De Duizendpoot
(Met een knipoog naar een onvoltooid project van wijlen Gregi De Maeyer en Koen Van Mechelen.)
Een duizendpoot, klein en rood, had gaven bij de vleet. Met zijn eerste paar poten bespeelde hij de dwarsfluit, met zijn tweede paar beroerde hij de trom. Een viool en een strijkstok in zijn derde potenpaar zorgde voor wonderlijk harmonieuze klanken en met zijn vierde paar zwaaide hij de maat. Als hij het musiceren moe was, ging hij schilderen met kwasten en olieverf. Daarvoor gebruikte hij zijn vijfde en zijn zesde paar poten. Met vier poten tegelijk schilderend, maakte hij portretten van de kevers en de slakken.
Zijn zevende en zijn achtste potenpaar gebruikte hij enkel om te rolschaatsen. Maar hoe! Hij schaatste in sierlijke bochten, maakte pirouettes en danste met een duizelingwekkende snelheid in het rond, rollend op vier rolschaatsen tegelijk.
Potenpaar negen gebruikte hij om gedichten te schrijven en nummer tien voor het schrijven van toneelstukken die niemand ooit uitvoerde. De andere kleine dieren om hem heen waren immers te druk in de weer met eten zoeken en overleven, ze konden geen tijd vrij maken om te acteren.
Zijn elfde en twaalfde paar poten gebruikte hij om op te dansen. Hij beheerste zowel de flamenco als de Keltische dansen. Maar het meest hield hij van tapdansen. Daarbij gebruikte hij vier poten tegelijk die aan een ongelofelijke snelheid op de grond roffelden terwijl de rest van zijn lijf heen en weer zwaaide. Uiteraard speelde hij zelf de muziek waarop hij danste.
Hij had nog acht poten over, waarop hij voorlopig alleen nog maar liep, maar daar zou gauw verandering in komen, want hij was van plan om te leren breien, sierhaken en beeldhouwen en daar zou hij nog drie paar poten voor kunnen gebruiken. Zijn twee laatste poten hield hij in reserve. Je kon immers nooit weten welke inspiratie de toekomst bracht.
Met zijn ogen kon hij lezen: minstens tien mensentalen had hij onder de knie. En ten slotte had hij ook nog zijn stem. Met zijn stem kon hij niet alleen zingen, maar ook heel overtuigend praten. Als hij iets aan iemand uitlegde, dan moest die wel naar hem luisteren en wie lang genoeg naar hem luisterde, gaf hem altijd gelijk.
Ondanks dat hij barstte van de talenten en de levenslust had de duizendpoot een probleem, één probleem slechts, maar dan wel eentje van grote omvang: hij was te klein.
Als hij stond te musiceren, was het een wervelend spektakel. Hij blies op zijn dwarsfluit, begeleidde zichzelf op de trom en speelde de tweede stem op zijn viool. Maar weinigen hoorden hem. Af en toe bleef er een mier of een kever staan, een enkele keer beroerde hij de harten van een groep lieveheersbeestjes, maar hoogst zelden werd hij gezien of gehoord door een groter dier.
Zijn indrukwekkendste luisteraars tot nu toe waren een veldmuis en een merel geweest en die laatste had op het eind van de voorstelling niet geapplaudisseerd maar naar hem gepikt. De merel had hem slechts gezien als een pikant dessertje. Sindsdien had hij vogels gemeden, hoe muzikaal ze verder ook waren.
Neen, hij wilde een publiek bereiken dat bestond uit mensen. Aan hen wou hij zich laten zien, aan hen wilde hij zich laten horen. Maar de enige mensen die hij van dichtbij had meegemaakt, hadden zonder hem op te merken, hem bijna vertrapt.
Mensen…zij zouden hem wel kunnen waarderen, dacht hij. Mensen hadden immers cultuur, veel meer dan bijen, wespen of vleermuizen. En mensen hadden macht, want mensen bepaalden hoe de wereld eruit zag tegenwoordig, veel meer dan de koeien of de bomen dat deden. Ook zijn leefwereld.
Zijn
vorige woonst, een rotte boomstam, was door mensen opgeruimd. Het
tuinhuis waarin hij nu woonde, was door mensen gemaakt. Mensen
brachten katten mee, katten met vlooien en diezelfde mensen
vernietigden de nesten van mieren en muizen. Mensen maakten muziek,
net als hij. Ze schreven verslagen en verhalen in kranten en
tijdschriften. Ze publiceerden foto’s van schilderijen,
beeldhouwwerken en moderne kunst. Dat alles had de
duizendpoot
gezien en geregistreerd met zijn scherpzinnige geest.
De mensenmuziek die hij had gehoord, bestond vooral uit luide, dreunende, ritmische klanken die de pieren uit de grond trilden. Het had hem geïnspireerd, maar zijn eigen muziek was mooier. Mooi maar niet luid genoeg. In elk geval was ze te stil voor mensenoren.
Op een dag baande de duizendpoot zich een weg door een vochtige hoop oude tijdschriften. Toen hij helemaal bovenaan de stapel kwam, zag hij dat het bovenste magazine opengeslagen lag en hij begon te lezen.
…Boeddhisten geloven in reïncarnatie. Volgens hen keren we na de dood terug in een ander lichaam: dat van een mens of van een dier. Het is daarom dat voor Boeddhisten elk levend wezen heilig is. Sla je een insect dood, dan vermoord je volgens hen één van je medemensen die als lagere levensvorm is weergekeerd omdat hij in zijn vorige leven veel fouten had gemaakt…
De duizendpoot las niet verder. Zou dat het zijn? Was hij vroegere misschien een mens geweest? Hij voelde zich in elk geval geen ‘lagere levensvorm’ en van fouten die hij zou hebben gemaakt, wist hij ook niets af. Hij voelde zich immers veel beter dan de mensen die hij kende, want hij kon drie muziekinstrumenten tegelijk spelen en zij hoogstens twee! Maar zij waren groot en hij was onbeduidend klein.
In een ander tijdschrift las hij iets wat hem hoop gaf. De titel van het artikel was: ‘Verhalen en legenden uit het oude China’.
Van
keizer Quigong, die leefde in de eerste eeuw voor onze jaartelling,
werd verteld dat hij met dieren kon praten. Hij converseerde niet
enkel met wolven, beren, tijgers en jachtvalken, hij zou zelfs de
dialoog met spinnen en insecten niet geschuwd hebben. Hieraan dankte
hij zijn macht, want via de dieren kwam hij alles te weten wat er in
zijn rijk gebeurde. Hij was dan ook op de hoogte van elk ongenoegen
dat onder de bevolking leefde en van elke opstand die werd
voorbereid. Ook wordt beweerd dat hij deze gave aan de oudste van
zijn nazaten doorgaf. Tot op de dag van vandaag leven er
nakomelingen van deze illustere
keizer in het Ginkgo-gebergte,
waar zijn keizerlijke burcht zou hebben gestaan.
Toen de duizendpoot dit las, ging er een schok door hem heen. Een mens die met hem kon praten, die moest hij vinden! Hem zou hij wel kunnen overtuigen van zijn talent.
De duizendpoot vertrok onmiddellijk op reis, maar met zijn korte pootjes ging hij niet zo snel vooruit, ondanks dat hij er tweeëndertig had. Hij had wel één groot voordeel: door zijn jarenlange verblijf tussen vochtige tijdschriften had hij heel goed leren lezen. Zo kwam het dat hij omhoog kroop langs een paal naast een bushokje om de dienstregeling te lezen. Daardoor had hij al snel door welke bus hij nemen moest om bij de luchthaven te komen.
Hij
glipte in de handtas van een oud dametje – ze had haar tasje
eventjes op degrond gezet – en zo slaagde hij erin in de bus
binnen te glippen. Voor het vliegtuig naar Hongkong gebruikte hij
dezelfde truc, maar nu glipte hij in de aktetas van een zakenman.
Maar net voor het vliegtuig opsteeg, scheelde het geen haartje of hij
werd fijn geknepen in een zakdoek die de man uit zijn tas viste. Het
was de enige vochtige plek die de duizendpoot had weten te vinden in
het koffertje met de kurkdroge papieren, de fles aftershave, de
tandenborstel en het scheerapparaat. Gelukkig kon hij zich net op
tijd op de grond laten vallen en snel wegkruipen. Het vliegtuig
steeg op en vanuit zijn schuilplaats had de duizendpoot
een
voorspoedige reis.
De duizendpoot zocht naar een manier om veilig het vliegtuig uit te komen. Ze stonden immers op het punt om te landen en veel tijd had hij niet meer. Het personeel zette achteraan in het toestel de stofzuiger reeds klaar om direct na het uitstappen van de passagiers met de grote schoonmaak te beginnen. De duizendpoot, die verscholen zat in het bagagerek boven de zitplaatsen, keek met schrik naar de superkrachtige industriële alleszuiger. Zo wilde hij niet aan zijn einde komen. Hij wilde trouwens helemaal nog niet sterven. Hij wilde zijn talenten op de mensenwereld loslaten en nu moest hij eerst een mens zien te vinden die met hem kon praten, ergens in het Ginkgo-gebergte.
Hij verzamelde al zijn moed, kroop uit zijn schuilplaats en spiedde in het rond naar een ontsnappingsmogelijkheid. Op de achterste rij zaten twee mannen met kaalgeschoren hoofden, gekleed in oranje gewaden. ‘Dit zijn vast Boeddhistische monniken,’ dacht de duizendpoot. ‘Ik herken ze van op de foto in het tijdschrift. Zij worden mijn redding!’
Hij begon aan een moeizame tocht door het bagagerek: over handtassen en hoeden klauterend, door jassen heen glippend, uitglijdend op de gechromeerde metalen buizen van het rek. Hij ontsnapte op het nippertje aan een hand die naar een paar dameshandschoenen grabbelde en hij verloor kostbare minuten toen hij verstrikt raakte in een zijden sjaal die in een hoekje lag gepropt. Bijna had hij in de vinger gebeten van een man die zijn brillendoos pakte, maar hij had zich nog net op tijd weten te beheersen. Zijn beet was immers behoorlijk pijnlijk en flink giftig. Hij kon maar beter geen aandacht trekken.
Toen hij eindelijk boven de twee monniken zat, liet hij zich naar beneden vallen, zomaar, hopend dat hij goed zou terechtkomen. Een gerichte sprong had immers geen zin, want hij was zodanig licht dat elke luchtverplaatsing hem centimeters opzij blies. Hij plofte op de kale kop van de dikste van de twee. Zijn buurman, die wel een hoofd groter was, keek opzij en begon te lachen.
‘De reïncarnatie van één van onze zondige broeders zit op je hoofd, broeder Rama,’ zei hij spottend.
‘Zou het die oude Bannerjee kunnen zijn die vorige zomer is gestorven?’ lachte zijn vriend mee, terwijl hij zijn ogen zo ver mogelijk naar boven draaide in een poging om op zijn eigen hoofd te kijken. ‘Als wat is hij weergekeerd? Als spin?’
De
duizendpoot bleef stil zitten op de kale kop, geboeid luisterend naar
het grappige
gesprek.
‘Nee, broeder Rama, als duizendpoot! En dat past wel bij hem. Hij had altijd zodanig veel te doen dat hij geen tijd overhield om te bidden of te mediteren.’
Ze lachten allebei en doordat de dikke begon te schuddebuiken, waarbij zijn hoofd meeschokte, gleed de duizendpoot van zijn uitkijkpost af. Vliegensvlug glipte hij in de zak van het oranje gewaad van broeder Rama.
De
twee Indische Monniken stapten uit het vliegtuig in de luchthaven van
Hongkong. Ze waren op weg naar hun broeders in een groot Tibetaanse
klooster in het Himalaya-gebergte. Uit een oude, vochtige landkaard
die hij had bestudeerd voor zijn vertrek, wist de duizendpoot dat het
Ginkgo-gebergte aan de voet van de Himalaya lag, dicht bij de grens
met Tibet. Hij besloot dan ook om zo lang mogelijk met de twee
monniken mee te reizen. Ze gingen niet alleen de goeie richting uit,
bij hen wist hij zich veilig. Ze zouden nooit een ander
levend
wezen pijn doen of doden. Dat werd hen immers verboden door hun
geloof. Ze leken het zelfs uitermate grappig te vinden telkens hij
uit één van hun zakken opdook of als ze hem in hun bagage vonden.
In het Boeddhistische klooster in het Tibetaanse Himalaya-gebergte waren het drukke tijden. Uit alle delen van de wereld stroomden er monniken toe. De duizendpoot had zich een plekje veroverd in de keuken, tussen de etensvoorraden. Hij smulde van de yak-kaas die gemaakt werd van de melk van een soort langharige bergkoeien en hij sliep in een grote mand met theeblaadjes.
De eerste dagen was hij gewoon moe geweest van zijn reis en van de ijle berglucht. De lucht was hier wel zuiver – er waren geen stinkende uitlaatgassen en geen rioolgeurtjes - maar er was gewoon te weinig zuurstof, zoals in elk hooggebergte. Twee dagen lang had hij alleen maar geslapen en gegeten. Maar nu vulde hij zijn tijd met luisteren.
Hij was absoluut niet bang van de monniken. Eenmaal hadden ze hem samen met een handvol theeblaadjes in een pot gegooid, maar voordat ze het kokende water op de thee hadden gegoten, had de kok hem er voorzichtig met een theelepeltje uitgevist. Sindsdien zat hij vaak openlijk in de keuken of in de eetzaal, op een voorraadkist of zelfs op de tafel.
De meeste monniken waren Tibetanen, behalve dan de twee Indiërs, Rama en Nikhil, met wie hij samen naar hier was afgezakt en de andere buitenlanders: een tiental Nepalezen, evenveel Buthanezen, enkele Amerikanen en vier Europeanen. Maar de kok was een Chinees die vrolijk met zijn houten lepel zwaaide terwijl hij al zingend soep kookte. Soms spatte de soep in dikke klodders van zijn pollepel op de muur als hij vergat dat hij net in zijn pot had geroerd. Maar dat kon hem niet schelen.
In de eetzaal die tevens dienst deed als vergaderruimte, werd vaak langdurig gediscussieerd. De monniken praatten er over de oorlogen in de wereld en over de noodzaak om wereldvrede te stichten. Ze wilden de wereld rondreizen om alle mensen ervan te overtuigen dat vrede noodzakelijk was, maar ze raakten het niet eens over hoe ze de regeringsleiders ertoe konden aanzetten om te stoppen met oorlog voeren tegen elkaar.
Op een avond stond de anders zo vrolijke kok te mopperen boven zijn soepketel. ‘Die domoren van monniken! Denken ze nu werkelijk dat de ministers en presidenten en partijleiders van deze wereld zomaar zullen doen wat ze vragen? Die mannen luisteren alleen maar naar de klank van geld. En naar macht, maar dat is het zelfde. Wie geld heeft, heeft macht.’
De duizendpoot vond dit machtig interessant. Hij zou dus rijke mensen moeten vinden om hem te helpen. Maar hij had ook te doen met zijn Chinese vriend die verder ging met mopperen.
‘Als ze er zelf rijker en machtiger van worden, zullen ze vrede willen, maar dat doen ze toch niet, want de meesten denken dat ze rijker worden door oorlog te voeren. En nu denken mijn medebroeders dat ze alle mensen ter wereld tot het Boeddhisme kunnen bekeren omdat alleen onze godsdienst de mensen nooit aanzet om oorlog te voeren. Maar dat zal niet lukken. Want altijd zullen er mensen zijn met een andere religie die willen oorlog voeren met ons. Dat is hier in Tibet gebeurd. China heeft het land gewoon van de kaart geveegd. Tibet is een Chinese provincie geworden en onze geestelijke leiders zijn vermoord of op de vlucht, net zoals onze hoogste leider, de Dalai Lama.’
Toen deed de duizendpoot iets wat hij sinds het begin van zijn reis niet meer had gedaan: hij haalde zijn muziekinstrumenten te voorschijn. Hij speelde een vrolijk deuntje op zijn viool en tezelfdertijd een droevig lied op zijn dwarsfluit. Het klonk heel gek en hij deed het om de kok aan het lachten te maken, want de man had er nog nooit zo zorgelijk uitgezien.
‘Bwah, hij hoort me niet eens!’ mompelde de duizendpoot boos toen hij zag dat de kok gewoon voor zich uit zat te staren in plaats van vrolijk te lachen met zijn muzikale grap. De Chinees keek op. Zijn ogen zochten de duizendpoot.
‘O, ik heb je wel gehoord hoor,’ zei hij plots. ‘Je speelt heel mooi. Maar ik moest terugdenken aan mijn kindertijd in de Ginkgo-bergen. Jouw muziek herinnerde me aan het krekelorkest dat ik op zomeravonden in de bergwei achter ons huis zo vaak heb gehoord.’
De duizendpoot keek verwonderd op.
‘Waarom ben je hier eigenlijk?’ vroeg de kok toen tot zijn verbazing. ‘Ik weet allang dat je een intelligent wezen bent. Je hebt echt wel lang gewacht met praten. Je bent hier met een doel, is het niet?’
