zondag 8 oktober 2017

Reïncarnatie en reïncarnatiepsychologie - Waarom?

Reïncarnatie en reïncarnatiepsychologie

Waarom zou een nuchter denkend mens zich bezighouden met reïncarnatie, laat staan met reïncarnatiepsychologie? Het is niet omdat het geloof in reïncarnatie wereldwijd enorm is verbreid, dat het daarom iets is wat we per se ernstig moeten nemen. Over boord gooien dan maar, dat concept? Of zijn er goeie redenen te bedenken om er toch maar rekening mee te houden?
De meeste mensen die reïncarnatie hoog in het vaandel dragen, focussen zich op het zoeken naar bewijzen van het bestaan ervan. Anderen verliezen zich in sensationele verhalen over hun al dan niet vermeende verleden. Deze zaken zijn echter van ondergeschikt belang. Wat veel interessanter is, is de vergelijking tussen de twee basisideeën. Welk van de twee levert ons de meeste logische verklaringen op voor wat we meemaken: het reïncarnatieconcept of het idee dat elk mens verondersteld wordt slechts één leven te leiden?
Als het over de menselijke psychologie gaat, over wat we innerlijk ervaren en op emotioneel vlak meemaken, is de verklarende kracht van het reïncarnatiemodel niet alleen veel groter, maar tevens veel eenvoudiger. Alleen zijn er maar weinig mensen die het reïncarnatiedenken tot in de finesses onder de knie hebben en consequent toepassen, waardoor heel veel logische verbanden nooit gelegd worden.
Wat reïncarnatie betreft zijn de twee bekendste onderwerpen de spontane herinneringen die sommige kinderen hebben aan een al dan niet vermeend vorig leven en de verhalen over traumatiserende ervaringen uit al dan niet vermeende vorige levens die tijdens regressietherapieën veelvuldig opduiken. Over het waarheidsgehalte van beide lopen de meningen ver uiteen.
Je kan er – net als wijlen professor Ian Stevenson – je levenswerk van maken om te proberen te bewijzen dat de spontane vorige-levensherinneringen van kinderen een groot waarheidsgehalte bevatten, of je kan simpelweg de volgende bedenking maken: wat is de meest logische en de meest eenvoudige verklaring voor dit fenomeen? Is de drang van kleine kinderen die pas kunnen praten om te fantaseren zodanig groot dat ze gedetailleerde verhalen verzinnen over een ander leven op een andere plek – met inbegrip soms van verifieerbare details – de meest logische verklaring? Of is het een eenvoudiger verklaring om aan te nemen dat reïncarnatie gewoonweg bestaat en dat sommige kinderen daar herinneringen aan hebben, ondanks dat men daar in de regel geen herinneringen aan heeft?
Betreffende de therapeutische kracht van het uitwerken van vorige-levenstrauma’s kunnen we de visie van de bekende psychiater Dr Raymond Moody volgen die zegt dat hij niet in reïncarnatie gelooft maar dat reïncarnatietherapie desondanks werkt, zoals hij in zijn praktijk veelvuldig heeft ervaren. Andere auteurs zoeken de verklaring in ‘dekherinneringen’ waarmee ze fantasieën bedoelen die onbewust gebruikt worden om echte, maar verdrongen trauma’s uit de jeugd toe te dekken. Of we kunnen van het veel eenvoudiger idee uitgaan dat reïncarnatie simpelweg bestaat.
Er zijn tal van kleine en grote onderwerpen in een mensenleven die veel logischer kunnen verklaard worden door uit te gaan van het bestaan van reïncarnatie. De soms bizarre en afwijkende interesses en hobby’s van mensen, de landen en culturen waartoe we ons aangetrokken voelen en deze die ons afstoten, de mensen die we al vanaf de eerste ontmoeting door en door lijken te kennen, de talenten die we zonder enige moeite ontwikkelen, de onevenredig grote angsten en fobieën die we niet kunnen linken aan gebeurtenissen uit onze kindertijd: het zijn hier maar enkele voorbeelden van.
Een psychologie die consequent rekening houdt met het bestaan van reïncarnatie biedt een veel groter verklarend model voor emotionele problemen, innerlijke conflicten, fobieën, breekbaarheid en veerkracht dan een psychologie die de menselijke persoonlijkheid louter als het product beschouwt van zijn genetische aanleg in combinatie met de invloeden uit zijn omgeving. Vanuit deze visie werd de reïncarnatiepsychologie geboren, een psychologisch model dat een ruim mensbeeld koppelt aan een grote verklarende kracht. Het is nu eenmaal een wetenschappelijk principe dat een hypothese met een grotere verklarende kracht en een eenvoudiger structuur voorrang verdient op een idee dat ingewikkelder verklaringen nodig heeft en dat veel fenomenen onverklaard laat.
Voor mij persoonlijk is het een klein levenswerk geworden om deze filosofische psychologie zo genuanceerd mogelijk uit te werken door steevast de linken te leggen tussen de theoretische concepten van het reïncarnatiedenken en de realiteit. Na twintig jaar schrijven is het resultaat hiervan terug te vinden in mijn boeken Karmische Psychologie Deel 1 – In Dialoog met het Onbewuste en Karmische Psychologie Deel 2 – Individuatie en Healing en in enkele kleinere themaboeken (Autisme en Vorige Levens, Hoogsensitief – Anders Bekeken, Wat gebeurt er als ik dood ga?, De Pijn van het Opperwezen en Aikido, Zen & Hardlopen). Tijdens de komende jaren zullen er nog twee delen van Karmische Psychologie verschijnen, waaraan ik nu volop aan het schrijven ben: Deel 3 – Relaties, Seksualiteit & Opvoeding en Deel 4 – Aarde en Schaduw.

Via deze linken vind je meer informatie over deze boeken:

woensdag 4 oktober 2017

Leven in het hier en nu - enkele bedenkingen

Verleden en toekomst – leven in het hier en nu

Vaak krijg ik de vraag waar al dat gegraaf in het verre verleden voor nodig is. Is het niet zinniger om toekomstgericht te leven en het verleden gewoon te vergeten? Of nog beter: om zo intens mogelijk in het nu te leven?
Wie het verleden negeert en enkel in functie van de toekomst leeft, trekt een toekomst aan waarin het verleden zich herhaalt. Het verleden kunnen we namelijk slechts achter ons laten als we er voldoende uit geleerd hebben.
Een veel voorkomend fenomeen is dat mensen niet alleen binnen het tijdskader van één leven maar ook vaak in de loop van meerdere opeenvolgende incarnaties, steeds hetzelfde onheil lijken aan te trekken. Het drijft zowel cliënten als (reïncarnatie)therapeuten soms tot wanhoop.
Een veel voorkomend voorbeeld: mensen die leven na leven in vrijheid geboren worden in een eerder primitieve samenleving waarin ze zich geborgen voelen, maar die dit leven onder de dwang van geweld moeten inruilen voor een leven in slavernij of semi-slavernij.
Een ander gekend voorbeeld is dat mensen die tijdens hun jeugd mishandeld of vernederd werden (meestal vrouwen) partners aantrekken die hetzelfde met hen doen.
Een meer concreet voorbeeld is dat van een vrouw die er na een psychotische depressie weer bovenop kwam met behulp van emotie-onderdrukkende medicatie,een minimum aan therapie en veel rust. Na een half jaar herhaalde het probleem zich, waarna ze er met veel rust, psychomedicatie en een minimum aan effectieve therapie weer bovenop kwam. Haar basisingesteldheid: zo intens mogelijk in het hier en nu leven en zo weinig mogelijk energie in het verleden investeren. Hierdoor kwam ze er nooit toe om de effectieve oorzaken van haar probleem, die zich in het verleden bevonden, voldoende te verwerken en op die manier de angel uit haar patroon te halen.

