zaterdag 30 september 2017

De Gruweleik 1 & 2

De Gruwel-eik (1)

Boer Prins had veel hectaren land: maïsakkers, aardappelvelden, een groot bietenveld, korenvelden, weilanden en een boomgaard. De boomgaard lag naast de boerderij. Maar in het midden van zijn uitgestrekte landerijen, bevond zich een bosje met hoge bomen, ongeveer zo groot als een voetbalveld. Boer Prins had zich vaak afgevraagd waarom zijn vader dat laatste stukje bos nooit had gerooid, zodat ze de akkers aan één stuk door zouden kunnen bewerken. Nu moesten ze steeds om het bosje heen rijden met de tractor.
Maar zijn vader had de bomen nooit omgezaagd, evenmin als zijn grootvader of zijn overgrootvader. De oude mensen uit de omgeving vertelden dat het bosje er al sinds mensenheugenis was en dat het er spookte. Boer Prins hechtte geen geloof aan spookverhalen en op een dag liet hij drie sterke mannen met kettingzagen komen om het vervelende stuk bos met de grond gelijk te maken.

Waar zullen we beginnen?,’ zei de leider van het drietal, een boom van een vent die zijn lange, zware kettingzaag tussen duim en wijsvinger vasthield als was het een jojo. Zijn twee kompanen waren een stuk kleiner en magerder.
Zeg jij het maar baas,’ zei de man die links van hem stond.
Laten we dan maar direct een dikke nemen.’ Hij keek tussen de struiken door en zag dat de dikste boom in het midden van het bosje stond. Hij begon zich een weg te banen door de bramen, de hazelaars en de vlierstruiken. Links en rechts trapte hij braamranken en brandnetels plat of brak hij de overhangende takken van een struik af. Af en toe bukte hij zich onder een hazelaar door en veegde hij een spinnenweb van zijn gezicht. Toen stond hij voor de dikste eik die hij ooit had gezien. Hij legde zijn kettingzaag neer, krabde onder zijn pet en floot tussen zijn tanden.
Pfiieuw! Kom eens kijken mannen, met die hier zijn we vast tot vanavond bezig. Zeg waar blijven jullie?’
Zijn handlangers kwamen er aan, struikelend en zuchtend. Ze zeulden een zware last van kettingzagen, kettingolie, benzine en ander materiaal met zich mee zoals kabels en klimhaken.
Kom jongens, we zetten er de zaag in,’ zei de baas. ‘Hoe eerder we beginnen, hoe eerder we pauze kunnen nemen.’ De daad bij het woord voegend, liet hij de motor van zijn kettingzaag grommen.
De eikenboom gromde terug.
Baas! Baas! Wat was dat voor geluid? Het leek wel uit de boom te komen…’ zei de kleinste van het drietal geschrokken.
Bwah, dat zijn z’n takken die tegen elkaar schuren zeker.’
De baas maakte een diepe zaagsnee in de bast van de oude boom. Nu hoorden ze een dreigend gerommel en zelfs de grote, onverschrokken houthakker keek verbaasd op. Hij kon nog net op tijd wegspringen voor een zware tak die vanuit de kruin van de eik omlaag viel.
Eén van zijn helpers kreeg de tak op zijn voet. De man vloekte en huilde. Opnieuw gromde de boom. Het klonk dreigend en spottend tegelijk.
De baas haalde zijn schouders op en trok zijn kettingzaag opnieuw op gang. Maar nog geen halve minuut later zat zijn zaagblad klem en hoe hij ook wrikte en wrong, hij kreeg hem niet meer los.
Frank, geef me jouw zaag eens!’ Hij riep dit bevel naar de kleinste van de drie.
Met de kettingzaag van zijn helper, probeerde hij het stuk uit de stam te zagen, waarin zijn eigen zaag klem zat.
Verdikkeme,’ vloekte hij na een halve minuut. ‘Weer klem’.
De derde zaag werd erbij gehaald, maar ook dat mocht niet baten: de ketting brak en het zaagblad trok krom. Het leek wel alsof ze ermee op een rots hadden ingehakt.
Morgen komen we terug,’ zei de baas en boos denderde hij door de struiken, op weg naar zijn vrachtwagen die buiten het bos op een landweggetje stond. Zijn kompanen sjokten mismoedig achter hem aan, de ene al hinkend, de andere al struikelend.

