten anderzijds, een eerste voorwaarde. Hiervoor moeten we simpelweg onze zelfkennis in alle eerlijkheid uitbreiden tot niets van onze emotionele verlangens, behoeften en angsten ons nog vreemd is. Dan scheiden zich de wegen van intuïtie en projectie opnieuw en kunnen beide hun eigen herkenbare route naar het bewustzijn krijgen.


Voor wie van de eigen intuïtie is vervreemd, is het een belangrijke stap om de intuïtie van anderen te leren herkennen. Als twee mensen een verschillend gevoel krijgen over een ander mens, over een keuze of over een situatie, zijn er meerdere mogelijkheden:

1/ Beiden projecteren hun emotionele behoeften en geen van beiden heeft toegang tot zijn intuïtie.

2/ Eén van beiden heeft een intuïtieve indruk die achteraf juist blijkt te zijn en de ander zit ernaast wegens een emotionele projectie.

3/ Beiden hebben een intuïtieve indruk, maar pikken slechts een deel van een complexe realiteit op.


Wie van de eigen intuïtie is vervreemd, komt vaak met de tweede mogelijkheid in aanraking. Indien je in dat geval verkeert en je regelmatig contact hebt met iemand wiens intuïtieve indrukken keer op keer raak blijken te zijn, dan kan dit je helpen de stem van je eigen intuïtie te leren herkennen door je eigen ‘gevoel’ hieraan te toetsen. Vaak was er immers eerst een flits van intuïtie die echter bliksemsnel werd weggeredeneerd. Door dergelijke introspectie kan je tevens ontdekken welke route je gedachten afleggen in de ontkenning van de intuïtieve stem in jezelf.

Het is daarenboven nodig om uit te vissen waarom je bang of afkerig bent geworden van je intuïtieve indrukken. Meestal zit het antwoord op deze vraag verborgen in de thuissituatie waarin je bent opgegroeid en de waarden waarmee je bent opgevoed. Enkele voorbeelden:

  • Als je opgroeit in een emotioneel onveilig gezin, dan kan het als kind zodanig kwellend worden om telkens een voorgevoel te krijgen van de onredelijkheid die op je afkomt, dat je op den duur de intuïtieve indrukken die jou hiervoor waarschuwen zoveel mogelijk negeert.

Een copingstrategie die nog verder gaat is het systematisch verdringen van de herinneringen aan zowel de voorgevoelens als de daaropvolgende traumatische gebeurtenissen zelf. Dit gebeurt indien het in emotioneel opzicht totaal onleefbaar wordt om in het permanente besef te verkeren van het emotionele wespennest of de emotionele gevangenis waarin je opgroeit.

Het hebben van één of twee ouders op wie je niet kan rekenen en die uitblinken door een gebrek aan emotionele en/of materiële zorgzaamheid, staat vrijwel garant voor het systematisch uitbannen van zowel intuïtie als herinneringen, kort nadat de gebeurtenissen zich hebben voorgedaan.

In al deze gevallen verhuist het intuïtieve vermogen naar een innerlijke schaduwdeelpersoonlijkheid. Dit is niet zelden het archetypische Schaduwkind.

  • Een andere veelvoorkomende reden is dat een kind zijn intuïtie ontkent uit loyaliteit naar de ouders door wie het opgevoed wordt, indien deze ouders zelf bang zijn van hun intuïtie en louter en alleen op rationele keuzes vertrouwen.

Soms moet er een lange weg moet afgelegd worden, met veel zoeken en evenveel therapeutische verwerking, alvorens de intuïtieve vermogens terug een bewust inzetbare psychische vaardigheid worden. Dit gaat vrijwel altijd hand in hand met het ontwikkelen van een positief zelfbeeld en het bijbehorende zelfvertrouwen. Dit is immers nodig om te durven luisteren naar de stem van de intuïtie.


**********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk uit mijn boek 'De Integratie van de Schaduw'  (Karmische Psychologie, Deel 4: Aarde en Schaduw - Boek II; verschijnt ergens in 2023)

 

De Archetypische Schaduw herbekeken

Diverse invalshoeken om de Schaduw te begrijpen


In Jungs visie met betrekking tot de Schaduw ging het om een archetype, een gegeven dat alle mensen gemeenschappelijk hebben en dat ook los van het individueel menselijk bewustzijn bestaat. Archetypes huizen in het ‘Collectief Onbewuste’, in dat deel van ons onbewuste dat alle mensen met elkaar verbindt en dat we dus gemeenschappelijk hebben. Zijn theoretische beschouwingen omtrent de Schaduw vloeiden voort uit de observatie dat dit psychische gegeven bij elk mens voorkomt en dat er universele kenmerken zijn die het individu en de cultuur overstijgen. Vandaar dat hij het een archetype noemde.

Wat hij over de Archetypische Schaduw schreef, ging in wezen over wat ik verderop de ‘Schaduw van de Mensheid’ zal noemen. Dit is het geheel van alle potentiële en bestaande menselijke kenmerken of eigenschappen die door het collectief van de mensheid afgekeurd worden en in de mate van het mogelijke ook worden uitgebannen, zowel uit ons gedrag als uit ons bewustzijn. Zijn beschouwingen over de Archetypische Schaduw waren voor Jung het vertrekpunt om na te gaan hoe deze zich bij individuele mensen manifesteerde.

In wat hierna volgt, kijken we in de andere richting: we vertrekken van de individuele mens en de individuele verschillen en werken toe naar de collectieve eigenschappen van de Schaduw.


Om te beginnen bekijken we de Schaduw op het niveau van de individuele mens. Elk individu heeft twee verschillende Individuele Schaduwen, die zich op verschillende zijnsniveaus presenteren.

De Persoonlijke Schaduw ontstaat tijdens de opvoeding. Alle gedragspatronen en uitingen van emoties die ongewenst zijn in de cultuur waarin jouw opvoeders je opvoeden, leer je te onderdrukken. Dit leidt tot het ontstaan van taboes die niet zelden in strijd zijn met onze instinctieve reflexen. Maar van cultuur tot cultuur - en zelfs van gezin tot gezin - kunnen hierbij sterke verschillen optreden. Agressie, liegen en stelen worden in de meeste gevallen taboe verklaard, maar niet altijd en overal. Het uiten van emoties en gevoelens kan als wenselijk beschouwd worden of belachelijk gemaakt worden. Spirituele waarden en intuïtie kunnen gecultiveerd worden of afgewezen worden. Religieuze waarden en normen worden nu eens hoog in het vaandel gedragen, dan weer tot onzin verklaard. Het hangt er dus maar vanaf in welk gezin je incarneert en door wie je opgevoed wordt en dit kan tot heel verschillende inhouden van de Persoonlijk Schaduw kan leiden. Ook trauma’s hebben hier hun invloed op omdat angstaanjagende ervaringen tot gevolg hebben dat gedragspatronen die niet noodzakelijk door de opvoeding afgewezen worden, toch in de Schaduw terecht kunnen komen omdat deze met het trauma worden geassocieerd.


De Schaduw op wezensniveau of Wezenlijke Schaduw omvat alle kenmerken die iemand tijdens zijn of haar opeenvolgende incarnaties heeft ontwikkeld maar die door het eigen Wezen afgewezen worden. Dit zijn de ‘resten' die achterblijven nadat het Wezen uit de ik-persoonlijkheid alles heeft geïntegreerd waarmee het zich wenst te verbinden. Deze selectie gebeurt in de regel tijdens het sterven, waarbij het ego ontbindt en zijn informatie en kwaliteiten beschikbaar stelt voor het Wezen. Hierbij kunnen van mens tot mens grote verschillen optreden. Wat het ene Wezen integreert, kan immers door een ander Wezen afgewezen worden.

Een veelvoorkomend voorbeeld hiervan heeft betrekking op de dualiteit man-vrouw. Er zijn menselijke Wezens die deze tweedeling accepteren als een onvermijdelijkheid die samenhangt met incarneren op aarde (wat het overigens ook is) en die bijgevolg een sterke dualiteit in zichzelf ontwikkelen, met het ontstaan van een mannelijke ontwikkelingslijn en een vrouwelijke ontwikkelingslijn tot gevolg, die doorheen de opeenvolgende incarnaties min of meer onafhankelijk van elkaar evolueren. In dit geval is er geen verband tussen de man-vrouwdualiteit en de Wezenlijke Schaduw.

Andere Wezens daarentegen verwerpen de man-vrouwdualiteit en alle aardse persoonlijkheidsontwikkelingen die hierbij horen. Deze Wezens integreren enkel die menselijke eigenschappen en accepteren enkel deze leerprocessen die het man zijn of het vrouw zijn overstijgen en ze ontwikkelen een Schaduw die alle typische menselijke beperkingen bevat die het gevolg zijn van ofwel man, ofwel vrouw te zijn op aarde.

Er zijn ook mensen wiens Wezen ofwel het vrouw zijn naar de Schaduw verbant, ofwel het man zijn. Dit is een reactie op opeenvolgende negatieve ervaringen tijdens incarnaties als vrouw of als man.


De individuele Wezenlijke Schaduw kan daarnaast ook sterk afwijken van de collectieve Schaduw van de Mensheid.