Veel mensen zijn onwetendheid op het vlak van wat men kan en moet leren uit wat men aantrekt, gewoonweg omdat ze in wezen niet voldoende inzicht hebben in de aard van het individuatieproces. Maar even vaak heeft het te maken met een wezenlijke vlucht vooruit: het verleden wordt het liefst zo snel mogelijk achter zich gelaten om aan een nieuwe toekomst te bouwen waarop men projecteert dat ze beter zal zijn dan het verleden. Het inzicht in het waarom van dit verleden wordt niet voldoende uitgediept en de planning die nodig is om in het toekomstige leerproces dezelfde fouten te vermijden, ontbreekt dan ook grotendeels. Hierdoor herscheppen ze zonder het te beseffen het onverwerkte verleden in de toekomst.
Praktisch gezien moet een mens aan de slag met zijn verleden indien het zich blijft herhalen. Hierbij kan het zowel gaan om concrete situaties en gebeurtenissen als om emotionele reactiepatronen die het bewustzijn keer op keer overspoelen, ongeacht of deze emoties aangepast zijn aan de realiteit of niet. Dit laatste heeft betrekking op mensen die nieuwe situaties aantrekken met betere kansen dan in het verleden, maar die ondanks dat nog steeds dezelfde emotionele reacties vertonen. Dit komt veel voor in relaties:
Je huidige partner heeft bv een andere ingesteldheid, beoordeelt je anders en reageert dan ook anders op jou dan je vorige, maar toch projecteer je op hem of haar de reacties van je vorige partner en reageer je met dezelfde angst, afwijzing, gekwetstheid of kwaadheid als tegenover je vorige partner.
Of: ondanks dat je partner anders is dan je vader of moeder, reageer je op hem of haar alsof hij hetzelfde doet en denkt als één van je ouders.

Wie helemaal in het hier en nu leeft zonder rekening te houden met het verleden en zonder gerichtheid naar de toekomst, wordt steeds meer door het verleden bepaald en wordt in de toekomst telkens weer door dat verleden ingehaald.

Voldoet het dan niet om helemaal in het nu te leven?
Aarding wordt niet ten onrechte geassocieerd met leven in het nu. Maar ons ik-bewustzijn, dat gekoppeld is aan een lineair tijdsbesef, is onderhevig aan een leerproces. Dit wil zeggen dat we qua ontwikkeling ergens vandaan komen en ergens naar toe gaan. In het hier en nu staan we op een bepaalde afstand van zowel het beginpunt als van het (eventuele) eindpunt van die innerlijke reis. Dit betekent niet alleen dat we contact met ons verleden nodig hebben om de juiste reisweg in de toekomst uit te kunnen stippelen, het betekent ook dat we sowieso verplicht zijn om de krijtlijnen van onze toekomst uit te tekenen en regelmatig te evalueren of onze toekomstperspectieven nog voldoende kunnen bijdragen tot onze ontwikkeling.
Exclusief in het nu leven, impliceert meestal dat men te weinig voeling houdt met wat men nu moet doen om in de toekomst niet plots met een innerlijke stilstand geconfronteerd te worden, om te vermijden dat men strop komt te zitten op allerlei praktische vlakken.
De ware levenskunst is om te leren leven met het zwaartepunt van de bewuste aandacht in het nu en met de voelsprieten in zowel het verleden als in de toekomst, zonder dat dit de kwaliteit van de beleving aantast. Te veel aandacht in het verleden of te veel aandacht in de toekomst verhindert het beleven van wat je nu meemaakt. Evenwicht, daar draait het om.
De new-agehype van de jaren 2007-2008, ‘mindfullness’ geheten, draait overigens om hetzelfde (zen-boeddhistische) principe: leren leven in het hier en nu. Is dit zinnig? Ja, maar dan enkel op voorwaarde dat men het verleden en de toekomst niet veronachtzaamt, anders leidt dit tot ter plaatse trappelen of in cirkeltjes ronddraaien in plaats van tot duurzame zelfontplooiing. En wie er niet in slaagt zichzelf te ontplooien, mag dan nog in het hier en nu leven, die beleving zal nooit bevredigend zijn. Dit is namelijk enkel het geval als het gepaard gaat met een voldoening gevend besef van innerlijke groei en evolutie, op welk vlak dan ook. En daarvoor moeten we in het heden leren uit het verleden en rekening houden met de toekomst. 

 ******

Deze tekst is een voorpublicatie van een klein hoofdstukje uit Karmische Psychologie Deel 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding.  Dit boek verschijnt wellicht pas in 2020. 
Boek bestellen?  http://www.henkcoudenys.be/psychologie.php 

zaterdag 30 september 2017

De Gruweleik 1 & 2

De Gruwel-eik (1)

Boer Prins had veel hectaren land: maïsakkers, aardappelvelden, een groot bietenveld, korenvelden, weilanden en een boomgaard. De boomgaard lag naast de boerderij. Maar in het midden van zijn uitgestrekte landerijen, bevond zich een bosje met hoge bomen, ongeveer zo groot als een voetbalveld. Boer Prins had zich vaak afgevraagd waarom zijn vader dat laatste stukje bos nooit had gerooid, zodat ze de akkers aan één stuk door zouden kunnen bewerken. Nu moesten ze steeds om het bosje heen rijden met de tractor.
Maar zijn vader had de bomen nooit omgezaagd, evenmin als zijn grootvader of zijn overgrootvader. De oude mensen uit de omgeving vertelden dat het bosje er al sinds mensenheugenis was en dat het er spookte. Boer Prins hechtte geen geloof aan spookverhalen en op een dag liet hij drie sterke mannen met kettingzagen komen om het vervelende stuk bos met de grond gelijk te maken.

‘Waar zullen we beginnen?,’ zei de leider van het drietal, een boom van een vent die zijn lange, zware kettingzaag tussen duim en wijsvinger vasthield als was het een jojo. Zijn twee kompanen waren een stuk kleiner en magerder.
‘Zeg jij het maar baas,’ zei de man die links van hem stond.
‘Laten we dan maar direct een dikke nemen.’ Hij keek tussen de struiken door en zag dat de dikste boom in het midden van het bosje stond. Hij begon zich een weg te banen door de bramen, de hazelaars en de vlierstruiken. Links en rechts trapte hij braamranken en brandnetels plat of brak hij de overhangende takken van een struik af. Af en toe bukte hij zich onder een hazelaar door en veegde hij een spinnenweb van zijn gezicht. Toen stond hij voor de dikste eik die hij ooit had gezien. Hij legde zijn kettingzaag neer, krabde onder zijn pet en floot tussen zijn tanden.
‘Pfiieuw! Kom eens kijken mannen, met die hier zijn we vast tot vanavond bezig. Zeg waar blijven jullie?’
Zijn handlangers kwamen er aan, struikelend en zuchtend. Ze zeulden een zware last van kettingzagen, kettingolie, benzine en ander materiaal met zich mee zoals kabels en klimhaken.
‘Kom jongens, we zetten er de zaag in,’ zei de baas. ‘Hoe eerder we beginnen, hoe eerder we pauze kunnen nemen.’ De daad bij het woord voegend, liet hij de motor van zijn kettingzaag grommen.
De eikenboom gromde terug.
‘Baas! Baas! Wat was dat voor geluid? Het leek wel uit de boom te komen…’ zei de kleinste van het drietal geschrokken.
‘Bwah, dat zijn z’n takken die tegen elkaar schuren zeker.’
De baas maakte een diepe zaagsnee in de bast van de oude boom. Nu hoorden ze een dreigend gerommel en zelfs de grote, onverschrokken houthakker keek verbaasd op. Hij kon nog net op tijd wegspringen voor een zware tak die vanuit de kruin van de eik omlaag viel.
Eén van zijn helpers kreeg de tak op zijn voet. De man vloekte en huilde. Opnieuw gromde de boom. Het klonk dreigend en spottend tegelijk.
De baas haalde zijn schouders op en trok zijn kettingzaag opnieuw op gang. Maar nog geen halve minuut later zat zijn zaagblad klem en hoe hij ook wrikte en wrong, hij kreeg hem niet meer los.
‘Frank, geef me jouw zaag eens!’ Hij riep dit bevel naar de kleinste van de drie.
Met de kettingzaag van zijn helper, probeerde hij het stuk uit de stam te zagen, waarin zijn eigen zaag klem zat.
‘Verdikkeme,’ vloekte hij na een halve minuut. ‘Weer klem’.
De derde zaag werd erbij gehaald, maar ook dat mocht niet baten: de ketting brak en het zaagblad trok krom. Het leek wel alsof ze ermee op een rots hadden ingehakt.
‘Morgen komen we terug,’ zei de baas en boos denderde hij door de struiken, op weg naar zijn vrachtwagen die buiten het bos op een landweggetje stond. Zijn kompanen sjokten mismoedig achter hem aan, de ene al hinkend, de andere al struikelend.

De volgende ochtend kwamen ze terug met gloednieuw materiaal. Ze hadden twee van de zwaarste en langste kettingzagen mee die er te koop waren en ze hadden een zaagketting met diamanten punten waarmee je door het hardste hout heen kon zagen.
Toen ze vlakbij het bosje uit hun vrachtwagen stapten, hoorden ze een grommend gelach. Het leek wel uit de grond omhoog te borrelen. Het kwam uit het midden van het bos. Met een bang hart volgden ze hun pad door het struikgewas, op weg naar de oude eik. Zelfs de baas was er duidelijk niet gerust in, want hij zei niets. Hij had zijn nieuwe kettingzaag in de laadbak van de truck laten liggen.
Hoe dichter ze de boom naderden, hoe meer het gelach veranderde in een dreigend gegrom. Eigenlijk was het meer voelbaar dan hoorbaar. Het trilde door gans je lijf. Je kreeg er zenuwen van in je maag, krampen in je darmen en bibbers in je knieën. Toen, stonden ze alle drie met een schok stil.
De oude eik was in één nacht wel een handbreedte dikker geworden. Van de twee kettingzagen die de vorige dag waren klemgeraakt, bleef niet veel meer over: het leek wel alsof de eerste was fijngekauwd en daarna uitgespuwd en de tweede was bijna volledig ingegroeid in de nieuwe bast van de oude boom.
‘Dat is tovenarij,’ zei de mankepoot. De baas stond sprakeloos. Zijn tweede handlanger, de kleine man, mompelde:
‘Dit is gruwelijk, gewoon weg gruwelijk!’
‘Voor één keer moet ik je gelijk geven,’ sprak toen de baas, ‘dit is geen gewone eik, maar een gruwel-eik.’

De mannen gingen weg en keerden nooit meer terug. Boer Prins hoorde niets meer van hen, ze kwamen zelfs nooit om hun loon vragen. Maar het verhaal van de gruweleik in het spookbosje ging van mond tot mond en het wordt tot op de dag van vandaag nog verder verteld.



De Gruweleik (2)


Herman Prins was de zoon van boer Prins. Hij was acht jaar oud en op school noemde iedereen hem Prins Herman. Dat vond hij best leuk en omdat zijn vader een rijke boer was, gedroeg hij zich ook als een prins. Tijdens alle groepsspelletjes nam hij vanzelfsprekend de leiding en in de klas zorgde hij dat hij altijd de beste was. Hij deelde vaak snoep uit en hielp zijn vriendjes met hun huiswerk als ze het niet konden. Op andere dagen, als ze een gemakkelijke huistaak hadden gekregen waar Prins Herman geen zin in had, hielpen zijn vrienden hem. Zelf ging hij dan buiten spelen in plaats van te werken.

Maar nu was het vakantie en de zoon van boer Prins was thuis, zonder vriendjes. Hij had geen broers, enkel een klein zusje dat nog in de wieg lag. Hij speelde met de hond, maar de hond werd moe en ging in de schaduw van zijn hok liggen slapen. Kortom, Prins Herman verveelde zich al snel zonder zijn onderdanen.
Toen zag hij dat zijn vader op de grote tractor klom om vroege aardappelen te gaan oogsten en hij vroeg of hij mee mocht. Hij vond het heerlijk daarboven in de stuurcabine, maar het rooien van de aardappelen duurde lang en er waaide fijn, stoffig zand door het open raam naar binnen.
De boer nam gelukkig op tijd koffiepauze en Herman glipte de tractor uit. Hij ging wat rondneuzen langs de randen van de akkers.
‘Ik blijf hier wel,’ riep hij naar zijn vader toen deze zijn koffie op had.
‘Geen domme dingen doen,’ antwoordde de boer terwijl hij de dop op zijn thermosfles schroefde. ‘En vergeet niet dat we om zes uur thuis moeten zijn voor het avondeten.’
‘Nee pa,’ zie de kleine Prins, maar de boer hoorde het al niet meer. Hij had zijn tractor reeds gestart en ging zonder omkijken weer aan het werk.
Een tijd lang zwierf Herman langs de akkerranden. Hij vond twee voorhistorische pijlpunten die zijn vader zonder dat hij het wist had opgeploegd in het voorjaar. De regen had ze bloot gespoeld. Prins Herman zocht een plek om zijn schat te verbergen. De pijlpunten waren gemaakt van vuursteen en ze glansden in de zon. Hij wilde ze veilig opbergen. En waar was het veiliger dan in het spookbosje waar nooit iemand kwam?
Hij volgde het enige pad dat het bos in ging, het pad van platgetrapte braamstruiken dat een tijd geleden door de drie houthakkers was gemaakt. Aan het eind van het pad kwam hij bij de reusachtige oude boom die de houthakkers had weggejaagd, de gruweleik die in het midden van het bos stond.

De boom begon te grommen van zodra hij de aanwezigheid van een mens voelde, eerst zachtjes, dan luider en dreigender. Prins Herman schrok. Hij hoorde het angstwekkende geluid, maar wist niet waar het vandaan kwam. Trillend ging hij met zijn rug tegen de dikke boomstam staan.
‘Een dinosaurus!’ dacht hij luidop. ‘Het is vast een Tyrannosaurus rex die zich in dit bos verborgen houdt.’ Hij keek angstig om zich heen.
De gruweleik gromde opnieuw.
‘Help,’ riep Herman. Hij dacht dat hij het monster nu aan de andere kant van de dikke stam hoorde. ‘Laat het alsjeblieft niet naar hier komen,’ hoopte hij. Verlamd van schrik leunde hij tegen de eikenstam.
‘Help me boom,’ fluisterde hij. ‘Verberg me alsjeblieft voor dat moorddadige monster’.
‘Maar dat monster, dat ben ik zelf,’ zei de boom plots.
Prins Herman week verbaasd enkele stappen van de eik vandaan.
‘W..wie s..s..spreekt daar?’ stotterde hij.
‘Ik spreek hier!’ De stem van de eik klonk hard en nors.
‘Ben jij een sprekende boooom?’ vroeg Herman, te verbaasd om nog langer bang te zijn.
‘Ik ben de GRUWELEIK. Ik jaag iedereen de stuipen op het lijf en zo hoort het ook. Als je een vinger naar me uitsteekt, eet ik je op,’ dreigde de boom.
‘Nou, ik doe je geen kwaad hoor,’ zei Herman. ‘Ik zoek alleen maar een veilige plek om mijn nieuwe schatten te verbergen.’ Hij opende de hand waarin hij de pijlpunten had.
‘Heb jij niet toevallig ergens een holletje tussen je wortels of zo?’ vroeg hij.
Herman was helemaal niet bang van de sprekende boom. Hij was al lang blij dat hij niet met een mensenetende Dinosauriër te maken had. Waarom zou je ook bang zijn voor iets dat geen klauwen of tanden had en dat niet achter je aan kon lopen?
‘Grmbl,’ bromde de eik, maar het klonk niet eens meer dreigend. Toen was het een tijdje stil.

‘Goed,’ klonk opeens de stem van de gruweleik, ‘je krijgt je zin. Ik mag je wel. Ik denk niet dat jij ooit een boom zult omzagen in je leven.’
Bij elk woord van de eik knikte Herman bevestigend. De boom klonk al heel wat vriendelijker. Toen opende hij een spleet tussen twee van zijn oeroude, machtige wortels en zei:
‘Doe je schatten hier maar in. Ik bewaak ze wel voor je.’
Prins Herman legde zijn stenen pijlpunten eerbiedig in de holte en toen hij zijn hand terugtrok sloot de schatkamer zich.
‘Hé, je hebt mijn schat opgegeten!’ riep hij verontwaardigd.
‘Sorry,’ kuchte de eik, ‘macht der gewoonte.’ Toen opende hij vlug de spleet weer.
Opgelucht stak Herman zijn kinderhand uit naar zijn pijlpunten. Hij gleed met zijn wijsvinger langs de scherpe, gekartelde randen van vuursteen. ‘Straks als ik weg ben, mag je de schatkamer weer op slot doen,’ zei hij. ‘Beloof je me dat?’
De eik gromde iets dat op ja leek. Hij was het niet gewoon dat een mens zo tegen hem praatte. Vol vertrouwen liet Herman zijn schatten los.

‘Zeg gruweleik, hoe komt het eigenlijk dat jij kunt praten?’ vroeg Herman Prins.
De boom zuchtte hoorbaar, waarna het stil werd.
‘Dat komt doordat ik geen gewone boom ben,’ sprak hij na een stilte waarin alleen het ritselen van zijn bladeren in de wind te horen was geweest. ‘Zet je,’ voegde hij eraan toe en hij plooide één van zijn wortels tot een stoeltje. ‘Ik ga je mijn verhaal vertellen.’
Toen de jongen neerzat, wiegde de boom hem zachtjes heen en weer. Je kon het nauwelijks zien, maar je voelde het wel.
‘Ruim tweeduizend jaar geleden was ik nog maar nauwelijks meer dan een ontkiemde eikel. Ik was amper twee eikenblaadjes hoog toen ik door een druïde werd uitgekozen om de nieuwe heilige boom van zijn volk te worden. Ik was ontkiemd uit een eikel die van de oude heilige boom was gevallen, daarom koos hij mij. De oude boom was ziek: er woekerde schimmel onder zijn bast, hij stond vol paddenstoelen en er woonden wel drie spechtenfamilies in holen in zijn stam. Ik geloof dat er ook nog een nest reuzenbijen in zat, maar dat weet ik niet zeker meer. Zijn kruin was allang dood. Op een dag is hij tijdens een storm omgevallen.’
De boom pauzeerde. Prins Herman merkte het niet eens, zijn gedachten waren meer dan tweeduizend jaar teruggereisd in de tijd.
‘Toen ik nog klein was, was het woud heel groot. Ik denk dat we met zijn allen zowat de helft van deze wereld bedekten. Ja, we waren met veel meer dan nu, vooral eiken. Ik was nog maar enkele bladstelen hoog toen mijn vader stierf, maar er waren ook veel volwassen eiken. Sommigen waren toen al honderden jaren oud. Maar toch koos de opperdruïde mij als de nieuwe heilige eik. Ik was ontkiemd uit het goede zaad en ik stond op de juiste plaats. Omdat ik nog zo klein was, waren de meeste mensen het niet eens met de oude druïde. Ze kozen een andere eik als heilige boom, een reus van driehonderd jaar oud. Maar deze werd kapot gebliksemd en ook de volgende oude eik die ze uitkozen, kwam om in een storm. Hij stond op een helling en waaide omver. Pas toen hij daar met zijn wortels in de lucht lag, schaarden de mensen zich achter de beslissing van de opperdruïde. Vanaf dat ogenblik werd ik de enige echte heilige eik van de stam.’
De heilige gruweleik schraapte zijn stem waarna hij niet zonder trots verder ging:
‘Ik werd nu het middelpunt van alle feesten: midzomer, midwinter, de eerste lentenacht, de eerste herfstnacht, volle maan, de verkiezing van een nieuw stamhoofd of de geboorte van een kind, altijd werd er gefeest onder mijn kruin. En ik groeide snel, mag ik wel zeggen. Dat kwam door de groeidrank die de druïdes bij elk feest op mijn wortels sprenkelden. Toen ik pas twintig was, was ik al een hoge boom en had mijn stam reeds een doorsnede van tien eikenbladeren.
Maar op een dag ging de oude druïde dood en toen hij van zijn versleten mensenlichaam los kwam, zweefde hij naar me toe en kroop in mijn stam. Zijn geest versmolt met de mijne en we zijn nog steeds samen. Vandaar dat ik kan praten. En toveren. ‘
‘Maar,’ vroeg Herman, ‘dan ben je eigenlijk geen boom maar een druïde?’
‘Hmm,’ antwoordde de stem uit de boom, ‘ik was gewoon een eik…nou ja niet een gewone eik maar een heilige, maar nu ben ik meer dan een eik want mijn bewustzijn is versmolten met het bewustzijn van iemand die vroeger een mens was, een druïde nog wel. Ik ben eigenlijk noch de één, noch de ander en ik ben meer dan de twee tegelijk. Laat ons zeggen dat ik een ‘druïdeik’ ben. Ja,’ voegde hij er vrolijk aan toe, ‘ik ben een druïdeik.’
‘Waaw,’ zuchtte Prins Herman en toen herinnerde hij zich de tijd weer. In de verte hoorde hij dat zijn pa gestopt was met werken. Of beter: hij hoorde de grote tractor niet meer.
‘Ik moet weg,’ zei hij terwijl hij haastig opstond. ‘Bedankt voor het verhaal,’ riep hij naar zijn nieuwe vriend terwijl hij wegrende. ‘Morgen kom ik terug en dan moet je me nog meer vertellen over je leven, beloofd?’
De heilige gruwel-druïdeik bromde iets dat leek op ‘Nou tot morgen dan maar weer.’
Herman rende snel naar huis. Hij keek nog even achterom toen hij het bosje verliet en zwaaide. Hoog boven de andere bomen uit zag hij de takken van zijn eikenvriend terugzwaaien.


Boeken en activiteiten: zie www.henkcoudenys.be
Teksten en copyright: Henk Coudenys;
Gelieve niets van deze uitgave te vermenigvuldigen of te publiceren, op eender welke wijze, zonder toestemming van de auteur.

maandag 25 september 2017

Een relatie is als een reis...

Een relatie is als een reis, je partner het land waarin je op reis bent. Een reis zit vol ontdekkingen; sommige zijn aangename verrassingen, andere zijn teleurstellend of zelfs bittere ontgoochelingen.
Pas als je de taal van het land goed genoeg leert kennen, kan je tijdens je reis communiceren. Vaak gaat het om een andere taal dan de jouwe, een aanverwante taal of een totaal onbegrijpelijke. Wil je van je reis een boeiende ervaring maken, dan dien je voldoende te investeren in het leren van de taal.
Pas als je lang genoeg in een land verblijft, leer je het echt goed kennen en zie je door de oppervlakkigheden en uiterlijkheden heen wat er zich werkelijk afspeelt.
Net als een reis houdt een relatie daardoor op termijn altijd het risico van de ontnuchtering in. Tenzij je het telkens weer kort en oppervlakkig houdt, zodat je nooit de diepte hoeft in te gaan en nooit de kans loopt op een teleurstellende ontdekking. Korte reisjes en dito relaties laten je toe om achteraf met weemoed of opluchting terug te kijken op het sprookje of de nachtmerrie waarvan je te snel of net rap genoeg hebt afscheid genomen. Maar of het sprookje echt een sprookje was, dat weet je eigenlijk niet, net zo min als dat je de eventuele diepere betekenis kan leren kennen van wat de kortstondige romance die in een emotionele nachtmerrie was uitgelopen.
Een reis voldoet vaak niet aan je verwachtingen. Van het hotel kun je nog wel betere service eisen, maar de sfeer zal er navenant onder leiden. Van de regering van het land waarin je je bevindt, kun je echter niet verwachten dat ze speciaal voor jou die stad zal bouwen die je had gehoopt te ontdekken. En toch is het dat wat keer op keer gebeurt in een relatie: er worden onmogelijke eisen gesteld aan de partner, eisen om te veranderen in iemand anders, opdat de relatie vooralsnog zou voldoen aan wat men ervan had gehoopt.
Een relatie begint met de ontdekking van wie je partner werkelijk is. Die ontdekking blijft de hele reis door verder gaan. Reageer erop met verwondering, dan kun je ontvangen wie hij of zij is.
De tweede ontdekking die hand in hand gaat met de eerste, houdt in dat je te weten komt wat er allemaal mogelijk is tussen jullie beiden. Ga hier onbevangen en onbevooroordeeld mee om, dan kan de relatie alleen maar groeien.
Maar op basis van de reclamebrochures hebben we vaak een totaal verkeerd of erg beperkt beeld van het land waar we heen gaan. Houden we ons vast aan die ongeaarde verwachtingen, dan is er geen sprake van onbevangenheid, onbevooroordeeld zijn of ontvangen. Op die wijze ontstaan heel wat frustraties in relaties.
En nochtans, als de steden minder gezellig zijn dan we hadden gedacht, valt er misschien wilde natuur te ontdekken waar we geen weet van hadden. Zijn er geen bomen die beschutting en schaduw bieden, dan is er misschien een zee waarin we kunnen zwemmen. Is het eten niet wat we er ons hadden van voorgesteld, dan is er misschien wel hartelijkheid.
En ben je toevallig terechtgekomen in een land waar je echt weinig tot geen affectie mee hebt, waarvan de taal en de culturele gebruiken je totaal niet liggen, ga dan gewoon naar huis. Probeer het land niet te veranderen, want als je dat doet, is er van reizen geen sprake meer. Dan wordt je een aannemer en gaat het land op de schop, terwijl het land zelf daar niet om heeft gevraagd.
Voor partners met wie het echt niet klikt, geldt hetzelfde.


***

Deze tekst is een voorpublicatie van een klein hoofdstukje uit Karmische Psychologie Deel 3: Relaties, Seksualiteit & Opvoeding.  Dit boek verschijnt wellicht pas in 2020. 
http://www.henkcoudenys.be/psychologie.php 

vrijdag 22 september 2017

Het Sensuele Opperwezen (aanvulling op De Pijn van het Opperwezen)


Het Sensuele Opperwezen

In ‘de Pijn van het Opperwezen’ heb ik uitvoerig de consequenties uitgediept van een geïntegreerd godsbeeld. Indien we het Opperwezen opvatten als het geheel van alles wat bestaat, is niet alleen elke kruimel van het heelal goddelijk, maar is ook elk menselijk trekje een deel van het Opperwezen.
Tevens heb ik de stelling naar voor geschoven dat het Opperwezen vrijwillig gekozen heeft voor een transformatie- en evolutieproces via onafhankelijk functionerende menselijke bewustzijns. Vanuit het Opperwezensbewustzijn bekeken, is elk mens een innerlijke deelpersoonlijkheid, een facet van de totale persoonlijkheid van het Opperwezen. Voor alle andere (niet-menselijke) onderdelen van de schepping geldt overigens hetzelfde, maar daar weten we erg weinig over. Het kost ons overigens al heel wat moeite om dat deel van het Opperwezen waar we wel gemakkelijk toegang toe hebben, namelijk onze eigen menselijkheid, te doorgronden.
In ‘de Pijn van het Opperwezen’ ben ik vooral ingegaan op onze groeipijnen, die tevens de groeipijnen van het grotere, Goddelijke geheel zijn. Op een ander aspect van het Opperwezen, dat eveneens in ons mens zijn sterk tot uitdrukking komt, zou ik hier graag wat dieper ingaan: de klaarblijkelijke keuze van het Opperwezen om zich te transformeren tot een materieel en sensueel geheel.
Het Opperwezen is meer dan materie alleen, net zoals de mens meer is dan enkel een lichaam. Materie en lichaam zijn slechts een perceptie van de realiteit, een waarneming die gebeurt door het individueel bewustzijn. We zouden het een illusie kunnen noemen, maar als die illusie een keuze is van het Opperwezen, dan doen we er beter aan die illusie op ons in te laten werken in plaats van ze te verwerpen.
Als we ons lichaam en de materie op ons bewustzijn laten inwerken, dan leidt dit tot uitermate sensuele ervaringen. Sommige van die ervaringen zijn pijnlijk, andere zijn heerlijk. De mogelijkheid om dit te beleven moet wel erg belangrijk zijn voor het Opperwezen, anders was het er niet. Er zit enorm veel informatie opgeslagen in het collectieve geheugen van de mensheid met betrekking tot lichamelijkheid. Tal van andere levende wezens hebben eveneens de ervaring van een individueel bewustzijn dat aan een sensueel belevend lichaam is gebonden. De hoeveelheid ervaringen die het Opperwezen opdoet neemt toe naargelang er meer mensen bijkomen en naarmate die mensen meer verschillende soorten ervaringen opdoen. Onze culturele verworvenheden groeien en dit levert het Opperwezen steeds nieuwe menselijke ervaringen op die zowel van spirituele als van sensuele aard kunnen zijn. Het Opperwezen zoekt overduidelijk het fysieke aspect van de beleving op, zowel via mensen als via andere levende wezens. Indien het Opperwezen genoegen zou nemen met de onstoffelijke ervaringsmogelijkheden zouden wij mensen geen lichamelijke ervaringen hebben, zouden er geen sensuele Bonobo’s zijn, geen krolse katten, geen fysieke lichamen tout court. Menselijke wezens kunnen heel goed bewust blijven tijdens tussenlevens, ongebonden ten opzichte van de materie, maar blijkbaar zijn dat soort ervaringen alleen niet voldoende voor het Opperwezen.
De sensualiteit van het Opperwezen lijkt me het gevolg te zijn van de zoektocht van het Opperwezen naar bewustzijn door transformatie. ‘Zijn’ leidt tot genieten en ervaren via emotionele beleving. Veranderingen leiden het bewustzijn naar steeds nieuwe situaties die beleefd kunnen worden of naar andere manieren om eenzelfde situatie te herbeleven. Het Opperwezen lijkt me hierop sterk gericht te zijn.
Maar telkens een beleving tot een routine verwordt, te langdurig wordt gerekt of te vaak wordt herhaald, treedt er gewenning op. Het Opperwezen reageert hierop met nieuwe transformaties die leiden tot nieuwe belevingen. Vandaar ook dat elk mens in wezen creatief is en dat de drang tot groei en transformatie een inherente menselijke eigenschap is. We zijn immers essentiële onderdelen van het Opperwezen.
Als mens kunnen we intens genieten van creativiteit. De een geniet vooral tijdens het scheppingsproces, de ander geniet van wat hij zelf net heeft geschapen en heel veel mensen genieten schier eindeloos van de producten van andermans creativiteit.
Als we erin slagen om in het hier en nu te leven met ons bewustzijn, iets waar we allemaal onbewust naar streven, ervaren we in de plaats van stress vooral opwinding, nieuwsgierigheid en voldoening bij al wat we doen. Soms maakt het niet uit dat een bezigheid lastig is, ze kan tezelfdertijd zeer mooi en/of bevredigend zijn. Als we in het hier en nu leven, dan ervaren we een stromend contact met het Opperwezen en dan beleven we ons leven in harmonie met het overkoepelende bewustzijn van het Opperwezen. Een van de meest intense menselijke geneugten is seks. Tijdens die beleving vergeten we alles om ons heen en zijn we helemaal in het nu en dus in harmonie met het Eenheidsbewustzijn, tenminste als we seks op een wezenlijke manier beleven – vanuit het hart – en niet tijdens een roes of onder dwang.
Met bezigheden die alleen maar lastig en pijnlijk zijn, stoppen we abrupt als ons individueel bewustzijn zich met dit Eenheidsbewustzijn verbindt. Dit kan ook betekenen dat we gewoon uit het leven stappen als het niet meer het beleven waard is. Als pijn en moeite de sensuele beleving gaan overheersen, heeft het Opperwezen blijkbaar geen boodschap aan verder beleven. Als er nog een uitweg is uit een schier hopeloze situatie, dan wijst het Opperwezen ons die weg, als we ons bewustzijn met dat van het geheel weten te verbinden.
Maar vooral lijkt het Opperwezen op zoek naar sensueel genot: schoonheid, vernieuwing, lichamelijk genot. Geen mens kan eraan weerstaan zonder zichzelf op een pijnlijke manier iets te ontzeggen. De drang van het Opperwezen is blijkbaar zeer sterk als het om genieten gaat.
Alleen voor ‘een hoger doel’, het streven naar transformatie die een totaal nieuwe belevingsmogelijkheid belooft, vinden we de motivatie om genot af te slaan en te vervangen door een moeizame zoektocht.
Veel van dergelijke zoektochten blijken echter meer moeite te kosten dan dat ze groei en evolutie opleveren. Gewezen asceten keren dan ook niet zelden terug naar een leven van sensuele beleving, al gebeurt dit meestal pas tijdens een volgende incarnatie.
Genot is niet hetzelfde als een verslavende roes. Als we ons daaraan overgeven, vervaagt ons bewustzijn. Als we weer ‘wakker’ worden, d.w.z. als ons bewustzijn zich opnieuw met dat van het Opperwezen verbindt, doen we er alles aan om ons te ontworstelen aan roesverwekkende verslavingen en om weer bewust te beleven wat het leven ons te bieden heeft.
Als een bewust levend mens een lijstje maakt van de belevingsmogelijkheden waaraan hij het meest gehecht is, waarin hij het meest energie en tijd investeert of waar hij simpelweg het meest mee bezig is in zijn fantasie of gedachten, dan duiken daar steevast de volgende onderwerpen in op: seks, ontspanning, liefde, verbondenheid, natuurbeleving, eten, drinken, lezen, muziek beluisteren of spelen en andere creatieve activiteiten. Dit zegt volgens mij heel veel over waar het bij het Opperwezen om draait, over wat we hier onder impuls van het Opperwezensbewustzijn komen doen: sensueel beleven.

*****
Deze tekst is een aanvulling bij mijn boek De pijn van het Opperwezen (ISBN 9789077101049)
Dit boek kan besteld worden in alle boekhandels, internetboekhandels en ook via de volgende link naar mijn website :
http://www.henkcoudenys.be/psychologie.php 

zaterdag 16 september 2017

De kwaliteiten van het Opperwezen (aanvulling bij 'De Pijn van het Opperwezen'

De kwaliteiten van het Opperwezen

In ‘De Pijn van het Opperwezen’ ben ik ingegaan op wat al onze menselijke ervaringen betekenen voor het grotere geheel, het Opperwezen. In Karmische Psychologie ga ik vooral in op de ‘verplichtingen’ die het met zich meebrengt om als individueel mens een deel te zijn van dat grotere geheel, op de onontkoombare leerprocessen waarmee we geconfronteerd worden enkel en alleen omdat we een deel zijn van een Opperwezen dat een bepaalde richting van zelfontplooiing is ingeslagen.
Er is nog een derde aspect in de relatie tussen mens en Opperwezen: het heeft ons namelijk ook veel kwaliteiten te bieden. Al onze dierbaarste menselijke eigenschappen hebben we immers ontwikkeld omdat we een deel zijn van een groter geheel waarvan we deze eigenschappen hebben overgenomen: bewustzijn, keuzevrijheid, verbondenheid, ontdekkingsdrang, vertrouwen, moed, sensualiteit, relativeringsvermogen enz… Deze basiskwaliteiten van het Opperwezen vertalen zich echter niet bij iedereen altijd even automatisch in persoonlijkheidskenmerken. Veel mensen hebben bv een fundamenteel gebrek aan vertrouwen, of aan vrijheid, ontdekkingsdrang, sensualiteit… Voor velen betekent het dan ook een helende ervaring om met basisvertrouwen in aanraking te komen, of met vrijheidsbesef, ontdekkingsdrang enz…
In deel 2 van Karmische Psychologie werden diverse van deze basiskwaliteiten besproken onder de noemer ‘healingenergieën’, want vanuit het pragmatische gezichtspunt van de healer zijn het dat ook: informatievelden die in een visualisatie als een stroom van energie gezien kunnen worden en waarmee mensen in contact gebracht kunnen worden. Als healer geef je die energie- en informatiestromen voor het gemak een naam: Essentie van Vrijheid, Essentie van Vertrouwen, Verbondenheids-energie enz…
Kom je met een basiskwaliteit/healingenergie in aanraking, dan kan je die toelaten of afwijzen. Als je hem toelaat, dan kan deze op je persoonlijkheid inwerken, waardoor je verandert. Op die wijze integreer je langzaam maar zeker de basisinformatie die je in beginsel onvoldoende mee had en zodoende kan je bv. evolueren van een mens zonder vertrouwen tot een iemand met een gezond basisvertrouwen in het leven, in de medemens en in zichzelf. Met andere woorden: je maakt je beetje bij beetje de basiseigenschappen van het Opperwezen eigen.

*****
Deze tekst is een aanvulling bij mijn boek De pijn van het Opperwezen (ISBN 9789077101049)
Dit boek kan besteld worden in alle boekhandels, internetboekhandels en ook via de volgende link naar mijn website :
http://www.henkcoudenys.be/psychologie.php 


maandag 28 augustus 2017

Wat gebeurt er als ik dood ga? Inleiding voor de volwassen lezer

Wat gebeurt er als ik dood ga?

ISBN 978-90-77101-070


Inleiding voor de volwassen lezer

Ik heb een jongentje gekend die, toen hij drie jaar oud was, steeds weer opnieuw vroeg wat er gebeurt als je dood gaat. Waar ga je heen? Wat gebeurt er met je? Doet het pijn om dood te gaan? Hij wilde het echt weten, vanuit een ietwat angstige, onzekere nieuwsgierigheid. De aanleiding, als ik me goed herinner, was een gestorven konijn.
Er zijn heel wat kinderen die zich door een veel dwingender aanleiding dezelfde vragen beginnen te stellen: de dood van een broer of zus of van één van hun ouders, het overlijden van een vriend of familielid, of nog pijnlijker: er zijn ook kinderen die aan een ongeneeslijke ziekte leiden en zelf de dood in de ogen kijken.

Wat vertel je dan als volwassene?

De meeste kinderen stellen zich vroeg of laat dergelijke vragen, ook al is er slechts een banale aanleiding of ogenschijnlijk zelfs helemaal geen. Sommige kinderen zijn er extreem vroeg mee. Maar of een kind nu drie jaar is, zeven, negen, twaalf of ouder, ze hebben recht op een zinnig antwoord.

Maar wat is een zinnig antwoord? Wat weten we?

De meeste kinderen laten dit soort lastige vragen ogenschijnlijk snel weer los. Meestal krijgen ze geen bevredigend antwoord of worden ze afgewimpeld. Dus stoppen ze met vragen. Maar een kind dat die vragen niet langer onder woorden brengt, blijft meestal wel nog bezig met het onderwerp.
De kinderen die niet de kans krijgen om te vergeten dat er zoiets als de dood bestaat, omdat ze er te nadrukkelijk mee worden geconfronteerd, blijven zich sowieso vragen stellen. Hoe zou je die lege stoel aan tafel, die je elke dag weer ziet, ook kunnen vergeten?

Wat vertellen we hen? Mama is ergens in de lucht? Broertje is in de hemel? In een kist onder de grond? Bij God?

‘Hoe ziet die hemel eruit?’ vragen kinderen zich af.
‘Als ik maar niet naar de hel ga…’
‘En als God bestaat, waarom neemt hij me dan mijn oma af?’

Het lichaam van een overledene wordt gekist en daarna begraven of verbrand, gereduceerd tot gebleekte beenderen die later misschien weer opgegraven worden of tot een potje vol as. Ook dat weten ze. Voor veel kinderen zit iemand die gestorven is dan ook in een kist in de koude grond. Of er blijft niets meer van hem of haar over.
Dit leidt bij veel kinderen tot angst voor de dood, tot angst voor het leven, want de dood kan op elk onverwacht moment komen: een auto om de hoek, kanker, een gek met een mes… En daarna blijft er niets meer van je over. Of je ligt in een kist onder een koude grafsteen.

Wat kunnen we hen als alternatief bieden voor dergelijke pijnlijke ideeën?

Als we hen geen denkbeelden over de dood aanreiken, dan bouwen ze uit zichzelf een beeld op over de dood. Vaak is dat een angstbeeld, zoals hierboven.
Bieden we hen geen alternatief aan voor een met angst doortrokken beeld van de dood, dan is er veel kans dat ze opgroeien tot volwassenen die bang zijn om te leven, omdat ze bang zijn voor de dood. Ze worden mensen die misschien alleen maar zo veel mogelijk willen ‘profiteren van het leven’ omdat het allemaal zo snel voorbij kan zijn.
Leven zonder veel verantwoordelijkheidsgevoel, zonder de drang om iets duurzaams op te bouwen, haastig soms, met een onderliggend gevoel van zinloosheid: dat is wat kinderen leren die zeker weten dat er na de dood niets meer komt.

Moeten we dan maar terugvallen op wat de grote religies ons vertellen?
De wereldreligies bieden ons een mengelmoesje van tijdloze levenswijsheden, gedragsregels die ten tijde van hun ontstaan een praktische betekenis hadden maar die nu veelal gedateerd zijn en stellingen die regelrecht ten dienste staan van de willekeurige macht van enkelingen over de grote massa.
Sommige mensen vinden hier geen graten in maar wel troost en houvast. Maar kritisch denkende mensen krijgen het vroeg of laat moeilijk met dat allegaartje van inzichten en boerenbedrog.
Wat dat betreft mogen we onze kinderen nooit onderschatten: ze zijn kritischer en ze denken kritischer dan we hen meestal toedichten. En sommigen blijven zo, ook als ze uitgegroeid zijn tot volwassen mensen.

Volgens strikt wetenschappelijke opvattingen kunnen we nooit enige zekerheid hebben omtrent wat er na de dood gebeurt. Maar wil dat ook zeggen dat we echt niets weten?
Vragen over leven en dood zijn te belangrijk om ze onbeantwoord te laten, zeker voor kinderen. De antwoorden die we hen geven of niet geven, bepalen immers in sterke mate wie ze later worden.

Over wat er gebeurt als we sterven, weten we intussen wel degelijk het een en ander, ook al is het niet met een zekerheid die op de resultaten van wetenschappelijke experimenten berust.
Honderdduizenden mensen zijn bijna dood geweest en hebben hun ervaringen mee teruggebracht naar het leven. Talloze mensen hebben in dromen of visioenen contact gehad met iemand die was overleden. Anderen hebben vreemde dingen beleefd, zoals uit hun lichaam treden. Dit lijkt op sterven. Nog anderen herinneren zich gebeurtenissen uit een vroeger leven, een leven dat zich op een andere tijd en een andere plaats afspeelde, meestal ook in een andere cultuur.
De meeste wetenschapsmensen doen dit alles af als onzin. Sommige wetenschappers hebben desondanks de moed gehad om al die vreemde verhalen te onderzoeken. Zo is er de voorbije jaren heel wat wetenschappelijk onderzoek gedaan naar bewustzijnservaringen tijdens een klinische dood. Het begrip ‘bijna-doodervaringen’ is hierdoor ontstaan en intussen gemeengoed geworden.
Het is ook mogelijk om al die vreemde ervaringen te beschouwen als vertrekbasis, een basis waaruit we ons een beeld kunnen vormen over wat er gebeurt als een mens sterft en daarna. Dit boekje is op die manier ontstaan.

Heel wat mensen zullen terecht aanvoeren dat veel van wat hier geschreven staat weliswaar teruggevonden kan worden in de verslagen van bijna-doodervaringen, maar dat er helemaal geen bewijs is dat we hetzelfde meemaken als we echt definitief sterven. Hebben we dus wel het recht om kinderen op te zadelen met misschien wel de valse hoop dat ons bewustzijn verder leeft na de dood? Dat we na de dood verder leven in een aangename wereld?
Dat recht hebben we. De kans dat bijna-doodervaringen wel een accuraat beeld geven van wat een mens die sterft doormaakt, is minstens even groot als de kans dat het niet zo is.
Wat is trouwens het alternatief? De vaagheden en schijnzekerheden die de grote religies ons voorspiegelen? Vagevuur, hemel of hel? Nirvana? Een strenge God die ons verdoemen of verlossen kan? Of de grauwe opvatting van het humanistische materialisme: na de dood is er niets meer. We leven hooguit verder in de herinnering van anderen tot iedereen ons is vergeten. Zijn dit de ideeën over de dood waarmee we onszelf tevreden moeten stellen en onze kinderen moeten opvoeden? Geen wonder dat de dood doodgezwegen wordt. De vraag of een bijna-doodervaring identiek is aan een definitieve stervenservaring kan nooit met wetenschappelijke zekerheid beantwoord worden, maar de kans lijkt me groot dat het wel zo is.

Meer begrip kan ik opbrengen voor kritiek op de opvattingen over reïncarnatie die ik in dit boek verwerkt heb. Het betreft een denkpiste waarvoor veel positieve argumenten bestaan maar geen wetenschappelijke zekerheden. In de bibliografie staan heel wat titels opgenomen die in dat verband het lezen waard zijn. Het zijn pogingen tot wetenschappelijk verantwoord onderzoek naar verschijnselen die op reïncarnatie kunnen wijzen. Elk kan er zijn eigen conclusies uit trekken: aanvaarden of verwerpen. Ik heb ze aanvaard. Mijn wereldbeeld is er alleen maar rijker door geworden.
Bijna-doodervaringen daarentegen zijn vanuit wetenschappelijke hoek intussen heel grondig onderzocht. Aan hun bestaan kan niet meer getwijfeld worden. Ook het feit dat bewustzijn onafhankelijk van het lichaam kan bestaan is zonder meer aangetoond. Wie hier nog aan twijfelt na het kritisch doorlezen van de studies hierover, toont zich geen kritisch wetenschapper maar stelt zich op als een geloofsfanaat. Wetenschap als geloofsdoctrine, is jammer genoeg een algemeen verschijnsel.

Als het over reïncarnatie gaat, over vorige levens en tussenlevens, dan begeven we ons op een terrein dat vanuit de methodische wetenschap bekeken alleen maar onzekerheden bevat.
Maar de wetenschappelijke methodes zijn verre van perfect. Mensen zijn nu eenmaal in staat om dingen te ervaren die niet met de bestaande methodes kunnen onderzocht worden op hun echtheid. Mensen die zichzelf wetenschapper noemen maken dan meestal de keuze om ze niet te onderzoeken en om de ervaringen in kwestie gewoon te verwerpen. Het zou wetenschappelijker zijn om te streven naar nieuwe onderzoeksmethodes die het wel mogelijk maken om dit soort ervaringen op een wetenschappelijke wijze te benaderen.
De herinnering aan een vorig leven bijvoorbeeld, kan soms geverifieerd worden: soms blijken namen van mensen en gebeurtenissen uit een regressieverhaal bijvoorbeeld te kloppen met wat in archieven of in de kleine lettertjes van de geschiedschrijving kan teruggevonden worden. Maar wil dat ook zeggen dat vorige levens bestaan en dus ook toekomstige incarnaties? Levens na dit leven?
Het gros van de wetenschappers meent dat dit niets bewijst. Men kan zich onbewust dingen herinneren die men bewust is vergeten, feiten die men ooit heeft gehoord of heeft gelezen. En als dit argument echt niet van toepassing is, kan men er nog altijd vanuit gaan dat er zoiets is als een collectief onbewuste, een soort verzamelbak van alle ervaringen van alle mensen, waaruit we soms informatie putten.
Maar bewijst deze redenering dan dat reïncarnatie, vorige levens en toekomstige levens niet bestaan? Hoegenaamd niet! We hebben de keuze tussen enerzijds een argument dat is gebaseerd op een bepaalde manier van wetenschap bedrijven die niet perfect is en anderzijds een enorme hoeveelheid individuele ervaringen van mensen die zich vorige levens menen te herinneren, tussenlevenservaringen, uittredingen en dergelijke meer en die zichzelf hierdoor beter hebben leren begrijpen, die hierdoor angsten hebben overwonnen en gelukkiger zijn geworden in hun leven. We weten alleen niet met wetenschappelijke zekerheid of hun ervaringen waar zijn. Ik verkies ze desondanks ernstig te nemen.

‘Wat gebeurt er als ik dood ga?’ is geschreven voor lezers van 10 tot 100 jaar.

*****

boek bestellen? http://www.henkcoudenys.be/psychologie.php