‘Eeh…euh…ja…’stamelde de verbaasde duizendpoot. ‘Ik…euh…ik zou graag…ik wil eigenlijk… Nou ja, niemand let ooit op mij. Ik ben te klein. Niemand ziet mij. Ik kan vanalles en niemand weet het. Niemand hoort me. Behalve jij nu toevallig. Ik wil mijn muziek aan de mensen laten horen en niemand luistert. Hooguit krijg ik eens aandacht van een slak of een regenworm, maar zij snappen er toch niets van. Ze dansen niet eens. En nu ben ik op zoek naar mensen die me willen helpen, want als de mensen eenmaal door hebben wat ik kan, zal ik niet meer genegeerd worden. Jullie hebben het toch voor het zeggen in de wereld?’
‘En daarvoor kom je naar een Boeddhistisch klooster in de Himalaya?’ lachte de kok. ‘Wij monniken hebben echt niet veel te zeggen hoor in deze wereld. Zeker niet hier. Dit is Tibet, een land in oorlog. De Chinese soldaten vechten hier tegen Tibetaanse monniken die niet terugvechten en die niet eens meer mogen beslissen waar ze heen gaan. We mogen ons niet meer met de leiding van het land bemoeien. We mogen alleen nog maar bidden. We mogen zelfs niet naar het buitenland reizen. Er zijn wel veel mensen die luisteren naar ons, maar niet de rijke zakenlui, niet de ministers of de presidenten. Die houden met ons niet meer rekening dan met een duizendpoot.’
‘Maar…maar…’ stotterde de duizendpoot,’ ik wil alleen maar dat de mensen mijn schilderijen zien en dat ze genieten van mijn muziek, dat ze lachen als ik op mijn rolschaatsen dans, dat…’
Hij werd onderbroken door de schaterlach van de kok.
‘Oh wat stom van me. Jij bent natuurlijk helemaal niet bezig met de wereldvrede zoals mijn medebroeders. Jij bent gewoon met jezelf bezig.’
Nu reageerde de duizendpoot verontwaardigd.
‘Ik ben helemaal niet alleen met mezelf bezig! Ik ben bezig met kunst. En mijn kunst wil ik delen met anderen. Ik heb er genoeg van om op mijn eentje plezier te maken. Ik wil anderen laten meegenieten.’
De kok stopte met lachen en dacht diep na.
‘Misschien heb je wel gelijk. Kunst kent geen grenzen. Misschien moeten alle volkeren ter wereld kunst uitwisselen om elkaar te leren waarderen. Genieten van elkaars muziek, elkaars dansen leren…of samen iets doen. Misschien…’ dacht hij hardop, ‘…misschien is dat wel de oplossing voor ons probleem.’
Het kon de duizendpoot eigenlijk allemaal niet zo veel schelen. Zolang de kok hem maar niet meer uitlachte. Hij pakte zijn muziekinstrumenten en speelde verder.
‘Kom,’ zei de kok de volgende ochtend tegen de verbaasde duizendpoot. ‘Ik wil dat je aanwezig bent op de volgende beraadslaging.’
De duizendpoot liet zich gewillig op de houten pollepel vallen en terwijl hij over de rand keek werd hij door zijn Chinese vriend naar de eetzaal gebracht. De kok zwaaide met de houten lepel heen en weer toen hij binnen kwam en onze arme duizendpoot werd er flink misselijk van.
‘Hier is de oplossing voor ons probleem,’ zei de kok triomfantelijk. Alle monniken keken verbaasd naar de zwierende pollepel.
‘Ga je een vredessoepje koken?’ vroeg broeder Rama lachend.
‘En moeten wij die soep aan alle regeringsleiders ter wereld voederen?’ spotte zijn spitsbroeder Nikhil.
‘Heb je ook slabbetjes voorzien?’ vroeg een monnik die uit Nederland kwam. ‘Want onze koningin is al behoorlijk oud!’
De duizendpoot keek verbaasd vanuit zijn schuilplaats naar de bende uitgelaten monniken, die als kleine jongens allerlei onzin naar elkaar riepen.
‘Ha, daar hebben we onze verstekeling,’ zei Rama, toen het gelach verstomd was. Hij was de eerste die het rode kopje zag dat over de rand van de pollepel stak.
‘We hebben samen met het vliegtuig gereisd,’ verduidelijkte zijn vriend Nikhil toen hij de verbaasde blikken van de anderen zag.
‘Onze kleine vriend hier,’ sprak nu de kok, ‘heeft me de oplossing van ons probleem aangereikt. Dank zij hem weet ik hoe we onze vredesmissie vorm kunnen geven.’
Weer klonk er luid gelach.
‘Wil je een insectenplaag op de wereld loslaten?’ vroeg iemand spottend. ‘Of is die kleine rode draak zo gevaarlijk dat alle koningen voor hem in het stof zullen kruipen?’
Er werd nog eventjes gelachen, maar de meeste monniken keken toch nieuwsgierig naar de kok.
‘Deze duizendpoot,’ zei de kok, ‘ heeft evenveel talenten als dat hij poten heeft.’
‘Niet waar,’ onderbrak de duizendpoot hem, ‘ongeveer half zoveel. Voor alles wat ik doe, gebruik ik minstens twee poten.’ Maar de Chinees was de enige die hem hoorde.
‘Kijk maar!’ zei de kok. En tot de duizendpoot fluisterde hij: ‘Dit is de kans van je leven: een zaal vol mensen die naar je kijken en luisteren. Toon maar wat je kan en geef het beste van jezelf.’
De duizendpoot nam een beetje verlegen zijn viool en speelde aarzelend een wijsje. De verbaasde monniken luisterden muisstil naar de bijna onhoorbare fluwelen klanken. Toen de muziek stopte, klapten ze in hun handen. Voor de duizendpoot was dit het sein om alle remmen los te gooien. Hij vergat zijn plankenkoorts en gaf een nummertje tapdans weg. Vervolgens overtrof hij zichzelf door al rolschaatsend over de tafel drie instrumenten tegelijk te spelen en toen hij tot stilstand kwam en hijgend een buiging maakte, nam hij trots het warme applaus in ontvangst.
‘Zeg broeder kok’, lachte Rama, ‘ik wist niet dat jij drakentemmer was. Hoe heb je hem dat allemaal geleerd?’
‘Ik heb hem niets geleerd,’ antwoordde de kok. ‘Ik heb enkel met hem gepraat. Hij kon alles al toen hij hier toekwam. Hij zocht gewoon naar een kans om het aan mensen te tonen en zijn zoektocht heeft hem bij ons gebracht.’
‘Nu moet je toch even serieus worden,’ sprak een Amerikaanse monnik die eigenlijk uit Ierland kwam en Sean heette. Hij krabde aan zijn sproetige neus. ‘Ik wil veel geloven, maar dat je met deze kleine rode draak kunt praten, dat geloof ik niet.’
‘Ik wist het zelf ook niet,’ zei de kok aarzelend, ’maar ik versta hem echt als hij iets zegt en hij verstaat ons allemaal.’
Bij deze woorden stond de duizendpoot op, liep naar een bordje met okergele saus dat op tafel was blijven staan na de laatste maaltijd en doopte er een stel poten in. In grote, sierlijke letters schreef hij op de tafel:
‘HET IS WAAR!’ waarna hij zijn poten aflikte en de kok een complimentje gaf. ‘Lekker pikant is dit.’
‘Dank je wel. Deze chutney heb ik gemaakt naar een oud familierecept,’ antwoordde zijn Chinese vriend.
De monniken begonnen nu allemaal door elkaar te praten.
‘Maar dat kan toch niet!’
‘Geen mens kan met insecten praten!’
‘Verbazingwekkend’
‘Onmogelijk!’
‘De kok praat met kakkerlakken.’
‘Welnee, met insecten.’
‘Een duizendpoot is geen insect.’
‘Er moet toch een verklaring zijn.’
Ze stopten even plots als ze begonnen waren, toen ze zagen dat de duizendpoot weer aan het schrijven was.
‘K-EI-Z-E-R QU-I-GO-NG’ lazen de monniken in koor.
‘Keizer Quigong? Wie is in Boeddha’s naam keizer Quigong?’ vroeg één van hen.
Het klinkt Chinees,’ zei een ander en toen keken ze allemaal naar de kok.
‘Er bestaat een legende in de streek waar ik vandaan kom,’ begon deze aarzelend. ‘Thuis, in het Ginkgo-gebergte kent iedereen het verhaal van Keizer Quigong, die éénentwintig honderd jaar geleden leefde... Volgens de legende ontleende hij zijn macht aan het feit dat hij met dieren kon praten. De allergrootste zowel als de allerkleinste dieren vertelden hem wat er in zijn rijk gebeurde. Mijn moeder plaagde er mij altijd mee dat ik een afstammeling van de oude keizer was, maar ik dacht toen dat het niet meer dan een grapje was. Nu denk ik dat het misschien wel waar is…’
‘Wel uwe keizerlijke hoogheid,’ grapte broeder Rama, ‘welke koninklijke soep maak je voor ons vanavond?’
De kok, die zich serieus beledigd voelde, antwoordde door met zijn grote lepel een schep chutney te nemen en die op Rama’s kale knikker te mikken. Rama schraapte de klodder met zijn rechterhand van zijn gezicht en gooide hem terug, waarna hij uitgebreid zijn vingers ging aflikken. De dikke klodder saus miste echter zijn doel en kwam in het gezicht terecht van Séan de Amerikaan. Die gooide de steeds kleiner en slapper wordende klodder naar een Engelsman die John heette en die hij niet goed luchten kon. De saus verdween in Johns baard. Dit was het sein voor een algehele smodderpartij: twee Nepalezen trokken snel de sauskom naar zich toe en hadden daardoor de meeste munitie. De Buthanezen vluchtten naar de keuken, want zij werden nu het meest bestookt.
Toen ze uitgeraasd waren, vroeg broeder John: ‘Beste keizer-kok-broeder-Quigong-de-zoveelste, welk geniaal plan had je nu eigenlijk in gedachten? En welke rol speelt onze kleine draak hierin?’
De duizendpoot was best trots op zijn nieuwe naam. Kleine Draak. En het plan van zijn keizerlijke vriend zag hij helemaal zitten. Hij was blij dat hij diegene had gevonden voor wie hij naar China was gereisd en dat hij niet ook nog eens op weg moest naar de Ginkgo-bergen.
‘Kleine Draak,’ had de kok gezegd, ‘symboliseert de kiem van het vredesproces. Hij is zo klein dat hij gemakkelijk over het hoofd kan gezien worden en al even gemakkelijk vernietigd kan worden. Zo gaat het ook met de vrede tussen de mensen. Maar als hij gezien wordt, dan vloeit daar alleen maar vreugde uit voort: muziek, dans, kunst, schoonheid en plezier. We moeten Kleine Draak en zijn talenten zichtbaar maken, groot laten worden en daarvoor zullen we de hulp vragen van alle landen ter wereld.’
Het praktische gedeelte van het plan was niet zo eenvoudig uit te voeren: er zou een reusachtige robot-duizendpoot gemaakt worden, die alles deed wat Kleine Draak deed, maar dan wel luid, groot en onmogelijk te negeren. Aan alle regeringsleiders zou gevraagd worden om een bijdrage te leveren: zestien landen zouden elk een segment van het lichaam kunnen maken of bekostigen, andere landen zouden voor de poten kunnen zorgen. Het hoofd kon door nog een ander land gemaakt worden en dan moest er nog voor een reusachtige dwarsfluit gezorgd worden, een grote trom, een gigantische viool, rolschaatsen… Kortom er was zoveel nodig dat elk land ter wereld wel een bijdrage zou kunnen leveren.
‘Nou, wat vind je ervan?’ vroeg de kok aan de duizendpoot. ‘Al wat jij in het klein doet, wordt straks door een stalen robot van tweeëndertig meter lang en twee meter hoog uitgevoerd in het groot.’
‘Mmm…’ mompelde de duizendpoot ontevreden. ‘Ik wil niet zo’n stalen ding. Volgens mij zal mijn vioolspel klinken als een zingende zaag, mijn fluitspel als de wind die door de waslijnen blaast en mijn trommel als een blikken doos. Ijzer klinkt gewoon niet goed.’
‘Maar wat stel je dan zelf voor, Kleine Draak?’
‘Kristal.’
‘Maar, kristal… dat is veel te duur. Dat is onbetaalbaar. En ook nog eens vreselijk breekbaar. Dat zou betekenen dat alleen de rijke landen kunnen meedoen.’
‘Kristal,’ herhaalde de duizendpoot. ‘Anders zoek je maar een andere duizendpoot. Ik wil een kristalheldere klank. Mijn zang moet klinken als een koor in een kathedraal en mijn muziek moet harten ontroeren. Mijn…’
‘Al goed! Al goed!’ suste de kok. ‘Dan maken we hem een stukje kleiner, maar van kristal. En vergeet dat dansen dan maar, want kristal is te breekbaar om mee te tapdansen of op rolschaatsen rond te hossen. Dan wordt het maar een tien meter lange muzikale duizendpoot van kristal, als symbool voor de schoonheid en de breekbaarheid van de vrede.’
Onze kleine draak kon zich wel schikken in dit compromis. Hij was in elk geval reeds verzekerd van een reuzengrote, bewegende kristallen robot die hem voor het oog van de wereld zichtbaar en hoorbaar zou maken.
Een week later vertrok er een groepje monniken. Ze begonnen aan een reis rond de wereld om geld en steun te verzamelen voor hun ‘Duizendpoot voor de Vrede’. De twee Indische monniken waren erbij, evenals John, de Engelsman en Séan, de Ierse Amerikaan. De Nederlandse monnik, die Rob heette, zou ook een tijdje met hen meereizen en in zijn thuisland afscheid van hen nemen. De Tibetaanse monniken mochten hun land niet verlaten van de Chinese soldaten die hun land bezetten en de anderen kwamen uit arme landen zoals Buthan en Nepal. Zij mochten in de meeste landen niet binnen omdat ze arm waren en misschien niet terug zouden willen gaan naar hun eigen land als ze eenmaal in een rijk land waren aangekomen.
De enige uitzondering was de kok. Aangezien alleen hij met de duizendpoot praten kon, moest hij wel mee. Maar ook voor hem was het heel moeilijk om een reisvisum te krijgen. Dus kochten ze voor hem een vals Australisch paspoort van enkele zware jongens die in de buurt van het klooster rondzwierven omdat ze door de politie gezocht werden voor het smokkelen van whisky en sigaretten uit India naar China.
De eerste etappe van de reis ging richting België. Daar woonde een kunstenaar die Rob nog kende van tijdens zijn studententijd. Deze kunstenaar wilde maar al te graag meewerken. Eerst zou hij van klei een beeld van de duizendpoot boetseren en daarna zou hij van elk segment van het lichaam een grote vorm maken die gebruikt kon worden als model voor de kristallen constructie.
Vervolgens reisde het gezelschap naar Amerika. Daar werd contact gezocht met een bedrijf dat zich had gespecialiseerd in elektronica en computergestuurde robottechnologie. Maar daar begonnen de moeilijkheden. De directeur van het bedrijf vond het een interessante uitdaging om de grote duizendpootrobot te laten bewegen en hij stond helemaal achter het vredesproject, maar… hij wilde eerst geld zien, veel geld. Hij wilde genoeg geld krijgen om al zijn werkvolk te kunnen betalen en om de allernieuwste technologische snufjes uit te kunnen proberen. Anders zou zijn bedrijf failliet gaan.
‘Wat nu?’ vroeg Rama zich luidop af toen ze uit het kantoor van de directeur naar buiten kwamen.
‘Bwah,’ zei John, ‘al die Amerikanen zijn hetzelfde. Gladde jongens die je aan het lijntje houden met mooie beloften. Maar als puntje bij paaltje komt denken ze alleen maar aan geld! Ze hebben geen eergevoel, geen klasse. We hadden het aan een Engels bedrijf moeten vragen.’
Séan, die voortdurend ruzie maakte met de Engelsman, hield er uiteraard een andere mening op na.
‘Er is geen enkel Brits bedrijf dat onze opdracht aankan. Deze Amerikanen zijn de enigen die ons kunnen helpen. We moeten gewoon geld zien te vinden.’
‘Er is hier anders wel geld genoeg,’ sneerde John terwijl hij opzij sprong voor een glimmende Cadillac die het groepje voetgangers bijna omver reed. ‘Maar vrijgevigheid kennen ze niet.’
‘We moeten een audiëntie bij de president aanvragen,’ opperde Séan. En niet zonder trots voegde hij eraan toe: ‘Hij is een achterneef van mij.’
Maar neef of geen achterneef, de president wilde het groepje monniken niet ontvangen. Hoe ze ook smeekten, hoeveel brieven ze ook schreven, met wie ze ook praatten, ze kregen geen toestemming om de president te zien.
’s Avonds op hun hotelkamer zat de kok te zuchten.
‘Kleine Draak, ik denk dat we te naïef en te overmoedig zijn geweest. Ons plan maakt geen enkele kans. Als we geen steun krijgen van de president van de Verenigde Staten, zullen de andere landen ons evenmin helpen.’
‘Waarom laten jullie mij het woord niet doen? Ik denk dat ik hen wel kan overtuigen,’ sprak de duizendpoot.
‘Maar Kleine Draak, ik ben de enige die met jou kan praten. De andere mensen horen jouw stem niet eens.’
‘Dan moeten we daar eerste iets aan doen,’ vond de duizendpoot.
De volgende ochtend overlegden de monniken tijdens het ontbijt wat hen te doen stond.
‘Wat denkt Kleine Draak er eigenlijk van?’ vroeg Rama aan de kok.
De duizendpoot zat in de broodmand kruimels ontbijtkoek te smullen. Hij stak zijn hoofd door een gat in het mandje en zei al smakkend: ‘Jullie moeten mijn stem hoorbaar maken en dan spreek ik zelf wel met die prinsen en koningen.’
De kok vertaalde zijn boodschap.
‘Dat is het proberen waard,’ zei Nikhil. ‘Waarom kopen we niet gewoon een hele goeie microfoon, een versterker en een luidspreker?’
Tja, waarom ook niet? En dat is wat ze deden. Toen de duizendpoot voor het eerst door de microfoon sprak, konden ze hem niet alleen duidelijk horen, maar tot hun verbazing verstonden ze hem zelfs. De duizendpoot had tijdens zijn lange verblijf tussen de monniken geleerd om op hun manier te praten, weliswaar bijna onhoorbaar, maar nu was ook dat euvel weggewerkt.
‘Zo, nu hebben we jou eigenlijk niet meer nodig,’ plaagde Rama de kok.
Als enig antwoord kreeg hij een nat theezakje in zijn oog. Tien minuten later werden ze met zijn allen door de directeur van het hotel op straat gezet omdat ze zowel elkaar als de andere gasten in de eetzaal met allerlei etensresten hadden bekogeld.
Opnieuw gingen ze op weg naar het Witte Huis, de verblijfplaats van de president. Aan het bezoekershek werden ze tegengehouden door een stelletje veiligheidsagenten met kale knikkers, pistolen in hun holsters en gummiknuppels in hun hand.
De duizendpoot vroeg eenvoudigweg: ‘Zou het mogelijk zijn om ons bij de president te brengen?’
Er was iets met zijn stem waardoor niemand hem iets weigeren kon. De gewapende gorilla’s bogen beleefd en brachten hen persoonlijk naar de werkkamer van de president.
‘Hallo neef,’ groette Séan de verbaasde president. Maar voor ze er weer uit werden gekeild, nam Kleine Draak snel het woord en met zijn wonderlijke gave om al wie hem hoorde te doen luisteren, lukte het hem om de president van Amerika alles te doen beloven wat ze nodig hadden. Uiteraard leek het alsof één van de monniken sprak, want hij hield zich schuil in de mouw van het gewaad van Quigong, de Chinese kok. Hij vond het reuzeleuk om de president eigenhandig een schriftelijke garantie te laten opstellen dat de regering van de Verenigde Staten van Amerika alle kosten zou betalen voor het ontwerpen en installeren van de robottechnologie die nodig was om het reusachtige kristallen beeld de muziek te laten spelen die Kleine Draak zou maken.
Vanaf die dag liep alles van een leien dakje: zestien rijke westerse landen beloofden om een segment van het kristallen lichaam te financieren en aan de armere landen werden er minder dure bijdragen gevraagd.
Voor Kleine Draak zelf kwam het moeilijkste echter nog. De Boeddhistische monniken waren neergestreken in Senegal. De Afrikaanse landen zouden gezamenlijk de reuzentrommel financieren, ontwerpen en maken. Ze hadden zelfs de stem van de duizendpoot niet nodig om de Afrikaanse presidenten te overtuigen. De Afrikanen waren gewoon dolenthousiast over het muzikale vredesplan. Maar ze begrepen niet waarom ze een gewone Westerse fanfaretrom moesten maken. Ze kwamen aandraven met djèmbes, darbuka’s, stenen vazen waarop met de hand werd getrommeld…kortom met allerlei soorten trommels waarvan de duizendpoot nog nooit had gehoord en waarop hij nooit had gespeeld. Ze brachten ook miniatuurexemplaren mee waarop hij kon oefenen.
‘Ik heb gewoon geen poten genoeg voor al die nieuwe instrumenten,’ klaagde Kleine Draak.
‘Hoezo, geen poten genoeg?’ vroeg broeder Quigong. ‘Je hebt er tweeëndertig man! Volgens mij kun je al die trommels tegelijk uitproberen.’
‘Maar… maar…met elk paar poten dat ik heb, doe ik al iets. Ik kan toch mijn schilderpoten niet gebruiken om te trommelen? Of mijn vioolpoten? Of mijn rolschaatspoten?’
De Chinees keek hem verbaasd aan. Hij keek naar zijn handen toen hij zei: ‘Met dit ene paar voorpoten maak ik soep, doe ik de afwas, kan ik mijn naam schrijven in schoonschrift en in Chinese pictogrammen. Ik kan ermee in mijn neus peuteren, achter mijn oren krabben, mijn kont afvegen, mezelf aankleden en nog veel meer. Stel je voor dat ik voor elke nieuwe bezigheid twee andere armen met handen nodig had. Als ik ooit leer om op een olifant te rijden, dan gebruik ik lekker weer dit zelfde paar handen om de teugels vast te houden. Anders zou ik er gaan uitzien als een spin, met telkens een paar armen erbij.’
Hij lachte luid bij het fantasiebeeld van zichzelf met een lichaam dat meer armen had dan haren op zijn hoofd. Nu ja, dat laatste was eigenlijk niet zo moeilijk. Hij was immers kaalgeschoren, zoals elke monnik.
‘Zou ik dat echt ook kunnen?’ vroeg de duizendpoot vertwijfeld.
‘Ik denk het wel,’ antwoordde zijn vriend, ‘anders zou je binnenkort echt duizend poten nodig hebben. Trouwens, zag ik je gisteren niet eten met je vioolpoten en je bed opmaken met je dwarsfluitpoten?’
‘Verrek ja! Nu je het zegt!’ mompelde Kleine Draak.
Toen pakte hij alle miniatuurtrommels tegelijk en begon er als een bezetene op te roffelen. Het klonk indrukwekkend.
‘Ik kan het!’ juichte hij. ‘Ik kan het! Joehoeiiie! Nu kan ik eindelijk mijn grote droom waar maken.’
‘Je grote droom?’ vroeg de kok nieuwsgierig.
‘De negende symfonie van Beethoven! Die heb ik altijd willen kunnen spelen. En met zestien instrumenten tegelijk moet dat wel min of meer lukken.’
Maar eerst moest hij andere dingen leren. In India kreeg hij een Bansuri, een dwarsfluit van bamboe in plaats van zijn gewone zilveren fluit en in Kreta kreeg hij een tweeduizend jaar oude Lyra, een soort viool die je op de grond moet neerzetten in plaats van hem op je schouder te leggen. En in andere landen kreeg hij nog vreemdsoortiger instrumenten cadeau: benen fluitjes, stenen fluitjes, een didgeridoo, vreemd gevormde snaarinstrumenten…Dat gaf hem meer dan werk genoeg om zijn dagen mee te vullen.
En dat was nodig want de voorbereiding duurde een vol jaar en pas aan het begin van de tweede zomer van hun rondreis gingen ze terug naar Amerika om toe te zien op het monteren van de reuzenduizendpoot.
De zestien segmenten van het lichaam en de kop waren al aan elkaar gezet en de technici waren druk bezig met draadjes, microchips, zonnecellen en elektronische circuits om van het kristallen beeld een bewegende robot te maken.
In de kristalen kop was een soort cockpit gemaakt waarin Kleine Draak kon zitten, staan, dansen en vooral musiceren. Er stond een rekje in voor al zijn miniatuurinstrumenten en een lekker bed van vochtig mos voor als hij zin had om te rusten.
Toen kregen ze onverwachts bezoek. De Dalai Lama, de hoogste spirituele leider van de Boeddhisten, die uit Tibet was weggevlucht en zich al jaren in Amerika schuil hield, stond daar plots in de montagehal van het technologiebedrijf. De ingenieurs keken hoogst verbaasd en alle monniken knielden of bogen diep voorover. Maar onze kleine duizendpoot riep door zijn microfoon:
‘Hallo ouwe jongen, kom je naar mijn eerste openbaar concert luisteren?’
De daad bij het woord voegend nam hij een trompet in zijn ene poot en zes drumstokken in enkele andere poten en hij speelde een Vlaamse polka terwijl hij zichzelf op een Amerikaans drumstel begeleidde. De Dalai Lama lachte zijn bril van zijn neus en alle monniken lachten opgelucht mee.
‘Deze kleine rode clown zal alvast geen nieuwe wereldoorlog ontketenen,’ lachte hij.
‘Kleine Draak is dan ook ons symbool voor de wereldvrede,’ zei broeder Rama.
‘Hmmm,’ mompelde de Dalai Lama.
‘Over twee weken is de kristallen duizendpoot volledig klaar,’ vulde broeder Nikhil aan.
‘De Zwitserse nationale luchtvaartmaatschappij zal hem gratis overvliegen naar Italië,’ voegde broeder Sean eraan toe.
‘Hij komt op het San Marco-plein in Venetië te staan,’ zei broeder John met enige trots. Zijn grootmoeder was toevallig een Italiaanse.
‘Hmmm,’ klonk het nog eens. De Dalai Lama leek in gedachten verzonken.
‘Denk je,’ vroeg broeder Quigong, ‘dat we met ons vredessymbool de ganse wereld rond moeten reizen?’
Op dat moment gaf de vrolijke duizendpoot een keiharde roffel op zijn Senegalese djèmbe, waardoor de Dalai Lama leek wakker te schrikken. De anderen letten er nauwelijks op. Ze waren de fratsen van de kleine rode draak al lang gewoon.
‘Nee,’ zei de Dalai Lama. ‘ Hij kan beter op één plaats blijven staan.’ En na een korte pauze verklaarde hij waarom: ‘Ik kreeg daarnet een visioen dat er pas vrede zal zijn op gans de aarde als de kristallen duizendpoot over duizend jaar nog steeds ongeschonden naast de grote fontein op het San Marcoplein staat.’
De monniken keken eerst verbaasd en toen bogen ze allemaal heel diep. Alleen Kleine Draak was niet onder de indruk van het visioen van de heilige man. Hij probeerde net een nieuwe stunt uit waarbij hij oude teksten van William Shakespeare afratelde als was hij een rapper, terwijl hij allerlei gekke ritmes klopte op de zijkant van een stenen vaas.
‘To be or not to be that’s the question. Whether t’is nobler in the heart to suffer the slings and arrows of outrageous fortune than…’
Verder dan dat kwam hij niet want één van de technici legde de elektriciteit af omdat hij iets moest doen en omdat hij niet van Shakespeare hield.
Twee weken later was de robot nog niet af en het was uiteindelijk pas op oudejaarsavond dat hij kant en klaar op het plein in Venetië stond. Op nieuwjaarsdag begon Kleine Draak stipt op het middaguur aan zijn eerste vredesconcert. Hij speelde de negende symfonie van Beethoven op zestien exotische instrumenten uit Afrika, Zuid-Amerika, Australië en Azië terwijl hij met één vrije poot met zijn dirigentenstokje zwaaide. De reuzenrobot deed alles perfect na, in het groot en fantastisch luid. Het was de gelukkigste dag van zijn leven want er stonden duizenden mensen op het plein te kijken en te luisteren en over gans de wereld verspreid keken er nog eens miljoenen mensen naar het spektakel op hun televisie. Die dag was er al vast nergens oorlog.
Henk Coudenys,
13 novmber 2004
Geen opmerkingen:
Een reactie posten