Net zoals in het eerste voorbeeld behoort de man-vrouwdualiteit niet tot de Schaduw van de Mensheid. De Akashakronieken bevatten heel veel nuttige inzichten met betrekking tot hoe we via de afwisseling van mannelijke en vrouwelijke levens kunnen evolueren.


Maar niet alles wat door het Wezen wordt afgewezen, wordt tevens door de ik-persoonlijkheid van diezelfde mens afgestoten. Wat dat betreft kunnen er ernstige innerlijke conflicten ontstaan tussen de opvattingen van het Wezen (voelbaar in het hart) en deze van het ik of ego (voelbaar in hoofd en/of onderbuik). De Persoonlijke Schaduw is in dat geval ook beduidend anders dan de Wezenlijke Schaduw. Een voorbeeld:

De verbondenheid tussen mensen vertaalt zich in de praktijk in solidariteit, opofferingsgezindheid en altruïsme. In wezen zijn alle mensen met elkaar verbonden, wat leidt tot een gemeenschappelijk bewustzijn dat we hier het Akasha-bewustzijn hebben genoemd. Alles wat met verbondenheid te maken heeft, behoort dus per definitie tot de Akasha’s en niet tot de Schaduw van de Mensheid. Alhoewel elk menselijk Wezen bijgevolg de verbondenheid opzoekt en omarmt, is niet iedereen even tuk op bv opofferingsgezindheid. Bij veel mensen behoort opofferingsgezindheid dan ook tot hun individuele Wezenlijke Schaduw. Hier zien we een verschil tussen de Wezenlijke Schaduw van sommige individuele mensen en de Schaduw Akasha’s.

Een Wezen dat weliswaar niet bereid is over zijn eigen grenzen te gaan om een ander te helpen, kan toch erg goed in staat zijn om de verbondenheid met anderen te laten stromen en zich altruïstisch op te stellen, zolang het niet ten koste van zichzelf is. Maar dat betekent niet automatisch dat de ik-persoonlijkheid die bij datzelfde Wezen hoort, dezelfde ingesteldheid heeft. Het kan zijn dat dit ego veel egocentrischer van aard is dan zijn eigen Wezen en er in de praktijk van het dagelijks leven helemaal niet aan denkt zich altruïstisch op te stellen, ook al zou hij zich dit kunnen permitteren zonder zichzelf pijn te doen. Dit komt bv voor bij mensen die in een harde, zakelijke omgeving opgevoed worden en die als basiswaarde het streven naar persoonlijk succes meekrijgen. Altruïstisch gedrag behoort in dit geval tot de Persoonlijke Schaduw, ook al behoort dit kenmerk niet tot hun Wezenlijke Schaduw.

Dergelijke ongerijmdheden binnen één persoonlijkheidscomplex leiden tot innerlijke conflicten tussen wat men in het hart voelt te moeten doen (vanuit de wezenlijke ingesteldheid) en wat men vanuit het hoofd beslist om te doen (persoonlijke ingesteldheid).


In het voorbeeld hierboven vinden we overigens een thema terug dat ons reeds een eerste inzicht heeft in de evolutie van het Wezen van de Mensheid, van de mensheid als geheel dus. Naarmate er meer individuele menselijke wezens opofferingsgezindheid ten koste van zichzelf verwerpen, wordt dit aspect ook meer en meer naar de Collectieve Schaduw van de Mensheid verwezen en verdwijnt het langzaam maar zeker als basiskenmerk van de wezenlijke mens. Hierop komen we later terug.


Het geheel van de mensheid kunnen we op twee niveaus beschouwen, twee bewustzijns- en belevingsniveaus die gelijktijdig bestaan en die elkaar voortdurend beïnvloeden. Beide niveaus hebben hun eigen Schaduw. Deze schaduwen zijn echter niet identiek aan elkaar.

Het eerste bewustzijnsniveau is dat van de op aarde geïncarneerde deel van de mensheid. Een belangrijk aspect van dit belevingsniveau is dat de geïncarneerde mens onderhevig is aan aardse wetten en aan de noden en behoeften van een fysiek lichaam, en dit alles binnen een welbepaalde cultuur. Het tweede niveau is dat van het wezenlijke bewustzijn, het belevingsniveau van de ongeïncarneerde mens, die los van de aarde en los van alle lichamelijke en materiële beslommeringen blijft bestaan, over de incarnaties heen, zowel tijdens levens als tijdens tussenlevens.


Op het aardse belevingsniveau is er niet echt sprake van één collectieve Schaduw voor de ganse mensheid, maar wel van meerdere collectieve Culturele Schaduwen.

Van cultuur tot cultuur verschilt de inhoud van wat collectief naar de Schaduw wordt verbannen. Binnen eenzelfde cultuur geldt dit tevens voor de verschillende culturele stromingen. De Culturele Schaduw van de ene groep mensen kan daarbij precies de tegenovergestelde menselijke neigingen bevatten dan die van een andere groep.

Een voorbeeld hiervan vinden we binnen onze eigen dominante westerse cultuur. Er is een sterke stroming die stelt dat we enkel die kennis ernstig mogen nemen die door strikt wetenschappelijk onderzoek als bewezen wordt geacht. De Culturele Schaduw van deze stroming bevat dan ook alle kennis die via intuïtieve weg kan verkregen worden, evenals het de intuïtie zelf. Er bestaat echter een even sterkt tegencultuur die de wetenschappelijke manier van kennis verzamelen verwerpt als hopeloos kortzichtig en die zweert bij de louter intuïtieve benadering. Het rationeel wetenschappelijk denken wordt in hun geval naar de Culturele Schaduw verwezen.


De Culturele Schaduw heeft een grote invloed op de Persoonlijke Schaduw, maar doordat er binnen elke cultuur toch ook grote verschillen bestaan met betrekking tot was wenselijk is en wat taboe wordt verklaard, is de Persoonlijke Schaduw nooit identiek met die van de cultuur waarin men leeft.


Vanuit het wezenlijke belevingsniveau bekeken omvat de Schaduw alle menselijke kenmerken en kennis die door het Akashabewustzijn worden afgewezen. Dit is de Schaduw van het Wezen van de Mensheid, een Schaduw op collectief, wezenlijk niveau die niet louter met de ervaringen van de mensheid op aarde heeft te maken. Het menselijke Wezen doet immers ook ervaringen op tijdens tussenlevens en velen onder ons hebben een Wezen dat zich reeds ontwikkeld had in andere (onstoffelijke) belevingssferen voordat het tot incarnaties op aarde overging. Gemakshalve kunnen we ook spreken van de Schaduw Akasha’s. Hier zijn we overigens aangeland bij de Archetypische Schaduw uit het Jungiaanse denken.

De collectieve Schaduw van de op aarde geïncarneerde mensheid is inhoudelijk niet noodzakelijk identiek aan de Schaduw Akasha’s, al is ze even archetypisch. Deze is - zoals alles hier op aarde - tijdsgebonden en veranderlijk en afhankelijk van de verschillen in cultuur. Wat collectief aanvaard wordt of gemeenschappelijk wordt afgewezen, is immers sterk afhankelijk van de tijdsgeest. Het zijn niet noodzakelijk altijd wezenlijke waarden die collectief aanvaard worden en niet alles wat wezensvreemd is, wordt altijd en overal afgewezen.

Anderzijds zijn er aspecten van het menselijk functioneren die in vrijwel alle culturen naar de Schaduw verwezen worden. Deze zijn dus niet cultuurgebonden, maar wel typisch voor de op aarde geïncarneerde mens. Naast de Culturele Schaduwen hebben we op aarde feitelijk ook een collectieve Aardse Schaduw van de Mensheid.

Het volgende vergelijkende voorbeeld kan dit alles verduidelijken:

Tot de collectieve (en dus ook archetypische) Aardse Schaduw van de Mensheid behoort onder meer het plegen van incest. De logica hierachter is dat dit vanuit genetisch oogpunt tot degeneratie leidt, meer bepaald via erfelijke afwijkingen die ongunstig zijn om als individu te overleven. Tot de al even archetypische Schaduw van het Wezen van de Mensheid behoort onder meer het schenden van vertrouwen. Het plegen van incest is in de praktijk vrijwel altijd een daad van vertrouwensschending. In die zin overlappen beide Schaduwen elkaar. Maar de wezenlijke intieme band tussen twee mensen kan tijdens opeenvolgende incarnaties verschillende vormen aannemen. Zo kunnen twee mensen tijdens hun huidige incarnatie een broer-zus relatie hebben, terwijl ze tijdens een vorige incarnatie geliefden waren. Dit laatste kan doorwerken tijdens het huidige leven en voor een sterke emotionele verwarring zorgen, waarbij eventueel een incestueuze relatie tussen beiden ontstaat, zonder dat hierbij sprake is van dwang, manipulatie of het schenden van vertrouwen. Hierbij wordt een aards taboe geschonden en vallen ze ten prooi aan de collectieve Aardse Schaduw van de Mensheid, maar tezelfdertijd wordt er geen enkel taboe van het Wezen van de Mensheid doorbroken. Hun liefde voor elkaar is niet iets dat door het Wezen van de Mensheid naar de Schaduw is verwezen.

