zaterdag 13 april 2019

Hoogsensitieve kinderen en grenzen

Hoogsensitieve kinderen en grenzen

Hoogsensitieve kinderen hebben er zonder uitzondering behoefte aan duidelijke grenzen te krijgen tijdens hun opvoeding. Anderzijds gedragen deze kinderen zich vaak heel rebels ten opzichte van de grenzen die gesteld worden aan hun doen en laten. Dit vormt een van de paradoxen waardoor het soms moeilijk is om hoogsensitieve kinderen op te voeden.
Hun behoefte aan duidelijke grenzen, richtlijnen en structuren vloeit voort uit het feit dat ze gemakkelijk het slachtoffer worden van overprikkeling. Hiertegenover hebben ze bescherming nodig en daarvoor dienen grenzen. Maar meer dan andere kinderen beschikken ze over innerlijke structuren waarin ze willen en moeten gerespecteerd worden. Met innerlijke structuren bedoel ik de wezenlijke waarden en normen die ze met zich meedragen, de sterke gewetensfunctie die ze ontlenen aan het wezenlijk bewustzijn waardoor hun ego al van kleins af aan overheerst wordt.
Indien de grenzen en structuren die hen opgelegd worden, botsen met hun innerlijke waarden, zijn hoogsensitieve kinderen niet in staat zich daarnaar te schikken. De tegenspraak tussen wat ze te horen krijgen en wat er in hen leeft, kan hen enorm in de war brengen. Ze hebben snel last van gewetensconflicten en deze kunnen hen verlammen. Ze zijn daardoor minder kneedbaar dan niet-hoogsensitieve leeftijdsgenoten, kritischer ook tegenover waarom bepaalde dingen moeten, mogen of niet mogen.
Een bijkomende moeilijkheid is dat hooggevoelige kinderen zeer alert zijn wat betreft tegenspraken tussen wat hun opvoeders van hen vragen en wat ze zelf doen. De opvoeders moeten zich zelf zeer consequent houden aan de richtlijnen die ze hen opleggen, zo niet worden deze niet aanvaard.
Hoogsensitieve kinderen opvoeden, houdt vrijwel altijd in dat je je eigen innerlijke waarden, deze waarop je je baseert om hen grenzen aan te rijken, regelmatig voor jezelf in vraag moet stellen en moet aftoetsen aan hun innerlijke waarden. Doe je dat niet, dan is er veel kans dat je de voeling met je kind verliest, waardoor zowel de vertrouwensband als de opvoeding ten dele de mist in gaan.
Zowel de manier waarop je grenzen aanreikt als de aard van de grenzen dienen zoveel mogelijk afgestemd te worden op de waarden die reeds in hen leven. Dit levert soms moeizame zoektocht op naar grenzen, regels, structuren en waarden waar zowel de kinderen als hun ouders en opvoeders baat bij hebben. Maar het is tezelfdertijd een boeiende en verrijkende zoektocht. En als het lukt, garandeert het je een levenslange harmonieuze relatie met je kinderen.


*******

Deze tekst vormt een aanvulling bij
Hoogsensitief – Anders Bekeken, tweede verbeterde druk
ISBN 9789077101124


zondag 3 februari 2019

De natuurlijke rouwcyclus van Moeder Aarde

De natuurlijke rouwcyclus van Moeder Aarde

Er zijn geen archeologische of historische bewijzen voor, maar ik heb sterk het vermoeden dat een belangrijk aspect van de verering van de Oermoeder van onze verre voorouders bestond uit een rouwcyclus. De Christelijke cultus rond Maria is ervan afgeleid en draait in de praktijk grotendeels om het zoeken van troost en verbondenheid als hulpmiddel bij het omgaan met lijden. Een van de pijnlijkste, meest voorkomende primaire vormen van lijden immers bestaat uit het verliezen van een kind. Ook dat is inherent aan de mythe rond Maria, de aardse moeder van de ‘zoon van God’ en dus waarschijnlijk ook van de veel oudere Oermoedercultus. Wat hierna volgt is een poging tot reconstructie, aan de hand van inzichten, verzameld tijdens healings en readings.
Geboorte en dood zijn onscheidbare aspecten van een cyclus waarmee we stelselmatig geconfronteerd worden via alle leven op aarde en waar we zelf deel van uitmaken. In een leefwereld die gedomineerd wordt door de opeenvolging van herkenbare seizoenen, wordt de mens jaarlijks geconfronteerd met de spontane opeenvolging van levenskracht die zich openlijk manifesteert, vervolgens tot bloei en tot volle wasdom komt, vruchten afwerpt om zich uiteindelijk ondergronds terug te trekken. De gelijkenissen met geboorte, jeugdige groei, vruchtbare volwassenheid en de onvermijdelijke dood, zitten diep verankerd in onze beleving. Dit vertaalt zich onder meer in het gebruik van beeldende taal en uitdrukkingen die gebaseerd zijn op de parallellen tussen de seizoenen en de fasen van een mensenleven. ‘Iemand is in de herfst van zijn leven’, ‘zijn talent komt tot bloei’, ‘ze is in de fleur (= de bloeitijd) van haar leven’ zijn hier enkele voorbeelden van.
De manier waarop de aardse levensvormen van jaar tot jaar opnieuw opduiken – maar tevens veranderen qua uiterlijke verschijning- na een periode van schijnbare dood, vormen de aardse inspiratie achter de opvattingen over reïncarnatie. Net zoals een boom schijndood is, maar ondergronds (via zijn wortels) verder leeft, net zoals een beer tijdens zijn winterslaap uit het aardse decor lijkt verdwenen te zijn en zich in een hol onder de grond terugtrekt of net zoals de eenjarige planten sterven, hun zaden in de bodem achterlaten en uit eat zaad opnieuw geboren worden, gaat een mensenleven op een verborgen manier verder na zijn dood - in een ‘ondergrondse’ wereld – om daarna herboren te worden op aarde, in een nieuw lichaam dat wel is veranderd maar toch lijkt op het oude. De ‘ondergrondse wereld’ verwijst in eerste instantie naar alle leven dat onder de grond verdwijnt en later uit de grond weer opschiet, maar we kunnen ‘ondergronds’ tevens als symbooltaal voor ‘onbewust’ beschouwen. Vanop de aarde zijn we ons niet bewust waar en hoe we verder leven na de dood, net zoals de oorspronkelijke mens niet wist hoe wortels in leven bleven of kleine zaadjes in de grond lagen te wachten.
De winter en meer specifiek de zes donkere weken rond midwinter vormen het natuurlijke decor voor het menselijke rouwproces. Deze in de regel koude, donkere dagen met hun lange nachten, grauwe ochtenden en vale avonden, tonen ons hoe we met onze rouwprocessen moeten omgaan: er bestaat een noodzakelijke wachttijd, een tijd van stilte en berusting in de overgang tussen oud en nieuw leven. Zo ook moeten we na bv het verlies van een kind, een geliefde of een dierbaar huisdier de tijd nemen om te berusten en te accepteren wat ons is overkomen, alvorens opnieuw zwanger of verliefd te worden of ons aan een nieuwe hond of een nieuw paard te hechten. Het oude moet voldoende tijd krijgen om verwerkt te worden en dan pas is het tijd voor een nieuwe fase in ons leven. Maar eens het tijd is voor het nieuwe, moeten we meegaan in de stroom van lente-energie. Het nieuwe leven omarmen is even belangrijk om een rouwproces tot een goed einde te brengen als het loslaten van het oude .
Indien je dus je eigen rouwcyclus koppelt aan deze van Moeder Aarde, wordt je door de natuurlijke opeenvolging van de seizoenen geholpen om je leed te verwerken. De lente komt immers onweerstaanbaar: de bomen krijgen bladeren, het gras wordt groen, bloemen bloeien, kikkers paren en leggen eieren, de vogels keren terug uit hun wintergebieden en maken nesten. Een geaard mens, die meeleeft met de natuur om zich heen, kan daar niet ongevoelig voor blijven, ongeacht welk verdriet hij met zich meedraagt uit het vorige jaar. De levenslust en levensenergie van de natuur vormt een drijvende kracht waar geen verdriet tegen opgewassen is. Al wat je moet doen is je aarden, in de meest letterlijke zin van het woord: werk mee en beleef mee met alles wat groeit, bloeit, zaden vormt, afsterft en weer ontkiemt.

Maar net zoals sommige bomen na de winter niet opnieuw botten, sommige dieren sterven in hun winterslaap en niet alle soorten planten in de lente opnieuw ontkiemen, zijn er mensen die aan het eind van hun leven zijn gekomen en hun laatste rouwproces doormaken: hun afscheid van dit aardse leven. Geaarde mensen die geen gewelddadige dood sterven, verruilen in de regel dit ondermaanse voor een tussenleven tijdens de late herfst of de winter.

Of het historisch waar is weet ik niet, maar de verering van de Moedergodin die vijfduizend jaar geleden zijn bloeiperiode kende in West-Europa, ging naar mijn gevoel even veel over dit rouwproces als over de kracht van Moeder Aarde om gewassen tot bloei te laten komen en ons daarmee te voeden.

****

 Deze tekst is een hoofdstuk uit het nog te verschijnen derde deel van Karmische Psychologie, Deel 3: Relaties, Seksualiteit, Opvoeding

dinsdag 1 januari 2019

De Godin, de Hoer en de Seksslavin


De Godin, de Hoer en de Seksslavin
In elk mens - man of vrouw - leeft een deel van het Aardewezen voort. Oude mythologieën spreken in dit verband steevast van de Aardegodin, al heeft het Aardewezen zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen en worden zowel de mannelijke als de vrouwelijke seksualiteit door ‘haar’ beheerst. Uit respect voor de traditie, benaderen we dit onderwerp van de vrouwelijke kant, maar in feite gaat het in dit hoofdstukje over mensen van beide geslachten.
Een vrouw die seksuele lustgevoelens in zichzelf toelaat is geen hoer maar een Godin. Tijdelijk dan toch. Seksualiteit gaat gepaard met emotionele en lichamelijke aantrekking tussen twee mensen, - meestal van verschillend geslacht - en met wellust. Een wellustig verlangen om met een ander te vrijen is een emotionele sensatie met een lichamelijke basis, in gang gezet door de geslachtshormonen. Wie zich hieraan overgeeft, geeft zich over aan zijn lichaam. Het menselijk lichaam is een deel van het Aardewezen. Volledig opgaan in je lichamelijke verlangens is tijdelijk één worden met het Aardewezen, in bewustzijn, zijn en doen. Vandaar dat een seksueel opgewonden vrouw zichzelf gerust een Godin mag noemen.
Een hoer of prostituee is per definitie niet wellustig. De hoer acteert, faket, doet alsof. En dit alles geschiedt in een spel van manipulatie waarin de illusie van seksuele opwinding als machtsmiddel wordt ingezet. Het doel hiervan is materieel voordeel behalen, soms rechtstreeks, soms via de tussenstap van het bereiken van een hogere positie op de maatschappelijke ladder. Met de seksualiteit van de Aardegodin heeft dit weinig tot niets te maken. Uit eigenbelang zet de prostituee haar eigenwaarde en zelfrespect tijdelijk opzij. Dit offer wordt gecompenseerd door materiële winst en is daardoor de moeite waard volgens de normen van het overlevingsinstinct.
Vanuit onze wezenlijke waarden bekeken, is dit echter een dubieuze redenering. Prostitutie in de ruimere zin van het woord, beperkt zich niet tot exploitatie van de seksualiteit, maar kan allerlei vormen aannemen. Al wat men louter voor het materieel voordeel doet en waarvoor men zijn eigenwaarde en zelfrespect opzij moet schuiven, is een vorm van prostitutie. Niet elk materieel voordeel of elke verbeterde overlevingskans gaat hand in hand met zelfontwikkeling. Soms kan men er het individuatieproces een duwtje in de rug mee geven, andere keren komt men erdoor in situaties terecht die de innerlijke groei remmen of blokkeren.
Prostituee wordt men niet zomaar. Niemand zet zichzelf op dat pad. De eerste stap, zo blijkt uit reïncarnatie- en regressietherapie, bestaat vrijwel altijd uit slavernij. In pakweg negen op de tien gevallen gaat het om levens als vrouw, maar zoals reeds eerder vermeld is niets wat in dit hoofdstukje aan bod komt een puur vrouwelijke aangelegenheid.
Het verschil tussen een hoer en een seksslavin bestaat uit de beleving van wat men ondergaat en uit de mate waarin men zelf enige autoriteit uitoefent op hoe en wanneer men haar lichaam laat gebruiken, al dan niet tegen betaling. Qua beleving valt vooral de schaamte op bij de seksslavin, naast de hulpeloosheid en de machteloze kwetsbaarheid. Enige autoriteit over wat men waar en wanneer toelaat, is voor de seksslavin simpelweg onbestaande. Soms krijgt ze een aalmoes toegeworpen in ruil voor wat ze heeft moeten ondergaan, soms meer dan een aalmoes, maar haar betaling kan evengoed uit nog meer vernederingen bestaan. Het enige materiële voordeel dat haar ten deel valt, is dat ze blijft leven zolang ze bruikbaar is voor de doelstellingen van diegenen die haar in haar macht hebben. In de praktijk zijn de meeste zogenaamde prostituees gewoonweg seksslavinnen.
De prostituee heeft de gevoelens van hulpeloosheid ingeruild voor een cocon van hardheid en het min of meer bevredigende gevoel van tijdelijke macht. Ze blijft kwetsbaar – elke hoer heeft nog altijd een getraumatiseerde seksslavin in zich als schaduwdeelpersoonlijkheid – maar ze heeft ten minste weer enige autoriteit over wie en wat ze aan haar lichaam toelaat. Ze is niet langer alleen maar slachtoffer. In haar wereld geldt het spel van vraag en aanbod.
Hoe komt die transformatie tot stand? Iemand die als seksslavin wordt uitgebuit, ontwikkelt in haar onbewuste een naar macht strevende deelpersoonlijkheid. De positieve intentie van deze schaduw is om niet langer slachtoffer te zijn en opnieuw autoriteit over haar eigen leven te verwerven. Deze wordt, in de loop van meestal meerdere opeenvolgende levens, sterk genoeg om het bewustzijn op een gegeven moment over te nemen. De slavin bevrijdt zich uit haar ketenen en oefent nu dezelfde activiteiten verder uit vanuit haar eigen keuzevrijheid en op haar eigen voorwaarden, met als doel er voor zichzelf voordeel uit te halen.
Maar innerlijk lost het slachtofferschap zich pas definitief op als er consequent gekozen wordt voor het behoud van zelfrespect en eigenwaarde. De prostituee maakt deze intentie nooit waar. Bij elke seksueel getinte handelsdaad moet haar wezenlijk zelfrespect plaats maken voor relatieve gevoelloosheid. En telkens ze zich laat gebruiken, kreunt haar innerlijk slachtoffer.
Het is pas als men uit de prostitutie stapt, dat men terug als een integer geheel kan leren functioneren, als een niet-gespleten persoonlijkheid die innerlijke autoriteit voelt omdat ze haar zelfrespect nooit meer loslaat, ook niet meer om materiële voordelen te verwerven. Een hoer die haar innerlijke seksslavin wil helen, kan dit alleen maar door de prostitutie vaarwel te zeggen.
Gedurende de incarnaties die volgen op een leven als prostituee met zeggenschap over het eigen wel en wee, blijven velen nog lange tijd gevangen in de reflex om de eigenwaarde opzij te schuiven als er geld mee verdiend kan worden. Het gaat niet meer om seks, maar er doen zich in een mensenleven systematisch situaties voor die op eenzelfde leest geschoeid zijn en waar men zich uit gewoonte aan over geeft of uit angst om te kort te komen. Een voorbeeld ter verduidelijking:
Een vrouw met een dergelijke voorgeschiedenis, trok vaak situaties aan waarbij ze seksueel getinte vernederingen over zich heen kreeg. Deze triggerden de trauma’s uit vroegere incarnaties als seksslavin. Daarnaast kreeg ze zeer vaak de kans om geld te verdienen, maar telkens op een manier die niet bij haar wezenlijke waarden pasten. Zo werkte ze bv als model in de reclamewereld, als makelaar in de immobiliënwereld en als vertegenwoordiger van producten waar ze helemaal niet kon achter staan. Ze had echter het idee dat ze geen andere keuze had. Ze was ervan overtuigd dat geld verdienen alleen maar kon samengaan met het opzijzetten van haar wezenlijke waarden en haar zelfrespect. Deze reflex had ze overgehouden aan enkele vorige levens als prostituee.
De innerlijke slavin is in dit voorbeeld weliswaar geen seksslavin meer, de prostituee niet langer een hoer, maar de vrijheid om zelf keuzes te maken, al dan niet in functie van het individuatieproces, wordt nog al te vaak gebruikt om ten koste van de wezenlijke beleving te opteren voor materieel voordeel. In vrijheid blijft men in de gewoonte gevangen om eigenwaarde in te ruilen voor geld.
De seksslavin en de prostituee komen bij veel mensen voor als innerlijke deelpersoonlijkheid, maar ze treden logischerwijs vooral bij vrouwen op de voorgrond. De meeste vorige-levenservaringen en -trauma’s op dat vlak doen zich immers voor tijdens incarnaties als vrouw.
In de concrete wereld van de prostitutie vinden we meer seksslavinnen terug dan hoeren. Deze laatste zijn de zeldzame mensen die uit vrije wil in dit beroep stappen en die wellicht bezig zijn aan een inhaalbeweging: ze waren tijdens een vorige incarnatie seksslavin en klimmen nu langzaam uit het dal van het slachtofferschap. Ze worden niet langer geëxploiteerd, maar nemen nu het heft in eigen handen. Het strekt hen tot materieel voordeel, hun eigenwaarde is aan het terugkeren, maar ze worden nog vaak genoeg met respectloosheid geconfronteerd om vroeg of laat de volgende stap te zetten en uit dit beroep te stappen.
Goden en Godinnen zijn er gelukkig ook nog: mensen wiens seksualiteit niet is vervuild met slachtofferschap en machtsspelletjes en die op een instinctieve wijze dit geschenk van Moeder Aarde kunnen ontvangen en beleven. 

                                               ****

  Deze tekst is een hoofdstuk uit het nog te verschijnen derde deel van Karmische Psychologie, Deel 3: Relaties, Seksualiteit, Opvoeding

zondag 2 december 2018

Verbondenheid en grenzen in relaties


 

Karm Psych 3 IV: Relaties (32) –
verbondenheid en grenzen in relaties

Als het om vriendschappen gaat, slagen veel mensen erin om een evenwicht te vinden tussen verbondenheid en grenzen. In intieme relaties daarentegen vormt dit een zeer moeilijke evenwichtsoefening. Er is slechts één type relatie waarin dit nog moeilijker is: moeder-kindrelaties. Relaties tussen vaders en hun kinderen hebben minder vaak last van de relatieve afwezigheid van grenzen als gevolg van intense verbondenheid.
Het hebben van grenzen is een natuurlijk fenomeen dat rechtstreeks volgt uit het bestaan van individualiteit. Ons lichaam vormt een grens, vanuit onze persoonlijke emotionele behoeften ontstaan er grenzen en elk van ons heeft zijn uniek ontwikkelingspad. Uit dat laatste volgt dat elk mens andere keuzes maakt. Kiezen is grenzen afbakenen. Telkens je voor iets kiest, laat je iets anders aan je voorbij gaan. Ergens nee tegen zeggen, is een grens afbakenen.
Veel mensen zitten in een moeizaam leerproces wat betreft het leren omgaan met grenzen. Dit duidt erop dat we niet graag grenzen accepteren. We rebelleren er tegen, negeren ze wanneer we daar maar de kans toe krijgen. Dit komt doordat we grenzen beschouwen als iets wat het ervaren van verbondenheid in de weg staat. Maar is dat wel zo?
Vooral in intieme relaties hebben de meesten onder ons de neiging om te hopen dat alle grenzen tussen onszelf en de ander wegvallen. We gedragen ons al snel alsof dat ook daadwerkelijk zo is, waarbij we de realiteit nogal eens negeren en geweld aan doen. Ons onbewust referentiepunt hierbij is de quasi grenzeloze verbondenheid die we voor onze geboorte hebben ervaren. Dit ‘oceanisch bewustzijn’ dat typisch is voor de periode in de baarmoeder, sluit dan weer aan bij de zijnstoestand die we allen ervaren hebben voordat we de afsplitsingservaring doormaakten en als individueel wezen loskwamen uit het oerbewustzijn van de Eenheid.
De dualiteit verbondenheid – individualiteit vormt sowieso een van de grootste uitdagingen om mee in het reine te komen, zowel voor individuele mensen, voor koppels als voor de mensheid als geheel. Het idee dat we een keuze moeten maken tussen het stellen van grenzen en het uitdrukken van verbondenheid, is hier het meest concrete uitvloeisel van.
In ouder-kindrelaties stellen zich in dit verband regelmatig de volgende dilemma’s: wanneer zeg ik nee tegen mijn kind? En als ik nee zeg, vanaf wanneer heeft dit dan traumatiserende gevolgen? Met dat laatste wordt bedoeld: heeft mijn nee niet tot gevolg dat mijn kind zich niet langer verbonden - en bijgevolg onveilig – voelt?
Verliest een kind zijn basisveiligheid, dan gaat er vanalles mis. Dat kan gaan van een vertraagde ontwikkeling (met inbegrip van leerproblemen) tot het ontwikkelen van depressies, een laag zelfbeeld of zelfs een borderlinepersoonlijkheid. Aan het stellen van grenzen zijn dus reële risico’s verbonden. Tenminste, indien ze op de verkeerde tijdstippen, de verkeerde manier of rond de verkeerde thema’s neergezet worden.
Het niet stellen van grenzen gaat met even reële risico’s gepaard. In ouder-kindrelaties leidt dit in de meest extreme gevallen tot enerzijds oudermishandeling en -uitbuiting en anderzijds het ontwikkelen van een narcistische persoonlijkheid bij het kind. Gebrek aan weerbaarheid en het onvermogen om zelfstandig te functioneren zijn minder extreme gevolgen, maar evenzeer te vermijden. Kortom: de zoektocht naar hoe je ‘gezonde grenzen’ kunt neerzetten is van levensbelang.
In vriendschapsrelaties stelt zich hetzelfde probleem: wat doe je voor je vrienden en wat niet? Wat laat je van hen toe en wat blok je af? Hoe intiemer de vriendschap, hoe nijpender de dilemma’s op dat vlak soms worden. De meeste vriendschappen gaan stuk door een gebrek aan duidelijke grenzen. De behoefte aan iemand die net zoals jij functioneert of die jou naadloos aanvult in jouw gebreken, is meestal de aanleiding om het stellen van grenzen aan wat je van elkaar accepteert, uit te stellen. Totdat de onderdrukte noodzaak om niet van jezelf te vervreemden, je grenzen als een middeleeuws valhek omlaag doet donderen. En plots is daardoor de weg naar elkaar versperd.
Al het nieuwe, ongewone en onverwachte afblokken door op een rigide manier je grenzen te bewaken, staat anderzijds het ontstaan, uitgroeien en tot bloei komen van vriendschappen in de weg. Voor mensen die moeilijk vrienden maken en weinig vrienden hebben, kan het vinden van evenwicht tussen grenzen en verbondenheid even zwaar wegen in vriendschappen als in een intieme relatie of in een ouder-kindrelatie.

In intieme relaties is deze zoektocht naar evenwicht van groot belang om tot een langdurig, duurzaam partnerschap te komen. Alles wat met betrekking tot grenzen mis kan gaan in ouder-kindrelaties en in vriendschappen, wordt in een partnerrelatie uitvergroot. Doordat beide partners hun levens met elkaar verweven, raken ze ook emotioneel intens met elkaar verknoopt. De levenspaden overlappen elkaar geheel of gedeeltelijk en de karmische leerprocessen van de een, triggeren voortdurend die van de ander.
Het is niet de bedoeling om een gans boek te schrijven over wat er concreet gezien allemaal kan fout lopen als gevolg van te weinig grenzen, te vage grenzen of te rigide grenzen binnen een partnerrelatie. Evenmin wens ik hier dieper in te gaan op alle misvattingen over uitingen van verbondenheid (of het ontbreken ervan) die ontstaan als gevolg van traumatische ervaringen met vroegere relaties (en dan vooral deze uit de kindertijd). Iedereen is wat dat betreft zoekende en de moeilijkheden zijn even divers en complex als de mensen die ze beleven.
Een gezond evenwicht vinden ten opzichte van elkaar is mogelijk, maar zal van koppel tot koppel een andere vorm en inhoud hebben. De principes waarop dit evenwicht is gebaseerd zijn de volgende:
– Verbondenheid ontstaat vanuit het zijn en is in wezen een vast gegeven.
– Je houding en je handelingen tegenover elkaar kunnen geïnspireerd worden door het besef van verbondenheid, maar dit is niet altijd automatisch het enige criterium waarop je je doen en laten mag baseren.
– Verbondenheid vertaalt zich wel automatisch in respect voor elkaar. Zo niet is het geen echte verbondenheid.
– Verbondenheid in het zijn kan maar uitgedrukt worden mits respect voor elkaars grenzen in het doen.
– De noodzaak tot het neerzetten en respecteren van grenzen speelt zich af in het doen, niet in het zijn. Je kunt er perfect zijn voor elkaar zonder altijd alles voor elkaar te doen.
– Wat je voor elkaar doet of niet doet is afhankelijk van wat je kan en aankan op lange termijn. Je eigen grenzen op dat vlak respecteren is geen uitdrukking van een gebrek aan liefde of verbondenheid.
– Grenzen in het zijn (= in het toelaten van de ervaring van verbondenheid) worden te vaak neergezet vanuit de behoefte aan grenzen in het doen. Eens je dat door hebt, kan je wat je doet of niet doet voor je partner begrenzen en tegelijkertijd het ervaren van verbondenheid opnieuw toelaten.

Het vinden van evenwicht tussen individualiteit en verbondenheid, tussen grenzen en openheid, is feitelijk heel erg afhankelijk van hoe je omgaat met de dualiteit tussen zijn en doen in een relatie. Er zijn voor elkaar, bij elkaar, met elkaar is in de eerste plaats een beleving van betrokkenheid, verwevenheid, van liefde. Wat je van daaruit doet voor elkaar, dient te gebeuren met respect voor zowel je eigen natuurlijke grenzen als die van je partner.
Een laatste aspect dat hierbij onze aandacht verdient, is het verschil kunnen herkennen tussen een compromis sluiten en jezelf inleveren. In de zoektocht naar evenwicht tussen geven en nemen, tussen grenzen neerzetten en uit liefde alles doen voor een ander, sluiten we automatisch veel compromissen. Dit betekent dat we onze grenzen verleggen in functie van de ander. Zonder die bereidheid kan geen enkele relatie blijven bestaan, noch tussen ouders en kinderen en al zeker niet tussen partners. Maar het gevaar ontstaat al snel dat een compromis uitmondt in je eigen behoeften te ver opzij zetten. Het is vaak pas na een ganse tijd dat dit duidelijk wordt. Indien je je levensvreugde verliest als gevolg van het feit dat je je aanpast aan de behoeften van een ander, dan wordt het tijd om je ingesteldheid te herzien en je grenzen op een aangepaste manier neer te zetten. Indien anderzijds een compromis op lange termijn een goed gevoel nalaat, is er niets aan de hand.


                                       ***

Deze tekst vormt een klein hoofdstukje uit het nog te verschijnen boek 'Karmische Psychologie Deel 3 - Relaties, Seksualiteit en Opvoeding 

zondag 14 oktober 2018

Karma, psychologie, individuatie en healing

Karma, psychologie, individuatie en healing

Elk mens bevindt zich voortdurend in een individuatieproces, een persoonlijke evolutie die via innerlijke groei en het opdoen van menselijke vaardigheden, leidt tot een vollediger mens worden. De essentie van de psychologie is niet alleen dat we inzicht krijgen in hoe de menselijke persoonlijkheid is opgebouwd en functioneert, maar tevens dat we zicht krijgen op waar elk individu zich bevindt op zijn strikt persoonlijk individuatiepad.
Waar kom je vandaan en waar ga je naar toe? Wat houdt jouw leerproces momenteel in? Over welke levensthema’s gaat het? En: waar sta je op dit moment met betrekking tot dit leerproces? Ergens in het begin, halfweg, of zit je in het eindstadium?
Als je het kader van de hedendaagse westerse psychologie uitbreid met de factor reïncarnatie, dan ontstaat er een bredere kijk op dit individuatieproces. Het traject blijkt langer te zijn dan gedacht, meerdere levens te omvatten. Als we daar zicht op krijgen wordt het duidelijker waar we vandaan komen en waar we heen gaan, als individu, als wezenlijk mens.
Het denken in termen van sterven en opnieuw geboren worden werpt al vanouds een reeks bijkomende vragen op: waarom worden we net hier terug geboren en niet ergens anders? Waarom trekken we precies deze ouders, deze cultuur, dit tijdperk en deze levensomstandigheden aan en geen andere? En hoe staat dit alles in verhouding tot het individuatieproces, dat blijkbaar doorheen de opeenvolging van levens als een niet te stoppen trein verder gaat? Met deze vragen komen we terecht bij het karmisch denken. Karma is de filosofie met betrekking tot wat we aantrekken en waarom.
Healing ten slotte, houdt elke actie in waarmee we elkaar vooruit helpen met elkaars individuatieproces. Het kan gaan om fysieke behandelingen, psychotherapeutisch werk, spirituele rituelen of om een combinatie van technieken die weliswaar uit een verschillende achtergrondfilosofie zijn voortgesproten, maar die alle in dezelfde richting werken, namelijk helend voor lichaam en geest.

Hierover schreef ik enkele jaren geleden het boek Karmische Psychologie, Deel 2: Individuatie en Healing (ISBN 9789077101025). Het kan nog steeds in elke boekhandel besteld worden.

zondag 5 augustus 2018

Seks en de behoefte aan lichamelijke intimiteit

Seks en de behoefte aan lichamelijke intimiteit

Seks tussen twee mensen, zonder lichamelijk contact is van nature niet mogelijk1. Lichamelijk contact zonder seks is daarentegen niet alleen van nature uit een dagelijks fenomeen, maar vormt tevens een menselijke basisbehoefte. Via lichamelijk contact drukken we genegenheid uit, acceptatie, vertrouwen, troosten en beschermen we elkaar. Lichamelijk contact is onlosmakelijk verbonden met veiligheidsgevoel en bijgevolg helpt het ons niet alleen om te aarden en een positief zelfbeeld op te bouwen, maar is het zelfs een voorwaarde om dit te kunnen.
Via lichamelijk contact geven we elkaar uiteraard ook andere boodschappen door, zoals kwaadheid of afkeer. Een terechtwijzing kan fysiek uitgedrukt worden, een bestraffing ook. Indien negatieve boodschappen lichamelijk worden uitgedrukt, komen ze veel sterker binnen. Maar de ergste manier om negatief bejegend te worden, is helemaal niet aangeraakt worden. Het besef dat iemand je te slecht of te vies vindt om aan te raken, wordt instinctief ervaren als het equivalent van een doodvonnis. Als zoogdieren voelen dat een jong niet levensvatbaar is, laten ze het immers aan zijn lot over om te sterven. Mensen en sommige mensapen vormen hier uitzonderingen op, maar lang niet altijd. Daarenboven is uitgestoten worden de oudste vorm van ter dood veroordeeld worden. Een uitgestotene was automatisch onaanraakbaar. Niet aangeraakt worden, roept bijgevolg een oeroud instinctief besef op dat het leven voor jou geen betekenis meer heeft en ten einde loopt.
Via aanraking geven we ook het verlangen naar seksuele intimiteit door. Mensen die lijden onder een gebrek aan aanraking, verlangen hierdoor vaak sterk naar seks, niet omwille van de seks zelf, maar louter om aangeraakt te worden en te mogen aanraken. Hierdoor ontstaat een verstrengeling tussen de behoefte aan lichamelijk contact en de behoefte aan seks. Deze is het gevolg van verwarring en die verwarring is ontstaan vanuit het trauma van onvoldoende lichamelijk contact te mogen ervaren. Dergelijke mensen aarden ook alleen maar via het beleven van seks, voelen zich alleen dan aanvaard en verbonden. Dit kan tot een seksverslaving leiden die in essentie niets met seks zelf te maken heeft maar alles met de behoefte om het trauma te compenseren dat is ontstaan als gevolg van onvoldoende lichamelijk contact. Gebeurt dit niet, dan voelen deze mensen zich buitengesloten en angstig. Omgekeerd leidt aangeraakt worden bij hen tevens automatisch tot seksuele verlangens. Hierdoor ontstaat een vicieuze cirkel die de onnatuurlijk sterke verstrengeling van die twee behoeften telkens weer bevestigt.
Wie met gebrek aan lichamelijk contact is opgegroeid, verlangt niet alleen heel sterk naar aanraking, maar is er meestal ook zeer bang voor. Die angst bestaat vooral ten opzichte van de emoties die loskomen indien deze getraumatiseerde behoefte eindelijk in vervulling gaat.

Wat hierboven beschreven wordt, vormt één uiterste van een gans spectrum. Aan het andere uiterste vinden we mensen die van kinds af aan voldoende lichamelijke intimiteit hebben ervaren, waarbij er ook steeds voldoende respect was. Voor hen is er een duidelijk onderscheid tussen seksueel geladen aanrakingen en het fysiek uitdrukken van contact, liefde en andere gevoelens. De meeste mensen zitten ergens tussenin. Veel mensen maken immers een levensfase door waarin ze plots minder aangeraakt worden. Dit overkomt bv veel jongens in de puberteit, die plots minder geknuffeld worden door hun vrouwelijke familieleden, omwille van een verondersteld seksueel taboe. Anderen worden als baby fysiek vertroeteld, maar moeten al tijdens de kleutertijd met minder lichamelijke aandacht leren leven.

De grens tussen intiem lichamelijk contact dat louter in functie staat van de contactbehoefte en seksueel geladen lichamelijke intimiteit is geen vastliggend gegeven. Waar die grens ligt, hangt af van situatie tot situatie en van mens tot mens. Het is een kwestie van aanvoelen en respecteren.
Maar indien twee mensen met een verschillende nood aan aanraking lichamelijk contact met elkaar maken, kan er een sterke verwarring ontstaan wat betreft de betekenis hiervan. Wat voor de een een hartversterkende knuffel is, kan bij de ander een sterke seksuele opwinding te weeg brengen. Aan dit gegeven zijn al veel intieme relaties kapot gegaan.
Mensen die getraumatiseerd zijn door het gebrek aan lichamelijk uitgedrukte affectie in hun jeugd, hebben feitelijk nood aan actieve vormen van therapeutische begeleiding waarbij ze eerst leren om op een fysieke manier affectie uit te drukken alvorens ze zich in een seksuele relatie begeven. Alleen hierover praten helpt niet. Via groepssessies leren aanraken en aangeraakt worden en de emoties verwerken die hierdoor losgemaakt worden, is noodzakelijk.
In de praktijk gebeurt echter systematisch het omgekeerde: eerst komt de seksuele relatie en pas na verloop van tijd volgt het besef dat er een probleem is. Een kleine minderheid van de mensen met dit probleem, pakt het ook daadwerkelijk aan. En veel mensen met dit probleem willen niet eens beseffen dat ze een probleem hebben.
Decennia lang werd er in de westerse wereld in een opvoedingssysteem geloofd dat ervan uit ging dat kinderen konden geconditioneerd worden tot assertieve volwassenen door hen vanaf hun geboorte gewoon te maken aan zo weinig mogelijk lichamelijk contact. Het gaat om een volkomen tegennatuurlijk, maar het werd (en wordt) desondanks heel frequent in de praktijk gebracht.
Een extreem voorbeeld hiervan was een vrouw die in de jaren vijftig van de vorige eeuw vijf kinderen op de wereld zette en hen zelfs als baby nooit op de arm nam om het te voeden. Onnodig lichaamscontact met haar kinderen vond ze respectloos. Ze kregen hun papfles opgerold in een dekentje naast zich gelegd, met de speen in de mond. Al deze kinderen groeiden op tot volwassenen met een verstoord lichaamsbewustzijn, een gefrustreerde behoefte aan lichaamscontact en verwarring met betrekking tot seks en lichamelijke intimiteit.

Het gevolg hiervan is dat een groot percentage van de westerse mensen getraumatiseerd is op dat vlak. Het besef dat het ook daadwerkelijk om een trauma gaat, dringt maar heel langzaam door. Bijgevolg lijden heel veel mensen onder de emotionele verwarring die gepaard gaat met een onnatuurlijk sterke verstrengeling tussen de behoeftes aan seks en aan lichamelijk contact. De patriarchale maatschappij draagt evenmin bij tot dit besef: vele generaties van getraumatiseerde mannen hebben zich het recht toegeëigend om onbeperkt seks te eisen van hun partners, ter compensatie van hun gebrek aan liefdevolle aanrakingen uit hun jeugd.
Respectvolle seks tussen mensen is pas mogelijk indien aan de behoefte aan intiem lichamelijk contact dat niet in functie van seks staat, is voldaan. Indien er trauma’s op dat vlak bestaan, komt elke seksuele relatie hierdoor vroeg of laat onder druk te staan, zelfs deze die gebaseerd zijn op een even grote behoefte aan compensatie bij beide partners.

1 Voor het gemak en omdat het in het kader van dit hoofdstukje niet relevant is, negeer ik hier het bestaan van cyberseks.

*****

Deze tekst vormt een hoofdstuk uit Karmische Psychologie, Deel 3: Relaties, Seksualiteit en Opvoeding.  Aan dit manuscript wordt nog volop gewerkt.  

maandag 25 juni 2018

Hoogsensitiviteit en anorexia


Hoogsensitiviteit en anorexia
(Hoogsensitief - Anders Bekeken, Aanvulling 14)

Anorexia nervosa, zoals dit gedrocht van een naam in zijn totaliteit luidt, ontstaat meestal tijdens de puberteit of de vroege adolescentie bij hooggevoelige en / of getraumatiseerde mensen. Dit problematische eetgedrag, waarbij elke hap met tegenzin en pas na langdurige mentale afwegingen wordt binnengewerkt, kan leiden tot fysieke uitputting, kwalitatieve ondervoeding, groei- en ontwikkelingsstoornissen, levenslange handicaps en bij sommigen leidt deze magerzucht zelfs tot hun dood. En toch gaat het in de eerste plaats om een overlevingsstrategie. Datgene wat men probeert te overleven zijn extreme en onhanteerbare emoties.
Hoogsensitieve en getraumatiseerde mensen hebben één zaak gemeen: ze zijn veel sneller onderhevig aan prikkels die hen in emotionele zin onderuit halen dan hun gemiddelde medemensen. De combinatie van hoogsensitiviteit en traumatisering komt overigens vrij vaak voor. In dit geval verdubbelt het ene probleem het andere. Bij hoogsensitiviteit is de emotionele heftigheid van een situatie de trigger die de emoties op hol kan doen slaan. Daarbij maakt het niet uit of het om aangename of onaangename ervaringen gaat: de overprikkeling en de bijbehorende hevige emoties overspoelen het bewustzijn terwijl andere mensen met dezelfde sensaties schijnbaar moeiteloos weten om te gaan. Dit leidt vaak tot schaamte, minderwaardigheidsgevoelens en zich gemakkelijk terugtrekken uit het openbaar leven. Bij velen leidt het tot een bittere strijd tegen hun emoties, waarbij de pogingen om de emoties toch onder controle te krijgen steeds extremere vormen aannemen. Eén van de methodes hierbij is de verschuiving van het probleem naar een thema dat er vlak naast ligt: eten. Onze behoefte aan eten grenst op een natuurlijke manier aan onze emotionele behoeften. Als zuigeling betekent de borst krijgen zowel troost als eten. Deze verwevenheid blijft ook in het volwassen brein bestaan. Door nu de behoefte aan eten (die gelinkt is aan emotionele troost) onder controle te brengen, proberen heel wat chronisch overprikkelde hooggevoelige tieners hun emoties onder controle te krijgen.
In het geval van traumatisering zijn de triggers die heftige emoties uitlokken gelinkt aan de traumatische gebeurtenissen. Alhoewel er een duidelijk detecteerbare logica achter schuilt, zijn de emotionele uitbarstingen die er het gevolg van zijn totaal onbegrijpelijk voor de buitenwereld. Gevolg: schaamte, een negatief zelfbeeld, zich terugtrekken uit het openbaar leven en / of steeds hardnekkiger wordende pogingen om die vermaledijde emoties toch onder controle te krijgen. Ook getraumatiseerde mensen gebruiken de extreme controle over hun voeding vaak als plaatsvervangend mechanisme hiervoor. Een voorbeeld:
Een vrouw die in haar tienertijd werd verkracht had chronisch last van eetstoornissen. Deze ontstonden vaak tijdens of in reactie op een fietstocht. Fietsen lokte emotionele stress uit, omdat de verkrachting had plaatsgevonden tijdens een fietstocht met vrienden waarbij ze achterop was geraakt na een plaspauze.

Tegenover de buitenwereld ontstaat er al snel een gevecht omtrent eten, waarbij de anorexialijder koppig weigert wat de tegenpartij haar of hem opdringt. In psychologische zin draait dit gevecht echter niet om voeding maar om emotionele zelfbeschikking. Anorexiapatiënten willen niet dat de acties en woorden van andere mensen ongewenst hun emoties bepalen. In plaats van te leren omgaan met de triggers die de emoties uitlokken, wil men van de buitenwereld afdwingen dat deze triggers verdwijnen. Het afleiden van de aandacht naar een ander probleem, dat ze zelf creëren en dus zelf onder controle hebben, is hierbij het werkzame mechanisme.
Aan dit alles hangt een duidelijke symboliek vast: ‘jij zult mijn emoties niet bepalen’ vertaalt zich in symbooltaal tot ‘ik slik niet wat jij van me denkt, me aandoet of aan me opdringt’. En dit vertaalt zich in geen hap meer door de keel weten te slikken, vooral niet indien deze je door een ander wordt opgedrongen.
Eens dit zichzelf voedende mechanisme op volle toeren draait, wordt er steeds meer psychologische brandstof aan toegevoegd. Nieuwe problemen die al dan niet het gevolg zijn van de anorexia, worden op dezelfde manier aangepakt: de emoties die eruit voortvloeien, worden onder controle gebracht via het gevecht om het recht op niet of nauwelijks eten.
Een andere bron die het probleem voedt en dat in sommige gevallen het ontstaan ervan sterk in de hand heeft gewerkt, is het bestaan van vorige-levenstrauma’s waarin honger of uithongering een belangrijke rol heeft gespeeld. Voorbeelden hiervan zijn:
– Tijdens een vorige incarnatie sterven aan de gevolgen van een hongerstaking;
– Door uitputting en uithongering sterven in een concentratiekamp.
– Een uitputtend gevecht moeten leveren om de voedselvoorschriften en -taboes van een bepaalde cultuur of godsdienst te kunnen naleven.
Een concreet voorbeeld:
Bij een vrouw met een eetstoornis bleek deze gelinkt te zijn aan een vorige-levenstrauma dat ze had opgelopen tijdens de tweede wereldoorlog. Tijdens een periode van opsluiting en dwangarbeid werden zij en haar lotgenoten niet alleen uitgehongerd maar tevens gebeurde dit op een mensonwaardige manier: er werden hun af en toe wat broodkorsten toegegooid waarna er een gevecht uitbrak tussen de gevangen om er een te bemachtigen. De vrouw uit dit voorbeeld weigerde hieraan mee te doen. Ze beschouwde dit terecht als mensonwaardig gedrag en weigerde zich op die manier te laten ontmenselijken door hun bewakers. Op die manier werd de discipline om niet toe te geven aan de hunker naar eten gelinkt aan het behoud van zelfrespect en wezenscontact. Dit versterkte de oorzaken van haar anorexia die uit haar huidige leven stamden, namelijk een erg heftige emotionaliteit ten gevolge van hoogsensitiviteit in combinatie met een opvoeding die haar dwong om quasi stoïcijns door het leven te gaan.

Overigens ontstaat er veel vaker problematisch eetgedrag zoals overdadig snoepen, ongezond en chronisch te veel eten of zelfs boulimie in reactie op een mislukte poging om de emoties via weinig of niet eten onder controle te krijgen, dan dat het leidt tot anorexia. Evengoed kunnen deze eetstoornissen – die uiterlijk tegenovergesteld zijn aan anorexia, maar door dezelfde innerlijke drijfveren gevoed worden – een reactie zijn op vorige-levenstrauma’s waarin uithongering een grote rol speelde.
Een voorbeeld hiervan was een man die telkens hij angstig werd en hierdoor emotioneel over zijn toeren ging, zich te buiten ging aan chocolade en koekjes. Tezelfdertijd was hij enorm bang om zonder eten te vallen. Dat laatste was gelinkt aan diverse vorige-levenstrauma’s waarbij hij erge honger had geleden.

Getraumatiseerde mensen die genezen van hun anorexia, kunnen in heel wat gevallen voor de rest van hun leven terugvallen op een gezond eetpatroon. Hoogsensitieve mensen die hun anorectisch gedrag weten te doorbreken, blijven daarentegenvaak hun hele leven moeilijkheden ondervinden. Bij emotionele overprikkeling komt het onvermogen om te eten nu voort uit een lichamelijke reflex. De maag weigert eten te verteren, de slokdarm verkrampt waardoor slikken onmogelijk wordt en eten wordt elke keer weer bemoeilijkt door misselijkheid. Ze willen wel eten, maar het lukt gewoon niet. Eerst emotioneel volledig tot rust komen is een voorwaarde om deze lichamelijke reflexen voldoende tot bedaren te brengen om toch weer voedsel tot zich te kunnen nemen.
Het verschil met anorexia in reactie op traumatisering is dat in dat laatste geval de triggers die de heftige emoties veroorzaakten, volledig geneutraliseerd kunnen worden met behulp van therapie. Twee voorbeelden:
Een vrouw ontwikkelde tijdens haar tienerjaren anorexia in reactie op de emoties die tijdens haar kinderjaren werden uitgelokt doordat ze bij haar vader al te vaak werd blootgesteld aan porno- en geweldfilms. Een tweede bron van onverdraaglijke emoties werd gevormd door een vorige-levenstrauma dat zich afspeelde tijdens de tweede wereldoorlog. Toen stierf ze na veel ontberingen, emotionele en fysiek ellende van honger en uitputting. Haar verstoord eetgedrag kon blijvend doorbroken worden met veel geduld en therapie,
Een andere vrouw ontwikkelde anorexia tijdens haar adolescentie. In haar geval werd de voornaamste bron van emoties die ze hiermee onder controle probeerde te houden gevormd door alles wat ze bij andere mensen aanvoelde en niet kon verwerken, als gevolg van haar hoogsensitiviteit. Na enkele jaren wist ze met veel zelfdiscipline haar weigering om te eten te doorbreken, maar ze bleef uiteraard extreem hoogsensitief en tijdens periodes van heftige overprikkeling weigerde haar lichaam elk voedsel, ook al had ze de bewuste wil en motivatie om te eten.

De triggers die overprikkeling (en de heftige bijbehorende emoties) bij hoogsensitieve personen veroorzaken zijn niet alleen alledaags maar ook veelvuldig aanwezig in de realiteit. Ze kunnen nooit een leven lang vermeden worden en herprogrammatie van de reacties erop is niet aan de orde. Er is immers geen sprake van een verkeerde programmatie maar van een manier van functioneren die inherent is aan hun hoogsensitieve persoonlijkheid.
In de praktijk is dit onderscheid niet altijd even duidelijk. Heel wat getraumatiseerde mensen zijn tezelfdertijd hoogsensitief en niet alle trauma’s worden zodanig volledig verwerkt dat de triggers niet langer tot heftige emoties leiden.

Als hoogsensitief mens hoef je overigens geen anorexia te ontwikkelen om chronisch moeite te hebben met eten.
Dit was bv het geval voor een hooggevoelige vrouw die hoegenaamd geen aanleg had tot anorexia, boulemie of wat dan ook, daarvoor leefde ze te graag en genoot ze te veel van eten en drinken. Maar tijdens de veelvuldig terugkerende periodes van emotionele overprikkeling en de bijbehorende stress, weigerde haar maag telkens weer alle voedsel. Het enige wat ze kon doen was wachten tot de stress was gezakt en dan pas kon ze weer eten. 



*****

Deze tekst vormt een aanvulling op 
mijn boek Hoogsensitief - Anders Bekeken; isbn 9789077101001,  die zal opgenomen worden in de volgende druk.