Opgroeien
in co-ouderschap
De
generatie van mijn ouders – indien nog in leven zouden ze anno 2022
respectievelijk 98 en 100 jaar oud geweest zijn – scheidde nog
niet. Hoe moeilijk of hachelijk hun relatie ook was, ze bleven bij
elkaar, waardoor de meeste kinderen van mijn generatie consequent in
één gezin opgroeiden, met één cultuur, één set van gewoontes en
gebruiken, zeden en moraal. In de uitzonderlijke gevallen waarbij de
partners om welke reden dan ook gescheiden van elkaar leefden, bleven
de kinderen in de regel exclusief bij hun moeder. In nog
uitzonderlijkere gevallen was dit bij hun vader, de grootouders of
bij een ander familielid. Bijna zonder uitzondering ging het dus om
een eenduidige situatie. Dat dit zijn eigen moeilijkheden,
emotionele belasting en ontwikkelingsstoornissen meebracht indien de
harmonie in het gezin ver te zoeken was, staat buiten kijf. Maar dit
is niet het onderwerp van het huidige hoofdstukje.
De
eerste generaties die als kind werden opgevoed door gescheiden ouders
met een co-ouderschapovereenkomst, waarbij de kinderen afwisselend
bij de ene ouder en de andere ouder verblijven, zijn intussen
volwassen. Co-ouderschap lijkt op het eerste zicht een evenwichtige
oplossing om de lasten van het opvoeden van kinderen eerlijk over
beide ex-partners te verdelen, maar daarmee zijn de potentiële
voordelen zowat opgesomd.
De
jonge dertigers en late twintigers die nu als eerste volwassenen
kunnen terugkijken op wat in de nabije toekomst mogelijk als een
onzalig sociaal experiment zal beschouwd worden, leren ons dat de
psychologische implicaties van opgroeien in twee gezinnen, met twee
verschillende sets van gewoontes, taboes en verplichtingen,
behoorlijk ver gaan en niet bepaald leiden tot het opbouwen van een
persoonlijkheid uit één stuk, maar eerder de ontwikkeling van een
vorm van bipolariteit in de hand werken.
In
het ideale geval hebben de twee gezinnen waarin een kind van
gescheiden ouders opgroeit dezelfde gewoontes op alle belangrijke
vlakken, meer bepaald het omgaan met grenzen, het omgaan met emoties,
de eetgewoontes, de mate waarin sociaal contact, creativiteit en
rationele intelligentie gestimuleerd worden, eenzelfde stelsel van
normen en waarden, een vergelijkbare mate van vertrouwen in het
opgroeiende kind en gelijkwaardige financiële middelen. In dat
ideaal geval liggen beide woonplekken bovendien niet ver van elkaar –
het liefst autonoom bereikbaar voor het kind – en is er een open
communicatie tussen beide ouders, zodat er ook een open contact kan
zijn tussen het kind en de ouder waarbij het op dat moment niet
verblijft. Slechts op die manier kan vermeden worden dat een kind
twee aparte persoonlijkheden moet ontwikkelen om zich te kunnen
aanpassen aan twee verschillende leefwerelden en zich te kunnen
inpassen in twee verschillende gezinsculturen.
Maar
zelfs in het ideale geval blijft er echter nog altijd een zeer
pijnlijke consequentie voor het kind bestaan: week na week moet het
afscheid nemen van één van zijn ouders en zal het die ene ouder een
week lang missen. De meeste kinderen missen hun moeder erger dan hun
vader. Logisch ook, enkel de moeder heeft het kind negen maanden in
haar lichaam meegedragen en heeft het de borst kunnen geven.
Gehechtheid aan de moeder is een cruciaal element van ons
overlevingsinstinct dat we gemeen hebben met alle andere zoogdieren.
Elk jong zoogdier dat onder bescherming van zijn moeder opgroeit
heeft meer kans om te overleven, of het nu een spitsmuis is, een
olifantenkalf of een mens. Binnen onze soort bestaan er uiteraard
uitzonderingen, kinderen die zich meer hechten aan hun vader dan aan
hun moeder en die dus hun vader harder zullen missen in een
co-ouderschapsituatie. Maar het blijven uitzonderingen.