Er hebben culturen bestaan waarin het huwelijk tussen broer en zus was toegestaan, onder meer in bepaalde dynastieën van het oude Egypte. Hier zien we een culturele omkering van het aardse incesttaboe. Incest behoort in dit geval niet tot de Culturele Schaduw, al blijft het wel tot de archetypische Aardse Schaduw van de Mensheid behoren.


Het voorbeeld hierboven verklaart overigens een fenomeen dat vaak voorkomt: vrouwen die hun vader nooit hebben gekend, maar hem pas leren kennen als ze al geruime tijd volwassen zijn, worden heel vaak verliefd op hun vader en vice versa, waarbij de facto een van de meest taboeë incestueuze relaties ontstaat die we ons maar kunnen indenken. Maar in wezen is deze liefde in de regel zuiver. Een ander voorbeeld van dit ‘schaduwdilemma’ las ik in 2015 in de krant:

Een koppel met een kinderwens liet zich checken op eventuele genetisch overdraagbare afwijkingen. Beiden hadden ze een vergelijkbaar genetisch defect en beiden waren ze als kind verwekt met donorsperma. Na vergelijking van hun genetisch materiaal bleken ze verwekt te zijn met het zaad van dezelfde donor (in casu de behandelende fertiliteitsarts). Vanuit de geaarde mens bekeken waren ze dus onbewust ten prooi gevallen aan de Schaduw en beleefden ze een incestueuze broer-zusrelatie. Vanuit het gezichtspunt van de wezenlijke, ongeïncarneerde mens, beleefden ze een liefdesrelatie die op wezenlijke verbondenheid was gestoeld.


Vervolgens kunnen we de Schaduw bekijken vanuit het standpunt van het Aardewezen. Alle levende wezens op aarde zijn aan gelijkaardige natuurwetten onderhevig, niet alleen de mens dus. Sommige van deze natuurwetten, die we als persoonlijkheidseigenschappen van de Levende Aarde kunnen beschouwen, sluiten aan bij de wezenlijke waarden van de Mensheid, andere staan er lijnrecht tegenover. Enkele voorbeelden:

  • Mensen zijn van nature erg territoriaal, net zoals de meeste levensvormen op aarde. Planten concurreren om licht en palmen hun territorium in door sneller te groeien dan de concurrentie, al dan niet in combinatie met chemische oorlogsvoering door via de wortels stoffen af te scheiden die giftig zijn voor andere plantensoorten. Diersoorten uit alle geledingen van het dierenrijk bekampen elkaar om leefruimte en voedsel. De verliezers van een dergelijke strijd, trekken weg of gaan ten onder. Bij mensen ging het er het grootste deel van de tijd dat we op aarde bestaan gelijkaardig aan toe. Het Aardewezen zet ons bijgevolg aan tot gedragspatronen die vaak lijnrecht ingaan tegen de waarden van het Wezen van de Mensheid. Op dit niveau streven we immers naar het op aarde neerzetten van de verbondenheid die we in ongeïncarneerde toestand zo gemakkelijk kunnen ervaren. Aarde en Mensheid zijn wat dit betreft elkaars Schaduw.

  • Anderzijds is er op aarde een intense verwevenheid binnen stabiele ecosystemen, waarbij elke soort elkaar helpt om te overleven. Ondergrondse netwerken van mycelia (schimmels) verbinden alle samen levende plantensoorten met elkaar en via deze weg worden voedingsstoffen uitgewisseld. Insecten en hoger ontwikkelde dieren worden gevoed met overvloedig geproduceerde vruchten en verspreiden op hun beurt de zaden van planten wiens vruchten ze plukken. Andere insecten staan in voor de bevruchting van bloemen waaruit die zaden en vruchten kunnen ontstaan. Kortom, het leven is verweven over de grenzen van soorten heen, ondanks de concurrentie tussen soorten en zelfs tussen individuen van dezelfde soort. Hier zien we een overlapping tussen de kwaliteiten van het Aardewezen en die van het Wezen van de Mensheid. Beiden streven naar het neerzetten van verwevenheid en verbondenheid. Voor beiden is het zich afkeren van deze verwevenheid een aspect van de Schaduw. Zowel het Aardewezen als het Wezen van de Mensheid lijden bijgevolg actueel onder de teloorgang van de biodiversiteit en de geïntegreerde ecosystemen, wat het gevolg is van menselijke industriële activiteiten.


Op het geheel van de kenmerken van het Aardewezen en de Schaduw die hieruit voortvloeit, gaan we in een later hoofdstuk dieper in. Het Aardewezen vormt de voornaamste bron van hoe de mensheid op aarde functioneert en dit heeft een grote invloed op de Schaduw Akasha’s. Er kunnen immers gemakkelijk conflicten ontstaan tussen waar het Wezen van de Mensheid naar streeft en wat voor het Aardewezen wenselijk is.

Enerzijds zijn veel van de vervuilende menselijke activiteiten gericht op het verdelen van welstand over grote bevolkingsgroepen en vloeien ze dus voort uit het streven naar wezenlijke verbondenheid. In dit geval behoort wat wezenlijk is voor de mensheid tot de Schaduw vanuit het gezichtspunt van het Aardewezen. Maar veel vervuilende activiteiten vloeien ook louter voort uit egoïstisch winstbejag. In dit geval zien we een overlapping tussen de Schaduw van de Mensheid en die van het Aardewezen.


Is het ingewikkeld? Ja, tenminste indien we in theorie alle mogelijke invalshoeken van waaruit we de Schaduw kunnen benaderen op een rijtje zetten. Maar op het niveau van de individuele mens, waarbij we op zoek gaan naar hoe de Schaduw zich bij een concreet persoon manifesteert, bieden al die invalshoeken de mogelijkheid om vrij nauwkeurig uit te vissen waar de inhouden van iemands Schaduw vandaan komen en hoe we het moeten aanpakken om de innerlijke conflicten die hier het gevolg van zijn, kunnen aanpakken en oplossen. In de praktijk is het overigens meestal voldoende om vanuit één invalshoek per keer te werken, op basis van een concreet emotioneel probleem.


**********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk uit mijn boek 'De Integratie van de Schaduw'  (Karmische Psychologie, Deel 4: Aarde en Schaduw - Boek II; verschijnt ergens in 2023)

 



 

vrijdag 14 juli 2023

De integratie van het licht na een bijna-doodervaring

 

De integratie van het licht na een bijna-doodervaring


Wat we als de Schaduw van onze ik-persoonlijkheid ervaren is erg relatief. De menselijke persoonlijkheid is namelijk behoorlijk complex opgebouwd en elk aspect ervan heeft zijn tegenpool. Afhankelijk vanuit welk oogpunt we kijken, worden we dus met een andere Schaduw geconfronteerd. Vanuit het standpunt van sommige ego’s vormt al het wezenlijke zodoende een Schaduw. Het heftigst komt dit tot uitdrukking bij mensen die met weinig wezenscontact door het leven gaan en materialistisch ingesteld zijn maar die plots, als gevolg van een bijna-doodervaring, met een overdosis aan wezenlijk bewustzijn in zichzelf geconfronteerd worden. Al het wezenlijke, met inbegrip van het besef een deel te zijn van een grotere Eenheid en de sterke verbondenheidgevoelens die daaruit voortvloeien, worden ervaren als ‘licht’. Dat licht vormde ten opzichte van hun vroegere, materialistische ik-persoonlijkheid in feite een Schaduw. Deze moeten ze zien te integreren1.

Hoe materialistischer de ik-persoonlijkheid was voorafgaand aan de BDE, hoe groter het contrast is tussen voor en na de ervaring en hoe ingrijpender en moeilijker de integratie van deze ervaring wordt. Indien een hooggevoelig mens een BDE ondergaat, is dit contrast in de regel niet zo groot. De ervaring bevestigt in die gevallen vooral de ingesteldheid die men voordien reeds had.

De integratie van het licht gebeurt vooral door te beginnen leven vanuit de waarden die men intuïtief heeft ervaren. Empathie en respect voor het leven spelen hierbij een hoofdrol, evenals de zoektocht naar zingeving. Men stelt zich anders op, gedraagt zich anders. In de praktijk houdt men meer rekening met anderen en relativeert men heel sterk alles wat tijdsgebonden is en louter met de materie te maken heeft. Hierover is reeds veel geschreven in de literatuur over bijna-doodervaringen.

Er zijn een viertal aspecten waaraan in de literatuur nog niet zo veel aandacht is besteed. Het eerste is de sterke nood aan een spiritueel concept, aan een levensfilosofie waarover men met anderen kan communiceren. Overlevers van een BDE zoeken systematisch naar een theoretisch kader dat hun intuïtieve waarden samenvat en overdraagbaar maakt.

Het tweede is dat men naar manieren zoekt om het respect voor het leven in de praktijk te brengen. Men ervaart intuïtief de ‘goddelijke vonk’ of de vonk van bewustzijn en levensenergie die door alle levende wezens gedeeld wordt, in zowel de meest complexe levensvormen als de meest onbeduidende. Hoe vertaal je dit naar een concrete manier van leven?