De volgende ochtend kwamen ze terug met gloednieuw materiaal. Ze hadden twee van de zwaarste en langste kettingzagen mee die er te koop waren en ze hadden een zaagketting met diamanten punten waarmee je door het hardste hout heen kon zagen.
Toen ze vlakbij het bosje uit hun vrachtwagen stapten, hoorden ze een grommend gelach. Het leek wel uit de grond omhoog te borrelen. Het kwam uit het midden van het bos. Met een bang hart volgden ze hun pad door het struikgewas, op weg naar de oude eik. Zelfs de baas was er duidelijk niet gerust in, want hij zei niets. Hij had zijn nieuwe kettingzaag in de laadbak van de truck laten liggen.
Hoe dichter ze de boom naderden, hoe meer het gelach veranderde in een dreigend gegrom. Eigenlijk was het meer voelbaar dan hoorbaar. Het trilde door gans je lijf. Je kreeg er zenuwen van in je maag, krampen in je darmen en bibbers in je knieën. Toen, stonden ze alle drie met een schok stil.
De oude eik was in één nacht wel een handbreedte dikker geworden. Van de twee kettingzagen die de vorige dag waren klemgeraakt, bleef niet veel meer over: het leek wel alsof de eerste was fijngekauwd en daarna uitgespuwd en de tweede was bijna volledig ingegroeid in de nieuwe bast van de oude boom.
Dat is tovenarij,’ zei de mankepoot. De baas stond sprakeloos. Zijn tweede handlanger, de kleine man, mompelde:
Dit is gruwelijk, gewoon weg gruwelijk!’
Voor één keer moet ik je gelijk geven,’ sprak toen de baas, ‘dit is geen gewone eik, maar een gruwel-eik.’

De mannen gingen weg en keerden nooit meer terug. Boer Prins hoorde niets meer van hen, ze kwamen zelfs nooit om hun loon vragen. Maar het verhaal van de gruweleik in het spookbosje ging van mond tot mond en het wordt tot op de dag van vandaag nog verder verteld.



De Gruweleik (2)


Herman Prins was de zoon van boer Prins. Hij was acht jaar oud en op school noemde iedereen hem Prins Herman. Dat vond hij best leuk en omdat zijn vader een rijke boer was, gedroeg hij zich ook als een prins. Tijdens alle groepsspelletjes nam hij vanzelfsprekend de leiding en in de klas zorgde hij dat hij altijd de beste was. Hij deelde vaak snoep uit en hielp zijn vriendjes met hun huiswerk als ze het niet konden. Op andere dagen, als ze een gemakkelijke huistaak hadden gekregen waar Prins Herman geen zin in had, hielpen zijn vrienden hem. Zelf ging hij dan buiten spelen in plaats van te werken.

Maar nu was het vakantie en de zoon van boer Prins was thuis, zonder vriendjes. Hij had geen broers, enkel een klein zusje dat nog in de wieg lag. Hij speelde met de hond, maar de hond werd moe en ging in de schaduw van zijn hok liggen slapen. Kortom, Prins Herman verveelde zich al snel zonder zijn onderdanen.
Toen zag hij dat zijn vader op de grote tractor klom om vroege aardappelen te gaan oogsten en hij vroeg of hij mee mocht. Hij vond het heerlijk daarboven in de stuurcabine, maar het rooien van de aardappelen duurde lang en er waaide fijn, stoffig zand door het open raam naar binnen.
De boer nam gelukkig op tijd koffiepauze en Herman glipte de tractor uit. Hij ging wat rondneuzen langs de randen van de akkers.
Ik blijf hier wel,’ riep hij naar zijn vader toen deze zijn koffie op had.
Geen domme dingen doen,’ antwoordde de boer terwijl hij de dop op zijn thermosfles schroefde. ‘En vergeet niet dat we om zes uur thuis moeten zijn voor het avondeten.’
Nee pa,’ zie de kleine Prins, maar de boer hoorde het al niet meer. Hij had zijn tractor reeds gestart en ging zonder omkijken weer aan het werk.
Een tijd lang zwierf Herman langs de akkerranden. Hij vond twee voorhistorische pijlpunten die zijn vader zonder dat hij het wist had opgeploegd in het voorjaar. De regen had ze bloot gespoeld. Prins Herman zocht een plek om zijn schat te verbergen. De pijlpunten waren gemaakt van vuursteen en ze glansden in de zon. Hij wilde ze veilig opbergen. En waar was het veiliger dan in het spookbosje waar nooit iemand kwam?
Hij volgde het enige pad dat het bos in ging, het pad van platgetrapte braamstruiken dat een tijd geleden door de drie houthakkers was gemaakt. Aan het eind van het pad kwam hij bij de reusachtige oude boom die de houthakkers had weggejaagd, de gruweleik die in het midden van het bos stond.