Dat
gemis kan enigszins verzacht worden indien het kind vrij kan
communiceren met de andere ouder dan deze bij wie het verblijft, maar
zal desondanks nog steeds pijnlijk blijven. Indien dit niet zo is,
zit er sowieso iets goed mis met de band tussen het kind en die ene
ouder die schijnbaar probleemloos gemist kan worden.
In
de praktijk is dit ideaalbeeld echter meestal ver te zoeken. De
ouders van het kind zijn niet voor niets uit elkaar gegaan. Soms
blijft de verstandhouding tussen beiden goed genoeg om zonder ruzie
gezamenlijk de belangrijke beslissingen voor het kind te nemen en
zijn er financiële afspraken waar beiden vrede mee hebben, maar
vrijwel altijd is er een cultuurverschil met betrekking tot hoe er
met emoties, grenzen en verantwoordelijkheid wordt omgegaan. Zelden
ervaart een kind van gescheiden ouders in beide gezinnen een zelfde
mate aan emotionele veiligheid en geborgenheid, evenveel positieve
uitdagingen, evenveel harmonie en even duidelijke en redelijke
grenzen.
In
het grootste deel van de gevallen komt daar nog bij dat er een
moeizame communicatie is tussen de ouders, of zelfs helemaal geen,
dat het kind niet in de mogelijkheid is om contact te hebben met de
ouder bij wie het niet verblijft, dat het terecht komt in één of
twee nieuw samengestelde gezinnen met pluskinderen, een plusouder,
halfbroertjes en/of halfzusjes. Nog erger wordt het indien de
kinderen de inzet worden van een machtsspel, door de ene ouder tegen
de ander opgezet worden of in een van beide gezinnen emotioneel of
fysiek mishandeld of misbruikt worden.
Dergelijke
veelvoorkomende situaties plegen een regelrechte aanslag op het
vermogen van een kind om zelfvertrouwen op te bouwen, vertrouwen in
de medemens en de maatschappij te leren ervaren, te leren hoe gezonde
relaties in elkaar zitten, kortom om een gezonde en evenwichtige
persoonlijkheid op te bouwen. Integendeel beginnen kinderen in een
dergelijke gespleten situatie al snel een gespleten persoonlijkheid
op te bouwen, waarbij de copingmechanismen die ze nodig hebben om in
het ene gezin te overleven, maar al te vaak in de weg staan om zich
goed te voelen in het andere gezin en al helemaal een belasting
vormen om later vlot hun plek in het maatschappelijk weefsel te
vinden.
Feitelijk
hebben de meeste kinderen die in een co-ouderschapsituatie opgroeien
van het begin af aan therapeutische begeleiding nodig om hun
kwetsbare, zich volop ontwikkelende persoonlijkheid heel te houden.
Elk
kind ervaart van nature loyaliteit naar beide ouders. Deze
loyaliteit is niet afhankelijk van hoe goed het contact is, noch van
de mate waarin er emotionele veiligheid ervaren wordt, het kind zich
begrepen voelt of de hoeveelheid tijd en energie die ouders besteden
aan de opvoeding. Een kind is op een instinctieve manier even loyaal
aan een afwezige vader als aan een alomtegenwoordige vader; idem dito
ten opzichte van een emotioneel verzorgende moeder of een egoïstische
moeder. Van nature is de loyaliteit ten opzichte van de moeder
echter sterker dan ten opzichte van de vader. Dit is een logisch
gevolg van het feit dat enkel een vrouw een zwangerschap kan
doormaken, tijdens dewelke het kind deelgenoot wordt van de
emotionele belevingswereld van de moeder in spe.
Conflicten
tussen beide ouders zetten deze aanvankelijk neutrale loyaliteit
onder druk, ongeacht of deze conflicten bestaan binnen het gezin of
blijven voortbestaan na een scheiding. In extreme situaties
(mishandeling, misbruik) kan de liefde ten opzichte van één van de
ouders omslaan in haat, maar ook dan is er nog een verscheurende
loyaliteit ten opzichte van de ouder die door het kind wordt gehaat,
wat zich vertaalt in schuldgevoel omwille van de eigen negatieve
emoties. Dergelijke schuldgevoelens worden later ernstige obstakels
om gezonde grenzen neer te zetten en aan te houden in de relaties die
men als volwassene heeft.
Een
scheiding zonder conflicten is quasi onbestaande. Elke scheiding zet
bijgevolg de loyaliteit van het kind naar één of beide ouders op
scherp. Indien het kind daarenboven niet goed behandeld wordt door
één van beiden, of indien het getuige is van de mishandeling van de
ene ouder door de andere, wordt daardoor tevens de liefde van die
ouder in vraag gesteld. Maar als gevolg van de loyaliteit van het
kind, zal deze in de regel eerder zijn eigen liefde voor de ouder in
kwestie in vraag stellen, dan dat het de schuld hiervoor bij de ouder
legt. Gevolg: nog meer onnodige en onterechte schuldgevoelens en nog
meer ondermijning van het zelfvertrouwen dat zo nodig is om een
gezonde persoonlijkheid op te bouwen.
Een
kind dat in één gezin opgroeit, bouwt een bewuste
ik-persoonlijkheid op aan de hand van de regels en de taboes die in
dat gezin heersen. Het bouwt automatisch ook een
schaduwdeelpersoonlijkheid op die alle onvervulde behoeftes en
verlangens belichaamt die door de heersende gezinsmoraal naar de
schaduw worden verwezen. Een kind dat in twee gezinnen opgroeit, met
twee verschillende stelsels van regels en taboes, ondergaat dit
proces eveneens twee maal, parallel aan elkaar. Twee
ik-persoonlijkheden en twee schaduwkanten die elkaar vaak
gedeeltelijk overlappen, zorgen voor een gespleten identiteit.
Dergelijke kinderen weten vaak niet meer goed wie ze nu precies zijn
en waar ze in moreel opzicht staan in de maatschappij, laat staan dat
ze gemakkelijk hun plek vinden in de wereld.
Nog
moeilijker wordt het indien de bewuste ik-persoonlijkheid in het ene
gezin, de schaduwpersoonlijkheid in het andere gezin wordt en vice
versa.
Een kind bv dat afwisselend
opgroeit in enerzijds een gezin waarin geen grenzen bestaan, waar
empathie geen rol speelt en waar er een asociale moraal heerst en
anderzijds elke twee weken in een streng religieus gezin dient te
functioneren, is hier een voorbeeld van. Wat in het ene gezin tot de
taboes behoort en naar de schaduw verwezen wordt, is in het andere
gezin de regel.
Het
bovenstaande voorbeeld lijkt zodanig extreem dat het onrealistisch
aandoet, maar in de praktijk komen er heel wat situaties in de buurt
van een dergelijk extreem. Nog enkele uit de realiteit gegrepen
voorbeelden en de bijbehorende psychologische gevolgen:
In het gezin van de ene ouder
ervaart het kind duidelijke grenzen maar geen begrip. In het gezin
van de andere ouder voelt het kind zich begrepen in zijn
gevoeligheden en emotionele behoeften, maar de grenzen zijn hier
quasi onbestaand. Er ontstaat bij het kind een verstrengeling tussen
emotioneel onbegrip en grenzen krijgen, alsook een associatie tussen
zich begrepen voelen en geen grenzen krijgen. Dit leidt als
volwassene tot een onvermogen om grenzen te aanvaarden en te
respecteren – zowel voor zichzelf als voor een ander – omdat bij
elke confrontatie met iemand die grenzen neerzet de pijn van het zich
onbegrepen voelen de kop op steekt. Hierdoor wordt de afweer
geactiveerd naar alles wat naar grenzen neigt. Een dergelijke
vicieuze cirkel wordt in de regel pas doorbroken nadat men zichzelf
in emotionele, sociale en vaak ook financiële moeilijkheden heeft
gewerkt als gevolg van die potentieel destructieve innerlijke
dynamiek.
In een tweede voorbeeld heerst
er in het ene gezin een cultuur waarbij veel aandacht besteed wordt
aan gezonde voeding, lichaamsbewustzijn en intellectuele stimulans,
maar geen vrijheid. In het andere gezin krijgt het kind veel
keuzevrijheid en de kans om tijd aan andere interesses te besteden
dan aan sport en studie, maar bestaat de eetcultuur grotendeels uit
het afhalen van fastfood. Dit leidt tot een associatie tussen een
gezonde levensstijl en onvrijheid enerzijds en tussen vrijheid en
lichamelijke verwaarlozing anderzijds. Als volwassene kan dit leiden
tot een vorm van bipolariteit waarbij periodes waarin intellectuele
arbeid gekoppeld wordt aan een gezonde levensstijl, afgewisseld
worden met weken van lichamelijke verwaarlozing in combinatie met
emotioneel bevredigende bezigheden. Zelfdestructief gedrag, zoals
toegeven aan verslavingen, ligt hierbij vlak om de hoek op de loer.
In een derde voorbeeld ervaart
het kind in het ene gezin betrouwbaarheid en zorg, maar is er in dat
gezin over het algemeen weinig animo. Het is er eerder saai en
ongezellig. In het andere gezin gaat het er veel levendiger aan toe
en is het in de regel gezellig. Maar daar kan het kind zich elke dag
onverwacht in de steek gelaten voelen doordat er niet op tijd gekookt
wordt, de ouder plots en onaangekondigd een hele dag weg is, omdat
beloften vergeten en niet nagekomen worden, waardoor het bv zijn plan
moet trekken om op tijd op school te geraken terwijl dat niet
vanzelfsprekend is en er daarenboven weer eens geen eten in huis is.
Het kan zijn dat dit in het latere leven leidt tot een star
wantrouwen tegenover gezelligheid, in combinatie met zich emotioneel
onontvankelijk opstellen, waarbij de keuze wordt gemaakt voor een
saai, weinig ambitieus leven vanuit de behoefte aan veilige
voorspelbaarheid en waarbij men allerlei kansen uit de weg gaat. Het
kan ook leiden tot een leven waarin de gezellige situaties een niet
te versmaden lokroep vormen, maar elke keer weer op een kater
uitlopen en men maar blijft zoeken naar betrouwbaarheid in onveilige
situaties. Of een afwisseling van beide.
Bij
de therapeutische begeleiding van een kind in een co-oudersituatie
dienen de volgende aspecten bekeken en opgevolgd te worden en als
leidraad genomen te worden, om het potentieel uiteen groeien van twee
persoonlijkheidshelften te vermijden:
Voelt het kind zich in beide
gezinnen even goed begrepen? Wordt er rekening gehouden met de
emotionele behoeften en kwetsbaarheden van het kind? Hoeveel ruimte
is er voor het uitdrukken van emotionele kwetsbaarheid?
-
De
mate waarin er ruimte en acceptatie is voor het uitdrukken van alle
emoties, dus niet enkel verdriet of vreugde of kwaadheid, maar het
ganse spectrum van emoties waaraan elk normaal opgroeiend mens over
beschikt, van angst over frustratie tot enthousiasme en koppigheid.
-
De
fysieke veiligheid in beide gezinnen;
-
De
ontwikkelingskansen op sociaal, emotioneel, creatief en
intellectueel vlak;
-
De
mate waarin een kind gestimuleerd wordt om volwassen te worden;
-
De
mate waarin het kind kunstmatig klein gehouden wordt, afgeremd wordt
in zijn natuurlijke ontwikkeling tot puber, adolescent en
volwassene;
-
De
mate waarin het kind kind mag zijn zolang het daar zelf behoefte aan
heeft.
-
Het
omgaan met grenzen:
Leert het kind in beide
gezinnen de eigen grenzen respecteren? Leert het de grenzen van
anderen respecteren en op welke manier gebeurt dat? Welke grenzen
krijgt het kind opgelegd en op welke manier gebeurt dit?
-
Leert
het kind communiceren en op welke manier? Of leert het in een van
beide gezinnen om te zwijgen?
-
Voelt
het kind zich in beide (vaak nieuw samengestelde) gezinnen even
welkom?
-
Hoe
groot is het verschil in materiële welstand in beide gezinnen en
hoe wordt daarmee omgegaan?
-
Hoeveel
fysieke ruimte krijgt het kind in en om het huis? Is er sprake van
een eigen kamer? Mag het in de gemeenschappelijke ruimtes zijn gang
gaan? Krijgt het de kans zich vrij en creatief uit te drukken in de
tuin – als die er al is?
Op
al deze punten kunnen er scherpe tegenstellingen bestaan en sterke
dualiteiten ontstaan, die tot een gespletenheid in de persoonlijkheid
van het opgroeiend kind kunnen leiden en tot ongezonde associaties
zoals in de voorbeelden die eerder werden gegeven. Elk specifiek
geval zal daarbij een unieke combinatie van tegenpolen vertonen.
Indien
er geen ruimte is voor therapeutische begeleiding tijdens het
opgroeien in co-ouderschap, kan dezelfde leidraad nog steeds nuttig
zijn om als volwassene de traumatisering van het co-ouderschap te
verwerken.
Vanuit
de reïncarnatiepsychologie bekeken, zullen er vaak ook karmische
relaties en vorige-levenstrauma’s ontdekt kunnen worden. Een
voorbeeld:
Een overbeschermende ouder in
het ene gezin kan daar goeie redenen voor hebben in het licht van
traumatische gebeurtenissen uit een vorig leven, maar dat geeft nog
geen vrijbrief aan die ouder om uit angst de ontwikkelingskansen van
het kind te beknotten. In het andere gezin kan tezelfdertijd een
cultuur heersen waarbij alles kan en mag, waardoor het kind op
eenzelfde manier verwend wordt als tijdens een vorig leven toen het
bij dezelfde ouder in welstand werd geboren, maar geen emotionele
veiligheid kreeg.
Het
uitpluizen van dergelijke karmische constellaties kan een bijdrage
leveren tot het krijgen van inzicht in wat er gaande is en waarom
iets mis loopt of dreigt te lopen, maar voor een opgroeiend kind is
het hier en nu het enige wat telt, niet de vorige-levensgeschiedenis,
tenzij in die uitzonderlijke situaties dat het kind lijdt onder zeer
ernstige vorige-levenstrauma’s die de beleving van het hier en nu
nodeloos verkleuren. De aanpak van een eventueel verstorende
vorige-levensgeschiedenis mag nooit de prioriteit genieten ten
opzichte van het aanpakken van de reële moeilijkheden. Redeneringen
in de trant van ‘mijn kind heeft dit om karmische redenen
aangetrokken en moet eruit leren’, mogen nooit een excuus zijn om
niets te doen aan een ongezonde situatie, om niet alles te proberen
om deze in positieve zin te beïnvloeden. Ook als de redenering waar
is dat het kind een moeilijke situatie heeft aangetrokken in het
kader van een dwingend karmisch leerproces, heeft het opgroeiend kind
nood aan en recht op ondersteuning van de volwassenen om zich heen om
die karmische leerprocessen tot een goed einde te kunnen brengen.
Een voorbeeld hiervan is een
kind dat tijdens vorige levens te naïef was en daardoor vaak het
slachtoffer was geworden van manipulatieve mensen die hiervan
misbruik maakten. Tijdens het huidige leven is een van beide ouders
manipulatief. Het kind kan daardoor opnieuw een ingang ontwikkelen
om zich te laten manipuleren, indien het niet ondersteund wordt in
het doorzien en doorprikken van die manipulatie. Het kan echter op
een gezonde manier leren om manipulatieve communicatie te counteren
indien het hierin door de andere ouder gesteund en gecoacht wordt, op
een manier waarbij er toch nog voldoende respect is voor de
natuurlijke loyaliteit tussen het kind en die manipulatieve ouder. Of
door een therapeut.
Therapeutische
kwaliteiten en diplomatische communicatie zijn hierbij geen
overbodige luxe. Dat dit in de realiteit niet elke co-ouder gegeven
is – en al zeker niet tegenover een ex-partner – is een bijkomend
argument voor systematisch therapeutische ondersteuning voor het
kind.
Een
ander voorbeeld:
Een kind treft in het gezin
van haar vader een stiefmoeder/plusmoeder die zich niet met haar kan
verbinden en die het kind allerlei signalen geeft dat het niet echt
welkom is. De karmische achtergrond hiervan is dat deze vrouw
tijdens een vorig leven de biologische moeder van het kind was, maar
dat ze toen moeder was geworden tegen haar zin, in een situatie die
noch voor haar, noch voor haar kind gunstig was. De huidige situatie
kan hierdoor opgevat worden als een nieuwe kans om de beladen
moeder-kind band uit dat vorige leven vooralsnog gestroomlijnd te
krijgen.