In de praktijk van het dagelijkse leven vormt het derde element misschien wel het moeilijkste om te leren mee omgaan: het verveelvoudigde vermogen tot empathisch meebeleven met de medemens. Dit heeft nogal wat praktische consequenties die het leven lang niet altijd eenvoudiger maken.

Als logisch gevolg van dit alles ontstaat ten slotte de noodzaak om een nieuw zelfbeeld op te bouwen. Je bent immers veranderd, maar wie ben je nu?


Wie een BDE heeft meegemaakt en die poogt te integreren in zijn leven, moet dus niet alleen een nieuw zelfbeeld en een andere manier van leven opbouwen – wat in vele gevallen ook een ander sociaal leven in een nieuwe sociale kring inhoudt – maar tevens een ander spiritueel concept dat men als leidraad kan gebruiken om zichzelf door de kronkelpaden van het leven heen te loodsen. Bij velen leidt dit tot een zoektocht doorheen alle bestaande en beschikbare spirituele concepten. Deze worden op hun waarde getoetst.

Deze neiging - deze behoefte eigenlijk – is het sterkst in geval men een BDE heeft gehad waarbij men tijdelijk is opgegaan in het contact met wat tegenwoordig ‘het Akasha-veld’ wordt genoemd. Dergelijke ervaringen zijn eerder zeldzaam en behoren niet tot het standaardpakket van de elementen van een doorsnee bijna-doodervaring. Deze ervaring houdt in dat men terechtkomt in een holistische manier van begrijpen hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Terwijl dit gebeurt weet men alles, heeft men inzichten in elk aspect van het leven en valt elke antwoord op elke vraag die men zich ooit kan stellen als vanzelf op zijn plek. Maar eens men teruggekeerd is naar het leven in het hier en nu, herinnert men zich weliswaar dat men alles geweten heeft, maar de kennis en inzichten zelf kan men blijkbaar niet zomaar meebrengen naar het dagelijks bewustzijn. Te veel kennis waar men in de praktijk niets mee kan aanvangen, zou alleen maar belastend en eventueel zelfs verlammend werken.

Ongeacht of men die speciale ervaring nu heeft meegemaakt of niet, draagt iedereen die terugkeert uit een bijna-doodervaring wel een fragment van die kennis met zich mee. Onbewust heeft men die inzichten mee teruggebracht naar het hier en nu, die men nodig heeft om verder te kunnen evolueren. Dit leidt tot een nieuwe visie op zichzelf en op de eigen levensomstandigheden,

Wat ook gebeurt – en dan vooral na een contactervaring met het Akasha-veld – is dat er een soort ‘waarheidsbewustzijn’ in het hart ontstaat. Dit zorgt er voor dat als men met een theorie over het leven of met een spiritueel concept in aanraking komt, men dat kan herkennen als iets wat in harmonie is met wat men in het Akasha-veld heeft ervaren. Als iets wat ermee in tegenspraak is, voelt men dat eveneens.


Sowieso ontwikkelen mensen die een bijna-stervenservaring overleefd hebben een concept over hoe de realiteit in elkaar zit. Maar dit concept is nooit in al zijn aspecten universeel toepasbaar omdat het nu eenmaal bestaat uit een fragment van de totale bestaande kennis. Het is aangepast aan wat men voor zichzelf nodig heeft en het zal voor veel andere mensen ook zinvol zijn, maar daarom niet altijd en op alles en iedereen van toepassing zijn. Een voorbeeld:

Een voormalig dokwerker die voordien volgens eigen zeggen een doorsnee materialistisch leven leidde, keert als een ander mens terug na meerdere BDE’s waarin hij telkens in contact kwam met de universele kennis die in het Akasha-veld was opgeslagen. Een van de praktische inzichten die hij hieraan heeft overgehouden is dat hij met minder angst in het leven moet staan. Hij leeft hier consequent naar en staat zichzelf niet meer toe om keuzes te maken vanuit zijn angst.

Dit inzicht is voor velen van toepassing, maar zeker niet voor alle mensen in alle omstandigheden. Er bestaan ook mensen die te roekeloos aangelegd zijn en die baat hebben bij meer leren luisteren naar de gezonde angsten die ervoor zorgen dat we geen fatale fouten begaan in ons leven.


Het volgende voorbeeld wordt maar al te vaak onterecht veralgemeend:

Meerdere mensen houden aan een bijna-doodervaring het besef over dat ze zelf kiezen voor de levensomstandigheden en de gebeurtenissen in hun leven. Dit principe is echter niet zonder meer toepasbaar voor mensen die gruwelijke dingen aantrekken zoals misbruik, marteling en geconfronteerd worden met oorlog en genocide. In individuele gevallen bestaat de mogelijkheid om zelf te kiezen voor wat men aantrekt, maar dan enkel indien men voldoende bewustzijn heeft ontwikkeld om vanuit karmische levenswijsheid te kunnen kiezen. De meeste mensen trekken gewoon onbewust die levensomstandigheden aan die meetrillen met hun sterkste onverwerkte ladingen. Dat men hieruit iets kan en moet leren is een understatement. Dat men via dat leerproces kan groeien in bewustwording en uiteindelijk kan leren om bewuste en wijze levenskeuzes te maken is eveneens een feit. Maar maak mensen die het gruwelijkste wat een mens meemaken kan aan den lijve ondervonden hebben, aub niet wijs dat ze hier zelf voor hebben gekozen. Niemand maakt vrijwillig een dergelijke keuze2.


Wie contact met het Akasha-veld heeft ervaren, kan dus in zijn hart voelen of een spiritueel idee al dan niet klopt met de herinnering aan het weten dat men tijdens de BDE heeft meegemaakt. Op die manier kan stap voor stap een spiritueel concept uitgebouwd worden, waarbij men welbepaalde ideeën ontwikkelt over de zin van het leven als mens op aarde. Typisch aan dit proces is dat men hongerig wordt naar alle spirituele ideeën die ooit te boek zijn gesteld, dat men alle bestaande spirituele denkbeelden en religieuze teksten bestudeert en dat men er datgene uithaalt wat volgens het waarheidsbewustzijn in het hart klopt. Dit alles gebeurt in de wetenschap dat men toch nooit in staat zal zijn het geheel van alle kennis te reconstrueren. Maar elke bijdrage in die richting is welkom en waardevol. Het leidt op zijn minst tot een serieuze schifting in de bestaande ideeën en concepten die door de verschillende dominerende religies en spirituele stromingen gepromoot worden.

Het blijft echter belangrijk om het toepassingsgebied van elk concept te beperken tot het domein waarop het van toepassing is. Zo zijn er inzichten die voor de Westerse mens van ons huidig tijdvak van toepassing zijn, maar die niet noodzakelijk gelden voor mensen uit andere tijden en andere culturen. Vaak is dit afhankelijk van het evolutiestadium waarin bepaalde bevolkingsgroepen zich bevinden of zelfs van de mensheid als geheel.

Zo zijn er bv groepen van mensen voor wie het primitieve idee over karma, dat inhoudt dat men zelf aantrekt wat men een ander ooit heeft aangedaan, geldig is omdat ze nog te weinig empathisch vermogen hebben ontwikkeld in zichzelf en dus via die weg leren om zich te verplaatsen in het leed dat men een ander kan aandoen. Voor mensen die wel zeer empathisch functioneren, gelden genuanceerdere karmische spelregels.


Het tweede werkpunt bij de integratie van het licht na een BDE, houdt in dat men in het dagelijks leven leert omgaan met het besef dat alle vormen van leven met elkaar verbonden zijn, evenveel waarde en evenveel bestaansrecht hebben. Het goddelijke manifesteert zich niet alleen in de mens maar in alle levensvormen op aarde.

Anderzijds keert men wel terug naar het leven op aarde, gebonden aan een lichaam dat voedsel nodig heeft, kledij, warmte en een dak om onder te slapen. Niets van dit alles kan er zijn zonder andere levensvormen dood te maken. Op aarde zijn we allemaal onderhevig aan de cyclus van eten en gegeten worden, kunnen we ons hier niet aan onttrekken en moeten we er ons dan ook naar gedragen. Het is dat of een langzame zelfmoord plegen door ons lichaam niet langer te geven wat het nodig heeft. En dan nog begaan we moorden: zelfs een verzwakkend lichaam beschikt nog steeds over een immuniteitssysteem dat automatisch bacteriën, schimmels, virussen en andere ziekmakers aanvalt en poogt te vernietigen. Ook deze levensvormen bevatten de goddelijke vonk.

Het besef van dit alles, leidt bij een groot deel van de overlevers van een BDE tot het omhelzen van de Boeddhistische principes die stellen dat men zelfs een insect niet doden mag. Anderen bekeren zich tot vegetarisme of zelfs veganisme. Maar uiteindelijk zijn dit allemaal slechts rituelen die men gebruikt om het gevoel van respect uit te drukken. Wie geen vlees eet, doodt wel nog steeds planten die eveneens met dezelfde vonk van universele levensenergie begiftigd zijn. En ons immuniteitssysteem stelt zich automatisch te weer tegen tal van levensvormen die ons lichaam als voedselbron willen gebruiken.

Het antwoord op dit dilemma is eigenlijk heel simpel: doe alles wat je moet doen om gezond te blijven, maar doe het met innerlijk respect. Trek het onkruid tussen de groentes uit omdat je weet dat je dit moet doen om voldoende gezond voedsel voor jezelf te kunnen kweken, maar doe het zonder kwaadheid, zonder agressie naar die plantjes. Neem antibiotica als dat niet anders meer kan, maar doe dit in het besef dat ook ziekmakende bacteriën hun bestaansrecht hebben, terwijl jij het aan je menselijke natuur verplicht bent om hen te bestrijden in je lichaam. Eet vlees en groenten in het besef dat je daardoor andere levende wezens hun leven ontneemt maar accepteer dat het leven op aarde in elkaar zit zoals het in elkaar zit.

Het is niet nodig om het kunstmatig idee voorop te stellen dat alle dieren en planten die ons in leven houden ‘door God aan ons zijn gegeven’ of speciaal voor ons zijn geschapen. Hiermee kunnen we wel ons schuldgevoel afkopen, maar tezelfdertijd doen we de realiteit geweld aan met een dergelijke stelling. Het volstaat om respect te hebben voor en verbondenheid te voelen met de levende wezens waarmee we ons voeden. Wie zijn wij, kleine mensjes ten slotte, om de aard van deze schepping in vraag te stellen?

In elk geval leidt het besef dat de vonk van goddelijk bewustzijn en levenskracht in elk levend wezen is terug te vinden tot een respectvollere ingesteldheid ten opzichte van al het leven dat ons omringt.


Het derde werkpunt is leren omgaan met het drastisch verhoogde empathisch bewustzijn. Niet iedereen heeft een terugblik op het voorbije gedeelte van zijn leven terwijl hij een BDE doormaakt, maar vrijwel iedereen keert terug met de manier van functioneren die eigen is aan deze terugblik: alles wat je doet, elke interactie met een ander mens beleef je niet louter vanuit je eigen standpunt maar tezelfdertijd met de emotionele reacties, de gevoelens en de gedachten van de andere betrokkenen.

Na de terugkeer in het aardse leven, blijven zowat alle overlevenden van een BDE op die manier functioneren. Bij de een is de verandering al wat intenser dan bij de ander, maar iedereen keert terug met een empathisch vermogen waarvan de volumeknop flink open is gedraaid.

Het maakt je veel gevoeliger voor zowel het leed als het welzijn van andere mensen, maar het maakt je in veel situaties ook kwetsbaarder, manipuleerbaarder en minder weerbaar. Er ontstaat een automatische rem op van je afbijten omdat je al direct de geschrokken, gekwetste of verontwaardigde reacties van de tegenpartij meebeleeft. In de beste gevallen leidt dit tot het zoeken naar relativerende en diplomatische manieren om geschillen te regelen, in het minst gunstige geval tot over je heen laten lopen.

Eén ding is in elk geval zeker: egoïstisch gedrag ten toon spreiden wordt zeer moeilijk, liegen of manipuleren quasi onmogelijk, een machtsstrijd voeren om wat dan ook, leidt direct tot uitputting.

De verhoogde empathie leidt een zoektocht in naar nieuw evenwicht tussen geven en ontvangen waarbij de grenzen tussen accepteren en incasseren, tussen geven en van je laten profiteren, tussen relativeren en over je heen laten lopen, grondig verkend worden. Een nieuw evenwicht wordt pas bereikt indien men een gezonde vorm van egocentrisme weet te ontwikkelen waarbij men tijd en ruimte creëert om iets vanuit zichzelf voor zichzelf te doen. Meestal gaat het om een creatieve bezigheid. Op die manier kan men de dominante werking van de empathie regelmatig een halt toeroepen en weer tot zichzelf komen.


Het integratieproces van wat men in het licht van een bijna-doodervaring heeft meegemaakt, heeft een ingrijpende invloed op de persoonlijkheid. Niet zelden veranderen mensen daardoor niet enkel in een vreemde voor hun omgeving, maar ook voor zichzelf. Het oude zelfbeeld dat hand in hand ging met bekende gewoontes en een vertrouwde manier van functioneren, dient tot niets meer. Het opbouwen van een nieuw zelfbeeld gaat meestal hand in hand met het ontwikkelen van een even nieuw wereldbeeld en daarmee is de cirkel rond.


Hoe jonger men is als men in een BDE wordt ondergedompeld, hoe minder de persoonlijkheidsveranderingen opvallen. De persoonlijkheid van een kind is nu eenmaal nog in volle ontwikkeling. Wel wordt deze ontwikkeling een beduidend andere richting ingestuurd dan bij kinderen die niet zoiets hebben meegemaakt. Een gevolg hiervan is dat BDE-kinderen zich veel vaker eenzaam en onbegrepen voelen dan andere kinderen. Ze maken meestal minder vrienden, maar hun vriendschappen zijn wel duurzamer van aard. Hun interesses wijken over het algemeen sterk af van die van hun leeftijdsgenoten. Hun reacties op situaties zijn in de regel te volwassen voor hun leeftijd.

In reactie hierop kunnen BDE-kinderen zich soms hard gaan afzetten tegen de levenslessen die ze tijdens hun ervaring hebben meegekregen, in een poging ‘gewoon’ te zijn, zich niet anders te voelen dan alle anderen. In dit geval wordt de integratie van het licht bemoeilijkt, maar anderzijds wordt hun oude ik-persoonlijkheid van voor de BDE niet volledig losgelaten. Uiteindelijk leidt dit tijdens de adolescentie meestal tot het vinden van een evenwicht tussen licht en Schaduw in zichzelf.


____________________________________________________________________________________

1 De omgekeerde redenering gaat eveneens op: de oude ik-persoonlijkheid wordt ervaren als een schaduwdeelpersoonlijkheid ten opzichte van de nieuwe persoonlijkheid met zijn intense wezenscontact. Zie ‘De integratie van de voormalige ik-persoonlijkheid na een bijna-doodervaring’.

2 Als gevolg van vergaande religieuze indoctrinatie kan het echter wel voorkomen dat iemand ervan overtuigd is ‘gestraft te moeten worden voor zijn zonden’, deze opvatting meeneemt naar een tussenbestaan en daar dan ‘kiest’ voor een leven in ellende.


**********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk uit mijn boek 'De Integratie van de Schaduw'  (Karmische Psychologie, Deel 4: Aarde en Schaduw - Boek II; verschijnt ergens in 2023)

 

 

zaterdag 24 juni 2023

De Schaduw van hoogsensitief slachtofferschap (Hoogsensitief -Anders Bekeken, aanvulling 26)

 

De Schaduw van hoogsensitief slachtofferschap


Hoogsensitieve personen hebben een intens wezenscontact en dat brengt onder meer met zich mee dat ze wat betreft hun keuzes en acties vooral vanuit verbondenheid vertrekken. Ze hebben de neiging om in de eerste plaats vanuit het collectief te denken en pas in tweede instantie met hun eigen behoeften rekening te houden, wat tot een verantwoordelijkheidsgevoel leidt dat bovengemiddeld is. Ze zijn zeer empathisch1 in de oorspronkelijke zin van dit woord, namelijk intens meebelevend met de emoties van de mensen met wie ze contact hebben. Daarenboven hebben ze een sterk ontwikkelde gewetensfunctie en zijn de meesten onder hen erg intuïtief. Wat kan er dan nog mis gaan met betrekking tot hun innerlijke Schaduw?

Het antwoord is: even veel als bij andere mensen.

Heel wat hoogsensitieve personen identificeren hun manier van functioneren met slachtofferschap. Door hun sterke empathie kunnen ze geen neen zeggen, als gevolg van hun verantwoordelijkheidsgevoel overladen ze zichzelf met meer verantwoordelijkheden dat goed voor hen is en hun sterke gewetensfunctie maakt het hen moeilijk om een ander op zijn plek te zetten wanneer dit nodig is, want ze willen niemand kwetsen. Wat ze intuïtief aanvoelen wordt daarenboven maar al te vaak door de buitenwereld genegeerd of weggezet als onzin of onnodig negativiteit. En dan kan het ook nog gebeuren dat ze als boodschapper van slecht nieuws beoordeeld worden als de veroorzaker van wat misgaat.

Bij hoogsensitieve mensen die zich systematisch slachtoffer voelen, groeit er in de Schaduw een tegenpool die empathieloos functioneert, die het eigen geweten opzij kan zetten en die enkel daardoor in staat is voor zichzelf op te komen, want vanuit hun hooggevoelige manier van functioneren kunnen ze dat niet. Die schaduwdeelpersoonlijkheid vertrekt louter vanuit het ik-denken en benadert contacten vanuit wantrouwen, want elk open contact kan tot empathische reacties leiden bij zichzelf en dan is het weer onmogelijk om voor zichzelf op te komen. Kortom, in de Schaduw huist een borderlinepersoonlijkheid, die in het slechtste geval kan evolueren tot een schaduwdeelpersoonlijkheid met narcistische trekjes.

Een hoogsensitief persoon die zich met het slachtofferschap identificeert, haalt zijn innerlijke kracht niet uit de eigen gevoeligheid, verbondenheid, empathie en intuïtie, maar moet kracht en eigenwaarde zoeken in de Schaduw. Om deze Schaduw te ontladen en te integreren is het nodig om juist wel te ontdekken hoeveel kracht en eigenwaarde men kan halen uit de hooggevoelige manier van functioneren. Concreet gaat het hierover:

- Intuïtie kan men leren aanwenden om aan te voelen wanneer het zinvol is om een ander te helpen en om op te pikken wanneer die persoon geneigd is om hiervan te profiteren of om zich van jou afhankelijk te maken. Dit leidt tot een gewetensvolle motivatie om neen te zeggen. Intuïtie wordt op die manier een krachtbron.

- De regels die men zichzelf oplegt vanuit het eigen geweten, kan men leren toepassen op de mensen met wie men omgaat, in plaats van enkel op zichzelf.

- Als het pijn doet om iemand te voelen in elkaar krimpen wanneer je die persoon op zijn grenzen wijst, laat dan die pijn toe en verwerk dit gegeven achteraf. Het is een soort van rouwproces waar je doorheen moet. Het betekent niet dat je plots te hard bent en dus slecht bezig bent.

- Meebeleven kan je leren scheiden van automatisch de verantwoordelijkheid nemen. Als je iemands noden aanvoelt, betekent dit niet automatisch dat je verantwoordelijk bent om hier iets aan te doen. Je hebt daarin de vrije keuze, waarbij je rekening kunt houden met wat je zelf aankan.

- Onredelijke reacties van anderen, kan je leren scheiden van je zelfbeeld. Je hoeft ze niet in te slikken en er een gebrek aan eigenwaarde aan over te houden.


Uiteraard is dit alles in de praktijk niet zo eenvoudig. Er moeten immers heel wat ingesleten patronen doorbroken worden en negatieve, vaak traumatiserende invloeden uit het verleden weggewerkt worden. Maar onmogelijk is het evenmin. En als hooggevoelig persoon wordt je uiteindelijk beloond met een positief zelfbeeld dat gebaseerd is op je hoogsensitieve eigenschappen, terwijl je Schaduw je niet langer opzadelt met een schuldcomplex omdat hij in stressituaties met je wegloopt.

1 Het begrip empathie wordt te pas en te onpas verkeerd gebruikt, vooral om menslievende beweegredenen mee te benoemen, maar je kan heel goed gericht zijn op goed doen voor een ander zonder echt mee te beleven met een ander, terwijl je wel vanalles op diens situatie projecteert, dus zonder dat echte empathie daarbij komt kijken.

 
**********************************************************************************

Deze tekst vormt een hoofdstuk uit mijn boek 'De Integratie van de Schaduw'  (Karmische Psychologie, Deel 4: Aarde en Schaduw - Boek II; verschijnt ergens in 2023)

 

vrijdag 14 oktober 2022

Opgroeien in co-ouderschap

 

Opgroeien in co-ouderschap

De generatie van mijn ouders – indien nog in leven zouden ze anno 2022 respectievelijk 98 en 100 jaar oud geweest zijn – scheidde nog niet. Hoe moeilijk of hachelijk hun relatie ook was, ze bleven bij elkaar, waardoor de meeste kinderen van mijn generatie consequent in één gezin opgroeiden, met één cultuur, één set van gewoontes en gebruiken, zeden en moraal. In de uitzonderlijke gevallen waarbij de partners om welke reden dan ook gescheiden van elkaar leefden, bleven de kinderen in de regel exclusief bij hun moeder. In nog uitzonderlijkere gevallen was dit bij hun vader, de grootouders of bij een ander familielid. Bijna zonder uitzondering ging het dus om een eenduidige situatie. Dat dit zijn eigen moeilijkheden, emotionele belasting en ontwikkelingsstoornissen meebracht indien de harmonie in het gezin ver te zoeken was, staat buiten kijf. Maar dit is niet het onderwerp van het huidige hoofdstukje.

De eerste generaties die als kind werden opgevoed door gescheiden ouders met een co-ouderschapovereenkomst, waarbij de kinderen afwisselend bij de ene ouder en de andere ouder verblijven, zijn intussen volwassen. Co-ouderschap lijkt op het eerste zicht een evenwichtige oplossing om de lasten van het opvoeden van kinderen eerlijk over beide ex-partners te verdelen, maar daarmee zijn de potentiële voordelen zowat opgesomd.

De jonge dertigers en late twintigers die nu als eerste volwassenen kunnen terugkijken op wat in de nabije toekomst mogelijk als een onzalig sociaal experiment zal beschouwd worden, leren ons dat de psychologische implicaties van opgroeien in twee gezinnen, met twee verschillende sets van gewoontes, taboes en verplichtingen, behoorlijk ver gaan en niet bepaald leiden tot het opbouwen van een persoonlijkheid uit één stuk, maar eerder de ontwikkeling van een vorm van bipolariteit in de hand werken.


In het ideale geval hebben de twee gezinnen waarin een kind van gescheiden ouders opgroeit dezelfde gewoontes op alle belangrijke vlakken, meer bepaald het omgaan met grenzen, het omgaan met emoties, de eetgewoontes, de mate waarin sociaal contact, creativiteit en rationele intelligentie gestimuleerd worden, eenzelfde stelsel van normen en waarden, een vergelijkbare mate van vertrouwen in het opgroeiende kind en gelijkwaardige financiële middelen. In dat ideaal geval liggen beide woonplekken bovendien niet ver van elkaar – het liefst autonoom bereikbaar voor het kind – en is er een open communicatie tussen beide ouders, zodat er ook een open contact kan zijn tussen het kind en de ouder waarbij het op dat moment niet verblijft. Slechts op die manier kan vermeden worden dat een kind twee aparte persoonlijkheden moet ontwikkelen om zich te kunnen aanpassen aan twee verschillende leefwerelden en zich te kunnen inpassen in twee verschillende gezinsculturen.

Maar zelfs in het ideale geval blijft er echter nog altijd een zeer pijnlijke consequentie voor het kind bestaan: week na week moet het afscheid nemen van één van zijn ouders en zal het die ene ouder een week lang missen. De meeste kinderen missen hun moeder erger dan hun vader. Logisch ook, enkel de moeder heeft het kind negen maanden in haar lichaam meegedragen en heeft het de borst kunnen geven. Gehechtheid aan de moeder is een cruciaal element van ons overlevingsinstinct dat we gemeen hebben met alle andere zoogdieren. Elk jong zoogdier dat onder bescherming van zijn moeder opgroeit heeft meer kans om te overleven, of het nu een spitsmuis is, een olifantenkalf of een mens. Binnen onze soort bestaan er uiteraard uitzonderingen, kinderen die zich meer hechten aan hun vader dan aan hun moeder en die dus hun vader harder zullen missen in een co-ouderschapsituatie. Maar het blijven uitzonderingen.

Dat gemis kan enigszins verzacht worden indien het kind vrij kan communiceren met de andere ouder dan deze bij wie het verblijft, maar zal desondanks nog steeds pijnlijk blijven. Indien dit niet zo is, zit er sowieso iets goed mis met de band tussen het kind en die ene ouder die schijnbaar probleemloos gemist kan worden.


In de praktijk is dit ideaalbeeld echter meestal ver te zoeken. De ouders van het kind zijn niet voor niets uit elkaar gegaan. Soms blijft de verstandhouding tussen beiden goed genoeg om zonder ruzie gezamenlijk de belangrijke beslissingen voor het kind te nemen en zijn er financiële afspraken waar beiden vrede mee hebben, maar vrijwel altijd is er een cultuurverschil met betrekking tot hoe er met emoties, grenzen en verantwoordelijkheid wordt omgegaan. Zelden ervaart een kind van gescheiden ouders in beide gezinnen een zelfde mate aan emotionele veiligheid en geborgenheid, evenveel positieve uitdagingen, evenveel harmonie en even duidelijke en redelijke grenzen.

In het grootste deel van de gevallen komt daar nog bij dat er een moeizame communicatie is tussen de ouders, of zelfs helemaal geen, dat het kind niet in de mogelijkheid is om contact te hebben met de ouder bij wie het niet verblijft, dat het terecht komt in één of twee nieuw samengestelde gezinnen met pluskinderen, een plusouder, halfbroertjes en/of halfzusjes. Nog erger wordt het indien de kinderen de inzet worden van een machtsspel, door de ene ouder tegen de ander opgezet worden of in een van beide gezinnen emotioneel of fysiek mishandeld of misbruikt worden.

Dergelijke veelvoorkomende situaties plegen een regelrechte aanslag op het vermogen van een kind om zelfvertrouwen op te bouwen, vertrouwen in de medemens en de maatschappij te leren ervaren, te leren hoe gezonde relaties in elkaar zitten, kortom om een gezonde en evenwichtige persoonlijkheid op te bouwen. Integendeel beginnen kinderen in een dergelijke gespleten situatie al snel een gespleten persoonlijkheid op te bouwen, waarbij de copingmechanismen die ze nodig hebben om in het ene gezin te overleven, maar al te vaak in de weg staan om zich goed te voelen in het andere gezin en al helemaal een belasting vormen om later vlot hun plek in het maatschappelijk weefsel te vinden.

Feitelijk hebben de meeste kinderen die in een co-ouderschapsituatie opgroeien van het begin af aan therapeutische begeleiding nodig om hun kwetsbare, zich volop ontwikkelende persoonlijkheid heel te houden.


Elk kind ervaart van nature loyaliteit naar beide ouders. Deze loyaliteit is niet afhankelijk van hoe goed het contact is, noch van de mate waarin er emotionele veiligheid ervaren wordt, het kind zich begrepen voelt of de hoeveelheid tijd en energie die ouders besteden aan de opvoeding. Een kind is op een instinctieve manier even loyaal aan een afwezige vader als aan een alomtegenwoordige vader; idem dito ten opzichte van een emotioneel verzorgende moeder of een egoïstische moeder. Van nature is de loyaliteit ten opzichte van de moeder echter sterker dan ten opzichte van de vader. Dit is een logisch gevolg van het feit dat enkel een vrouw een zwangerschap kan doormaken, tijdens dewelke het kind deelgenoot wordt van de emotionele belevingswereld van de moeder in spe.

Conflicten tussen beide ouders zetten deze aanvankelijk neutrale loyaliteit onder druk, ongeacht of deze conflicten bestaan binnen het gezin of blijven voortbestaan na een scheiding. In extreme situaties (mishandeling, misbruik) kan de liefde ten opzichte van één van de ouders omslaan in haat, maar ook dan is er nog een verscheurende loyaliteit ten opzichte van de ouder die door het kind wordt gehaat, wat zich vertaalt in schuldgevoel omwille van de eigen negatieve emoties. Dergelijke schuldgevoelens worden later ernstige obstakels om gezonde grenzen neer te zetten en aan te houden in de relaties die men als volwassene heeft.

Een scheiding zonder conflicten is quasi onbestaande. Elke scheiding zet bijgevolg de loyaliteit van het kind naar één of beide ouders op scherp. Indien het kind daarenboven niet goed behandeld wordt door één van beiden, of indien het getuige is van de mishandeling van de ene ouder door de andere, wordt daardoor tevens de liefde van die ouder in vraag gesteld. Maar als gevolg van de loyaliteit van het kind, zal deze in de regel eerder zijn eigen liefde voor de ouder in kwestie in vraag stellen, dan dat het de schuld hiervoor bij de ouder legt. Gevolg: nog meer onnodige en onterechte schuldgevoelens en nog meer ondermijning van het zelfvertrouwen dat zo nodig is om een gezonde persoonlijkheid op te bouwen.


Een kind dat in één gezin opgroeit, bouwt een bewuste ik-persoonlijkheid op aan de hand van de regels en de taboes die in dat gezin heersen. Het bouwt automatisch ook een schaduwdeelpersoonlijkheid op die alle onvervulde behoeftes en verlangens belichaamt die door de heersende gezinsmoraal naar de schaduw worden verwezen. Een kind dat in twee gezinnen opgroeit, met twee verschillende stelsels van regels en taboes, ondergaat dit proces eveneens twee maal, parallel aan elkaar. Twee ik-persoonlijkheden en twee schaduwkanten die elkaar vaak gedeeltelijk overlappen, zorgen voor een gespleten identiteit. Dergelijke kinderen weten vaak niet meer goed wie ze nu precies zijn en waar ze in moreel opzicht staan in de maatschappij, laat staan dat ze gemakkelijk hun plek vinden in de wereld.

Nog moeilijker wordt het indien de bewuste ik-persoonlijkheid in het ene gezin, de schaduwpersoonlijkheid in het andere gezin wordt en vice versa.

Een kind bv dat afwisselend opgroeit in enerzijds een gezin waarin geen grenzen bestaan, waar empathie geen rol speelt en waar er een asociale moraal heerst en anderzijds elke twee weken in een streng religieus gezin dient te functioneren, is hier een voorbeeld van. Wat in het ene gezin tot de taboes behoort en naar de schaduw verwezen wordt, is in het andere gezin de regel.


Het bovenstaande voorbeeld lijkt zodanig extreem dat het onrealistisch aandoet, maar in de praktijk komen er heel wat situaties in de buurt van een dergelijk extreem. Nog enkele uit de realiteit gegrepen voorbeelden en de bijbehorende psychologische gevolgen:

In het gezin van de ene ouder ervaart het kind duidelijke grenzen maar geen begrip. In het gezin van de andere ouder voelt het kind zich begrepen in zijn gevoeligheden en emotionele behoeften, maar de grenzen zijn hier quasi onbestaand. Er ontstaat bij het kind een verstrengeling tussen emotioneel onbegrip en grenzen krijgen, alsook een associatie tussen zich begrepen voelen en geen grenzen krijgen. Dit leidt als volwassene tot een onvermogen om grenzen te aanvaarden en te respecteren – zowel voor zichzelf als voor een ander – omdat bij elke confrontatie met iemand die grenzen neerzet de pijn van het zich onbegrepen voelen de kop op steekt. Hierdoor wordt de afweer geactiveerd naar alles wat naar grenzen neigt. Een dergelijke vicieuze cirkel wordt in de regel pas doorbroken nadat men zichzelf in emotionele, sociale en vaak ook financiële moeilijkheden heeft gewerkt als gevolg van die potentieel destructieve innerlijke dynamiek.

In een tweede voorbeeld heerst er in het ene gezin een cultuur waarbij veel aandacht besteed wordt aan gezonde voeding, lichaamsbewustzijn en intellectuele stimulans, maar geen vrijheid. In het andere gezin krijgt het kind veel keuzevrijheid en de kans om tijd aan andere interesses te besteden dan aan sport en studie, maar bestaat de eetcultuur grotendeels uit het afhalen van fastfood. Dit leidt tot een associatie tussen een gezonde levensstijl en onvrijheid enerzijds en tussen vrijheid en lichamelijke verwaarlozing anderzijds. Als volwassene kan dit leiden tot een vorm van bipolariteit waarbij periodes waarin intellectuele arbeid gekoppeld wordt aan een gezonde levensstijl, afgewisseld worden met weken van lichamelijke verwaarlozing in combinatie met emotioneel bevredigende bezigheden. Zelfdestructief gedrag, zoals toegeven aan verslavingen, ligt hierbij vlak om de hoek op de loer.

In een derde voorbeeld ervaart het kind in het ene gezin betrouwbaarheid en zorg, maar is er in dat gezin over het algemeen weinig animo. Het is er eerder saai en ongezellig. In het andere gezin gaat het er veel levendiger aan toe en is het in de regel gezellig. Maar daar kan het kind zich elke dag onverwacht in de steek gelaten voelen doordat er niet op tijd gekookt wordt, de ouder plots en onaangekondigd een hele dag weg is, omdat beloften vergeten en niet nagekomen worden, waardoor het bv zijn plan moet trekken om op tijd op school te geraken terwijl dat niet vanzelfsprekend is en er daarenboven weer eens geen eten in huis is. Het kan zijn dat dit in het latere leven leidt tot een star wantrouwen tegenover gezelligheid, in combinatie met zich emotioneel onontvankelijk opstellen, waarbij de keuze wordt gemaakt voor een saai, weinig ambitieus leven vanuit de behoefte aan veilige voorspelbaarheid en waarbij men allerlei kansen uit de weg gaat. Het kan ook leiden tot een leven waarin de gezellige situaties een niet te versmaden lokroep vormen, maar elke keer weer op een kater uitlopen en men maar blijft zoeken naar betrouwbaarheid in onveilige situaties. Of een afwisseling van beide.


Bij de therapeutische begeleiding van een kind in een co-oudersituatie dienen de volgende aspecten bekeken en opgevolgd te worden en als leidraad genomen te worden, om het potentieel uiteen groeien van twee persoonlijkheidshelften te vermijden:

  • De mate van emotionele veiligheid in beide gezinnen:

Voelt het kind zich in beide gezinnen even goed begrepen? Wordt er rekening gehouden met de emotionele behoeften en kwetsbaarheden van het kind? Hoeveel ruimte is er voor het uitdrukken van emotionele kwetsbaarheid?

  • De mate waarin er ruimte en acceptatie is voor het uitdrukken van alle emoties, dus niet enkel verdriet of vreugde of kwaadheid, maar het ganse spectrum van emoties waaraan elk normaal opgroeiend mens over beschikt, van angst over frustratie tot enthousiasme en koppigheid.

  • De fysieke veiligheid in beide gezinnen;

  • De ontwikkelingskansen op sociaal, emotioneel, creatief en intellectueel vlak;

  • De mate waarin een kind gestimuleerd wordt om volwassen te worden;

  • De mate waarin het kind kunstmatig klein gehouden wordt, afgeremd wordt in zijn natuurlijke ontwikkeling tot puber, adolescent en volwassene;

  • De mate waarin het kind kind mag zijn zolang het daar zelf behoefte aan heeft.

  • Het omgaan met grenzen:

Leert het kind in beide gezinnen de eigen grenzen respecteren? Leert het de grenzen van anderen respecteren en op welke manier gebeurt dat? Welke grenzen krijgt het kind opgelegd en op welke manier gebeurt dit?

  • Leert het kind communiceren en op welke manier? Of leert het in een van beide gezinnen om te zwijgen?

  • Voelt het kind zich in beide (vaak nieuw samengestelde) gezinnen even welkom?

  • Hoe groot is het verschil in materiële welstand in beide gezinnen en hoe wordt daarmee omgegaan?

  • Hoeveel fysieke ruimte krijgt het kind in en om het huis? Is er sprake van een eigen kamer? Mag het in de gemeenschappelijke ruimtes zijn gang gaan? Krijgt het de kans zich vrij en creatief uit te drukken in de tuin – als die er al is?


Op al deze punten kunnen er scherpe tegenstellingen bestaan en sterke dualiteiten ontstaan, die tot een gespletenheid in de persoonlijkheid van het opgroeiend kind kunnen leiden en tot ongezonde associaties zoals in de voorbeelden die eerder werden gegeven. Elk specifiek geval zal daarbij een unieke combinatie van tegenpolen vertonen.

Indien er geen ruimte is voor therapeutische begeleiding tijdens het opgroeien in co-ouderschap, kan dezelfde leidraad nog steeds nuttig zijn om als volwassene de traumatisering van het co-ouderschap te verwerken.


Vanuit de reïncarnatiepsychologie bekeken, zullen er vaak ook karmische relaties en vorige-levenstrauma’s ontdekt kunnen worden. Een voorbeeld:

Een overbeschermende ouder in het ene gezin kan daar goeie redenen voor hebben in het licht van traumatische gebeurtenissen uit een vorig leven, maar dat geeft nog geen vrijbrief aan die ouder om uit angst de ontwikkelingskansen van het kind te beknotten. In het andere gezin kan tezelfdertijd een cultuur heersen waarbij alles kan en mag, waardoor het kind op eenzelfde manier verwend wordt als tijdens een vorig leven toen het bij dezelfde ouder in welstand werd geboren, maar geen emotionele veiligheid kreeg.


Het uitpluizen van dergelijke karmische constellaties kan een bijdrage leveren tot het krijgen van inzicht in wat er gaande is en waarom iets mis loopt of dreigt te lopen, maar voor een opgroeiend kind is het hier en nu het enige wat telt, niet de vorige-levensgeschiedenis, tenzij in die uitzonderlijke situaties dat het kind lijdt onder zeer ernstige vorige-levenstrauma’s die de beleving van het hier en nu nodeloos verkleuren. De aanpak van een eventueel verstorende vorige-levensgeschiedenis mag nooit de prioriteit genieten ten opzichte van het aanpakken van de reële moeilijkheden. Redeneringen in de trant van ‘mijn kind heeft dit om karmische redenen aangetrokken en moet eruit leren’, mogen nooit een excuus zijn om niets te doen aan een ongezonde situatie, om niet alles te proberen om deze in positieve zin te beïnvloeden. Ook als de redenering waar is dat het kind een moeilijke situatie heeft aangetrokken in het kader van een dwingend karmisch leerproces, heeft het opgroeiend kind nood aan en recht op ondersteuning van de volwassenen om zich heen om die karmische leerprocessen tot een goed einde te kunnen brengen.

Een voorbeeld hiervan is een kind dat tijdens vorige levens te naïef was en daardoor vaak het slachtoffer was geworden van manipulatieve mensen die hiervan misbruik maakten. Tijdens het huidige leven is een van beide ouders manipulatief. Het kind kan daardoor opnieuw een ingang ontwikkelen om zich te laten manipuleren, indien het niet ondersteund wordt in het doorzien en doorprikken van die manipulatie. Het kan echter op een gezonde manier leren om manipulatieve communicatie te counteren indien het hierin door de andere ouder gesteund en gecoacht wordt, op een manier waarbij er toch nog voldoende respect is voor de natuurlijke loyaliteit tussen het kind en die manipulatieve ouder. Of door een therapeut.


Therapeutische kwaliteiten en diplomatische communicatie zijn hierbij geen overbodige luxe. Dat dit in de realiteit niet elke co-ouder gegeven is – en al zeker niet tegenover een ex-partner – is een bijkomend argument voor systematisch therapeutische ondersteuning voor het kind.

Een ander voorbeeld:

Een kind treft in het gezin van haar vader een stiefmoeder/plusmoeder die zich niet met haar kan verbinden en die het kind allerlei signalen geeft dat het niet echt welkom is. De karmische achtergrond hiervan is dat deze vrouw tijdens een vorig leven de biologische moeder van het kind was, maar dat ze toen moeder was geworden tegen haar zin, in een situatie die noch voor haar, noch voor haar kind gunstig was. De huidige situatie kan hierdoor opgevat worden als een nieuwe kans om de beladen moeder-kind band uit dat vorige leven vooralsnog gestroomlijnd te krijgen.

Maar in de realiteit was het vooral belangrijk dat het kind beschermd zou worden tegen de emotionele afwijzing van de plusmoeder - wat in de realiteit overigens niet is gebeurd – en dat de plusmoeder therapeutische hulp zou zoeken voor de destructieve emoties die ze ervoer tegenover een kwetsbaar kind voor wie ze deeltijds verantwoordelijk was. Wat evenmin is gebeurd. Wat ook gunstig was geweest is indien beide natuurlijke ouders het kind zouden beschermen en een constructieve dialoog hierover zouden aangaan met de plusmoeder. Door de onuitgesproken regel om zich niet met elkaars gezin te bemoeien, kwam dat laatste niet eens op bij de natuurlijke moeder.


Ik voorzie in de nabije toekomst een golf van psychische moeilijkheden die relatief nieuw zijn en die alle het gevolg zijn van de splijtende werking van het co-ouderschap, tenzij er zich heel wat therapeuten specialiseren in de behandeling van deze specifieke problemen en tenzij het eerder regel dan uitzondering wordt dat kinderen in een co-ouderschapsituatie hier therapeutische begeleiding bij krijgen en dat volwassenen die dat niet hebben gekregen hun weg hier naartoe vinden.

Was het in de tijd van mijn ouders, toen er nog een taboe bestond op scheiden, dan beter? Bij de ouder wordende volwassen die in de jaren veertig tot zeventig van de vorige eeuw zijn geboren, heerst er bv een golf van trauma’s die ontstaan zijn als het gevolg van het waanidee dat een pasgeboren kind kan geprogrammeerd worden om niet steeds opgepakt te willen worden, om niet te huilen en steeds maar om aandacht te vragen. Het gevolg hiervan is een hele schare van psychische en psychosomatische problemen, variërend van verlatings- en scheidingsangst, over slecht werkende inwendige organen tot verslavingen die het gebrek aan lichamelijk uitgedrukte en fysiek ervaren emotionele veiligheid moeten compenseren. De algemene consumptieverslaving in onze huidige samenleving is grotendeels het gevolg van de zo ontstane innerlijke leegtes die moeten gecompenseerd worden.

Een tweede golf van psychische moeilijkheden die in diezelfde periode is ontstaan, heeft te maken met de sociale druk die op vrouwen werd gezet om een groot gezin te stichten. Dit heeft geleid tot heel veel kinderen die geboren werden bij moeders die daar niet klaar voor waren of daar helemaal geen zin in hadden – vrouwen die liever hadden gestudeerd, het leven hadden verkend maar dat niet mochten - maar die dat niet aan zichzelf mochten toegeven, laat staan aan de buitenwereld. Gevolg: voor veel van die kinderen was het voelbaar dat ze niet gewenst waren. Als ouder wordende volwassenen kampen ze nu nog met de hechtingsmoeilijkheden, het lage zelfbeeld, de twijfels en de compensatiemechanismen (bv eetstoornissen) die daar het gevolg van zijn.

Nu deze twee epidemieën langzaam maar zeker aan het wegdeemsteren zijn doordat steeds meer vrouwen pas aan kinderen beginnen indien ze er zich klaar voor voelen en doordat de meeste ouders terug kiezen om hun kinderen overvloedig te knuffelen, op te tillen en niet te laten huilen in bed totdat ze het van uitputting opgeven, ontstaat er dus een nieuw type van psychische belasting die voor een nieuwe epidemie van psychische trauma’s dreigt te zorgen, met name het tot standaard verheven co-ouderschapmodel waarbij kinderen week na week moeten switchen tussen twee gezinnen met verschillende gezinsculturen en waardoor ze een vorm van bipolariteit in hun persoonlijkheid kunnen ontwikkelen.

************************************************************************************

 Deze tekst vormt een hoofdstukje van Karmische Psychologie deel 3: Relaties, Seksualiteit en Opvoeding, Hoofdstuk I: Opgroeien en Opvoeden.

Van de delen 3 en 4 van Karmische Psychologie worden de grote hoofdstukken tijdens de komende jaren als afzonderlijke boeken uitgegeven.

In de loop van 2023 verschijnt  als eerste boek 'Karmische Psychologie 3,Hoofdstuk I: Opgroeien en Opvoeden'

Van alle reeds uitgegeven boeken vind je meer informatie op mijn website www.henkcoudenys.be