De boom begon te grommen van zodra hij de aanwezigheid van een mens voelde, eerst zachtjes, dan luider en dreigender. Prins Herman schrok. Hij hoorde het angstwekkende geluid, maar wist niet waar het vandaan kwam. Trillend ging hij met zijn rug tegen de dikke boomstam staan.
Een dinosaurus!’ dacht hij luidop. ‘Het is vast een Tyrannosaurus rex die zich in dit bos verborgen houdt.’ Hij keek angstig om zich heen.
De gruweleik gromde opnieuw.
Help,’ riep Herman. Hij dacht dat hij het monster nu aan de andere kant van de dikke stam hoorde. ‘Laat het alsjeblieft niet naar hier komen,’ hoopte hij. Verlamd van schrik leunde hij tegen de eikenstam.
Help me boom,’ fluisterde hij. ‘Verberg me alsjeblieft voor dat moorddadige monster’.
Maar dat monster, dat ben ik zelf,’ zei de boom plots.
Prins Herman week verbaasd enkele stappen van de eik vandaan.
W..wie s..s..spreekt daar?’ stotterde hij.
Ik spreek hier!’ De stem van de eik klonk hard en nors.
Ben jij een sprekende boooom?’ vroeg Herman, te verbaasd om nog langer bang te zijn.
Ik ben de GRUWELEIK. Ik jaag iedereen de stuipen op het lijf en zo hoort het ook. Als je een vinger naar me uitsteekt, eet ik je op,’ dreigde de boom.
Nou, ik doe je geen kwaad hoor,’ zei Herman. ‘Ik zoek alleen maar een veilige plek om mijn nieuwe schatten te verbergen.’ Hij opende de hand waarin hij de pijlpunten had.
Heb jij niet toevallig ergens een holletje tussen je wortels of zo?’ vroeg hij.
Herman was helemaal niet bang van de sprekende boom. Hij was al lang blij dat hij niet met een mensenetende Dinosauriër te maken had. Waarom zou je ook bang zijn voor iets dat geen klauwen of tanden had en dat niet achter je aan kon lopen?
Grmbl,’ bromde de eik, maar het klonk niet eens meer dreigend. Toen was het een tijdje stil.

Goed,’ klonk opeens de stem van de gruweleik, ‘je krijgt je zin. Ik mag je wel. Ik denk niet dat jij ooit een boom zult omzagen in je leven.’
Bij elk woord van de eik knikte Herman bevestigend. De boom klonk al heel wat vriendelijker. Toen opende hij een spleet tussen twee van zijn oeroude, machtige wortels en zei:
Doe je schatten hier maar in. Ik bewaak ze wel voor je.’
Prins Herman legde zijn stenen pijlpunten eerbiedig in de holte en toen hij zijn hand terugtrok sloot de schatkamer zich.
Hé, je hebt mijn schat opgegeten!’ riep hij verontwaardigd.
Sorry,’ kuchte de eik, ‘macht der gewoonte.’ Toen opende hij vlug de spleet weer.
Opgelucht stak Herman zijn kinderhand uit naar zijn pijlpunten. Hij gleed met zijn wijsvinger langs de scherpe, gekartelde randen van vuursteen. ‘Straks als ik weg ben, mag je de schatkamer weer op slot doen,’ zei hij. ‘Beloof je me dat?’
De eik gromde iets dat op ja leek. Hij was het niet gewoon dat een mens zo tegen hem praatte. Vol vertrouwen liet Herman zijn schatten los.