Maar in de realiteit was het
vooral belangrijk dat het kind beschermd zou worden tegen de
emotionele afwijzing van de plusmoeder - wat in de realiteit
overigens niet is gebeurd – en dat de plusmoeder therapeutische
hulp zou zoeken voor de destructieve emoties die ze ervoer tegenover
een kwetsbaar kind voor wie ze deeltijds verantwoordelijk was. Wat
evenmin is gebeurd. Wat ook gunstig was geweest is indien beide
natuurlijke ouders het kind zouden beschermen en een constructieve
dialoog hierover zouden aangaan met de plusmoeder. Door de
onuitgesproken regel om zich niet met elkaars gezin te bemoeien, kwam
dat laatste niet eens op bij de natuurlijke moeder.
Ik
voorzie in de nabije toekomst een golf van psychische moeilijkheden
die relatief nieuw zijn en die alle het gevolg zijn van de splijtende
werking van het co-ouderschap, tenzij er zich heel wat therapeuten
specialiseren in de behandeling van deze specifieke problemen en
tenzij het eerder regel dan uitzondering wordt dat kinderen in een
co-ouderschapsituatie hier therapeutische begeleiding bij krijgen en
dat volwassenen die dat niet hebben gekregen hun weg hier naartoe
vinden.
Was
het in de tijd van mijn ouders, toen er nog een taboe bestond op
scheiden, dan beter? Bij de ouder wordende volwassen die in de jaren
veertig tot zeventig van de vorige eeuw zijn geboren, heerst er bv
een golf van trauma’s die ontstaan zijn als het gevolg van het
waanidee dat een pasgeboren kind kan geprogrammeerd worden om niet
steeds opgepakt te willen worden, om niet te huilen en steeds maar om
aandacht te vragen. Het gevolg hiervan is een hele schare van
psychische en psychosomatische problemen, variërend van verlatings-
en scheidingsangst, over slecht werkende inwendige organen tot
verslavingen die het gebrek aan lichamelijk uitgedrukte en fysiek
ervaren emotionele veiligheid moeten compenseren. De algemene
consumptieverslaving in onze huidige samenleving is grotendeels het
gevolg van de zo ontstane innerlijke leegtes die moeten gecompenseerd
worden.
Een
tweede golf van psychische moeilijkheden die in diezelfde periode is
ontstaan, heeft te maken met de sociale druk die op vrouwen werd
gezet om een groot gezin te stichten. Dit heeft geleid tot heel veel
kinderen die geboren werden bij moeders die daar niet klaar voor
waren of daar helemaal geen zin in hadden – vrouwen die liever
hadden gestudeerd, het leven hadden verkend maar dat niet mochten -
maar die dat niet aan zichzelf mochten toegeven, laat staan aan de
buitenwereld. Gevolg: voor veel van die kinderen was het voelbaar dat
ze niet gewenst waren. Als ouder wordende volwassenen kampen ze nu
nog met de hechtingsmoeilijkheden, het lage zelfbeeld, de twijfels en
de compensatiemechanismen (bv eetstoornissen) die daar het gevolg van
zijn.
Nu
deze twee epidemieën langzaam maar zeker aan het wegdeemsteren zijn
doordat steeds meer vrouwen pas aan kinderen beginnen indien ze er
zich klaar voor voelen en doordat de meeste ouders terug kiezen om
hun kinderen overvloedig te knuffelen, op te tillen en niet te laten
huilen in bed totdat ze het van uitputting opgeven, ontstaat er dus
een nieuw type van psychische belasting die voor een nieuwe epidemie
van psychische trauma’s dreigt te zorgen, met name het tot
standaard verheven co-ouderschapmodel waarbij kinderen week na week
moeten switchen tussen twee gezinnen met verschillende gezinsculturen
en waardoor ze een vorm van bipolariteit in hun persoonlijkheid
kunnen ontwikkelen.
************************************************************************************
Deze tekst vormt een hoofdstukje van Karmische Psychologie deel 3: Relaties, Seksualiteit en Opvoeding, Hoofdstuk I: Opgroeien en Opvoeden.
Van de delen 3 en 4 van Karmische Psychologie worden de grote hoofdstukken tijdens de komende jaren als afzonderlijke boeken uitgegeven.
In de loop van 2023 verschijnt als eerste boek 'Karmische Psychologie 3,Hoofdstuk I: Opgroeien en Opvoeden'
Van alle reeds uitgegeven boeken vind je meer informatie op mijn website www.henkcoudenys.be