Zeg gruweleik, hoe komt het eigenlijk dat jij kunt praten?’ vroeg Herman Prins.
De boom zuchtte hoorbaar, waarna het stil werd.
Dat komt doordat ik geen gewone boom ben,’ sprak hij na een stilte waarin alleen het ritselen van zijn bladeren in de wind te horen was geweest. ‘Zet je,’ voegde hij eraan toe en hij plooide één van zijn wortels tot een stoeltje. ‘Ik ga je mijn verhaal vertellen.’
Toen de jongen neerzat, wiegde de boom hem zachtjes heen en weer. Je kon het nauwelijks zien, maar je voelde het wel.
Ruim tweeduizend jaar geleden was ik nog maar nauwelijks meer dan een ontkiemde eikel. Ik was amper twee eikenblaadjes hoog toen ik door een druïde werd uitgekozen om de nieuwe heilige boom van zijn volk te worden. Ik was ontkiemd uit een eikel die van de oude heilige boom was gevallen, daarom koos hij mij. De oude boom was ziek: er woekerde schimmel onder zijn bast, hij stond vol paddenstoelen en er woonden wel drie spechtenfamilies in holen in zijn stam. Ik geloof dat er ook nog een nest reuzenbijen in zat, maar dat weet ik niet zeker meer. Zijn kruin was allang dood. Op een dag is hij tijdens een storm omgevallen.’
De boom pauzeerde. Prins Herman merkte het niet eens, zijn gedachten waren meer dan tweeduizend jaar teruggereisd in de tijd.
Toen ik nog klein was, was het woud heel groot. Ik denk dat we met zijn allen zowat de helft van deze wereld bedekten. Ja, we waren met veel meer dan nu, vooral eiken. Ik was nog maar enkele bladstelen hoog toen mijn vader stierf, maar er waren ook veel volwassen eiken. Sommigen waren toen al honderden jaren oud. Maar toch koos de opperdruïde mij als de nieuwe heilige eik. Ik was ontkiemd uit het goede zaad en ik stond op de juiste plaats. Omdat ik nog zo klein was, waren de meeste mensen het niet eens met de oude druïde. Ze kozen een andere eik als heilige boom, een reus van driehonderd jaar oud. Maar deze werd kapot gebliksemd en ook de volgende oude eik die ze uitkozen, kwam om in een storm. Hij stond op een helling en waaide omver. Pas toen hij daar met zijn wortels in de lucht lag, schaarden de mensen zich achter de beslissing van de opperdruïde. Vanaf dat ogenblik werd ik de enige echte heilige eik van de stam.’
De heilige gruweleik schraapte zijn stem waarna hij niet zonder trots verder ging:
Ik werd nu het middelpunt van alle feesten: midzomer, midwinter, de eerste lentenacht, de eerste herfstnacht, volle maan, de verkiezing van een nieuw stamhoofd of de geboorte van een kind, altijd werd er gefeest onder mijn kruin. En ik groeide snel, mag ik wel zeggen. Dat kwam door de groeidrank die de druïdes bij elk feest op mijn wortels sprenkelden. Toen ik pas twintig was, was ik al een hoge boom en had mijn stam reeds een doorsnede van tien eikenbladeren.
Maar op een dag ging de oude druïde dood en toen hij van zijn versleten mensenlichaam los kwam, zweefde hij naar me toe en kroop in mijn stam. Zijn geest versmolt met de mijne en we zijn nog steeds samen. Vandaar dat ik kan praten. En toveren. ‘
Maar,’ vroeg Herman, ‘dan ben je eigenlijk geen boom maar een druïde?’
Hmm,’ antwoordde de stem uit de boom, ‘ik was gewoon een eik…nou ja niet een gewone eik maar een heilige, maar nu ben ik meer dan een eik want mijn bewustzijn is versmolten met het bewustzijn van iemand die vroeger een mens was, een druïde nog wel. Ik ben eigenlijk noch de één, noch de ander en ik ben meer dan de twee tegelijk. Laat ons zeggen dat ik een ‘druïdeik’ ben. Ja,’ voegde hij er vrolijk aan toe, ‘ik ben een druïdeik.’
Waaw,’ zuchtte Prins Herman en toen herinnerde hij zich de tijd weer. In de verte hoorde hij dat zijn pa gestopt was met werken. Of beter: hij hoorde de grote tractor niet meer.
Ik moet weg,’ zei hij terwijl hij haastig opstond. ‘Bedankt voor het verhaal,’ riep hij naar zijn nieuwe vriend terwijl hij wegrende. ‘Morgen kom ik terug en dan moet je me nog meer vertellen over je leven, beloofd?’
De heilige gruwel-druïdeik bromde iets dat leek op ‘Nou tot morgen dan maar weer.’
Herman rende snel naar huis. Hij keek nog even achterom toen hij het bosje verliet en zwaaide. Hoog boven de andere bomen uit zag hij de takken van zijn eikenvriend terugzwaaien.


Boeken en activiteiten: zie www.henkcoudenys.be
Teksten en copyright: Henk Coudenys;
Gelieve niets van deze uitgave te vermenigvuldigen of te publiceren, op eender welke wijze, zonder toestemming van de auteur.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten